Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK9235

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200.035.917
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg met behulp van Haviltex van een overeenkomst van partijen neergelegd in een notariële akte waarbij pp afstand hebben gedaan van recht op hoger beroep, art. 333 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 333
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.035.917

(zaaknummer rechtbank 92591 FARK 08-521)

beschikking van de familiekamer van 1 december 2009

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, verder te noemen "de man",

advocaat: mr. R. Kaya,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, verder te noemen "de vrouw",

advocaat: mr. M.M.H. Ceelen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zutphen van 16 december 2008 en 3 februari 2009, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op maandag 4 mei 2009, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen. De man verzoekt het hof die beschikkingen te vernietigen voor zover het betreft de vaststelling van een bijdrage in de kosten levensonderhoud van de vrouw ad € 228,- per maand ten laste van de man en opnieuw beschikkende dit bedrag op nihil vast te stellen, althans op een bedrag dat het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 augustus 2009, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De vrouw verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans dit af te wijzen met veroordeling van de man in de daadwerkelijk door de vrouw gemaakte advocaatkosten, nader op te maken bij staat.

2.4 Op 27 oktober 2009 is ingekomen ter griffie van het hof een brief van mr. R. Kaya van die datum met bijlagen.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 5 november 2009 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr. R. Kaya, advocaat te Enschede en de vrouw bijgestaan door mr. M.M.H. Ceelen, advocaat te Doetinchem.

2.6 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.7 Desgevraagd heeft mr. Ceelen tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende heeft kennisgenomen van de hiervoor onder 2.4 genoemde brief met bijlagen, dat zij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 24 oktober 1991 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 1 maart 2006 heeft de rechtbank Zutphen echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 15 november 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 1992 [het kind] geboren, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank onder meer bepaald dat [het kind] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft, dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] € 383,- per maand zal voldoen en het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud wegens gebrek aan draagkracht afgewezen.

3.4 De man heeft hoger beroep ingesteld van die beschikking bij dit hof. Bij beschikking van 28 augustus 2007 heeft het hof, voor zover hier van belang, de beschikking van de rechtbank van 1 maart 2006 vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de gewone verblijfplaats van [het kind] bij de vrouw zal zijn, bepaald dat [het kind] zijn gewone verblijfplaats bij de man heeft, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 15 november 2006 bepaald op € 284,- per maand en het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] alsnog afgewezen.

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Zutphen op 18 maart 2008, heeft de man verzocht primair voor recht te verklaren dat hij is ontslagen van zijn onderhoudsverplichting zoals opgenomen in de beschikking van het hof van 28 augustus 2007 omdat de vrouw is gaan samenwonen als ware zij gehuwd, subsidiair de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op nihil te stellen met ingang van een datum die de rechtbank juist acht.

3.6 Bij tussenbeschikking van 7 oktober 2008 heeft de rechtbank de man toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de vrouw sinds september 2005 samenwoont met [A.] als waren zij gehuwd, zoals bedoeld in artikel 1:160 B.W.

3.7 Ter gelegenheid van het getuigenverhoor op 11 november 2008 zijn als getuigen gehoord de man, mevrouw [B.] (de moeder van [A.]), de heer [A.] en [het kind], de zoon van partijen.

3.8 Bij de bestreden beschikking van 16 december 2008 heeft de rechtbank het verzoek van de man, voor recht te verklaren dat hij van rechtswege is ontslagen van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, afgewezen en alvorens verder te beslissen een nadere mondelinge behandeling bepaald.

3.9 Bij brief van 17 december 2008 heeft de vrouw de rechtbank aanvullend verzocht de man in de proceskosten te veroordelen.

3.10 De voormalige echtelijke woning van partijen is op 16 juli 2008 overgedragen aan de man.

3.11 Bij de bestreden beschikking van 3 februari 2009 heeft de rechtbank de beschikking van dit hof van 27 augustus 2007 gewijzigd en de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 16 juli 2008 op € 228,- per maand vastgesteld en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.12 Het hof heeft kennis genomen van de door de vrouw bij verweerschrift in hoger beroep overgelegde notariële akte “verdeling registergoed” van 1 juli 2008.

In deze akte zijn partijen voor zover hier van belang het volgende overeengekomen:

“(…)

De eventueel door de man aan de vrouw te betalen alimentatie vanaf november tweeduizend zes tot en met juli tweeduizend acht, houdt partijen thans nog verdeeld. Deze kwestie is thans onder de rechter.

Partijen zijn in dit verband nader met elkaar overeengekomen dat een aanvullend bedrag groot Vijfduizend achthonderd vijf en zeventig euro en twee en twintig eurocent (€ 5.875,22) in depot zal blijven, welk bedrag op heden door de man is gestort op de derdengeldenrekening van mij notaris.

Uitbetaling van het depot zal plaatsvinden overeenkomstig de beschikking van de rechter in de thans lopende alimentatieprocedure. (…)

Partijen verklaren zich op voorhand te zullen conformeren aan het oordeel van de rechter en derhalve hiertegen geen rechtsmiddel in te zullen stellen.

…..“

Ten aanzien van de man

3.13 De man vormt samen met [het kind] een gezin.

Het inkomen van de man bedraagt blijkens de salarisspecificaties 7, 8 en 11 van 2008 € 1.910,- bruto per 4 weken, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

3.14 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 372,47 aan hypotheekrente;

- € 177,05 aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 215,- aan ziektekosten in 2008:

- € 122,- premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,

- € 13,- eigen risico,

- € 156,- door werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW,

verminderd met in 2008 in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW van € 54,- en de zorgtoeslag van € 22,-;

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 870,- per jaar.

Ten aanzien van de vrouw

3.15 De vrouw ontvangt een WAO-uitkering. Deze uitkering bedroeg in 2007 blijkens de jaaropgave van dat jaar € 14.681,-.

3.16 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 85,- aan huur;

- € 117,- aan ziektekosten in 2008:

- € 116,25 premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,

- € 13,- eigen risico,

- € 88,- door uitkeringsinstantie ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, verminderd met in 2008 in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW van € 54,- en de zorgtoeslag van € 46,-.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Het verst strekkende verweer van de vrouw in hoger beroep houdt in dat partijen bij de notariële akte “verdeling registergoed” van 16 juli 2008 zijn overeengekomen dat zij geen rechtsmiddel in zullen stellen tegen de bestreden beschikking van 3 februari 2009. Volgens de vrouw moet dit ook voor de man duidelijk zijn geweest nu in die akte is vermeld:

“De eventueel door de man aan de vrouw te betalen alimentatie vanaf november tweeduizend zes tot en met juli tweeduizend acht, houdt partijen thans nog verdeeld. Deze kwestie is thans onder de rechter” en de man reeds op 18 maart 2008 een verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend waarbij hij subsidiair heeft verzocht de in de beschikking van het hof van 28 augustus 2007 vastgestelde alimentatie voor de vrouw te wijzigen dan wel op nihil te stellen met ingang van 15 november 2006. De vrouw stelt hiertoe voorts dat de man geen alimentatie wilde voldoen over de periode vanaf 15 november 2006 en dat daarom op dat moment (het moment van het opstellen van de notariële akte betreffende de verdeling van de voormalige echtelijke woning van partijen) de afspraak is gemaakt dat het over de periode november 2006 tot en met juli 2008 verschuldigde bedrag bij de notaris in depot zou worden gehouden tot de beschikking in de aanhangig gemaakte procedure. Op dat moment is ook de afspraak gemaakt dat partijen zich zullen conformeren aan het oordeel van de rechter en hiertegen geen rechtsmiddel zullen instellen. De vrouw stelt voorts dat uit de laatste pagina van de akte blijkt dat partijen van de inhoud van de akte hebben kennis genomen middels een tijdige toezending van een concept, een toelichting daarop hebben verkregen en de gevolgen van de rechtshandeling hebben begrepen. Ten slotte stelt de vrouw dat op grond van artikel 333 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering partijen in zaken die rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van partijen staan kunnen overeenkomen van hoger beroep af te zien, zodat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek in hoger beroep.

4.2 De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij de overeenstemming niet zo heeft begrepen dat hij geen hoger beroep meer in zou kunnen stellen tegen de bestreden beschikking althans dat hij niet heeft afgezien van de mogelijkheid van hoger beroep tegen de bestreden beschikking voor zover daarbij een bijdrage wordt vastgesteld voor de toekomst, dat wil zeggen na juli 2008.

4.3 Dit debat tussen partijen vergt uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen in de notariële akte. De betekenis van die overeenkomst moet niet alleen worden vastgesteld op grond van de tekst van die overeenkomst, maar tevens aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.4 Het hof is van oordeel dat uit de bewoordingen van de overeenkomst niet eenduidig valt af te leiden of die overeenkomst slechts betrekking heeft op de periode zoals genoemd in de akte of dat die overeenkomst het gehele geschil betreft dat nog voorlag aan de rechter. Gelet op de gebruikte woorden in de notariële akte leent de overeenkomst zich zowel voor de uitleg die de man daaraan geeft en die van de vrouw.

4.5 De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat de notaris is aangewezen door zijn adviseur de heer [C.], een medewerker van zijn bank, die de notaris namens hem van informatie heeft voorzien. De man heeft voorts verklaard dat de heer [C.] naar aanleiding daarvan de overeenkomst met de vrouw, met hem en vervolgens met de notaris heeft besproken en dat de notaris de hiervoor onder 3.12 geciteerde tekst in de akte heeft opgenomen. De notaris heeft de akte in concept aan partijen toegezonden. Ter mondelinge behandeling heeft de man desverzocht medegedeeld dat hij die passage over het te storten depot niet zo heeft gelezen dat hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank niet mogelijk zou zijn. Hij heeft die passage aldus begrepen dat die nodig was om de verdeling van het registergoed zeker te stellen. De man heeft voorts verklaard dat de heer [C.] hem heeft geadviseerd de notariële akte te ondertekenen omdat dergelijke overeenkomsten waarbij wordt afgezien van hoger beroep wel vaker zo worden opgesteld. Hieruit maakt het hof op dat de man de uitsluiting van het rechtsmiddel tegen de nog te geven beslissing van de rechter wel heeft besproken met zijn adviseur.

4.6 De vrouw heeft desgevraagd verklaard dat zij telefonisch contact heeft gehad met de notaris en dat hij haar heeft uitgelegd dat de beslissing van de rechter bindend zou zijn en dat het dan uit zou zijn met de procedure. Ook de advocaat van de vrouw heeft aan haar meegedeeld dat hoger beroep niet meer mogelijk was tegen de door de rechtbank te geven beschikking, omdat de gehele beslissing tot wijziging/nihilstelling vanaf 15 november 2006 nog onder de rechter was en het bij de notaris gestorte depot slechts betrekking had op de alimentatie die de man niet wilde betalen over de periode van 15 november 2006 tot juli 2008, de overdracht van het registergoed.

4.7 Daarnaast heeft de advocaat van de vrouw als productie b bij verweerschrift overgelegd een brief van 4 augustus 2009 van notaris W.J. Brinkman, te wiens overstaan de akte van 16 juli 2008 is verleden. Deze bericht voor zover hier van belang als volgt aan de advocaat van de vrouw:

“In vervolg op onze telefoongesprekken deel ik u mee dat de akte van verdeling is ondertekend op 16 juli 2008. De ontwerpen zijn aan partijen toegezonden op 9 juli 2008.

Voorts kan ik uit het dossier afleiden dat de litigieuze passage reeds was opgenomen in het ontwerp dat, zoals gezegd, op 9 juli 2008 aan partijen was toegezonden. Uw cliënt heeft het ontwerp van de akte voor akkoord ondertekend. Dit voor akkoord getekende ontwerp bevindt zich in mijn dossier en in dit ontwerp vind ik de bewuste passage terug (Partijen verklaren zich op voorhand te zullen conformeren aan het oordeel van de rechter en derhalve hiertegen geen rechtsmiddel in te zullen stellen.). Aan de heer [verzoeker] zal hetzelfde ontwerp zijn toegezonden.

Ik maak er voorts een gewoonte van om de akte uitgebreid toe te lichten alvorens deze wordt ondertekend. Hoewel ik me uiteraard niet meer precies kan herinneren wat er letterlijk is besproken kan ik mij zeer moeilijk voorstellen dat de onderhavige regeling niet ter sprake is geweest, gelet op enerzijds het grote belang ervan en anderzijds het feit dat de heer [verzoeker] ook de door u opgestelde volmacht betreffende het depot op die dag bij mij heeft getekend. In het slot van de akte van verdeling verklaart de heer [verzoeker] ook dat hij kennis heeft genomem van de akte middels tijdige toezending van een ontwerp, dat hij er een toelichting op heeft verkregen, dat hij de inhoud en de gevolgen van de akte begrijpt en dat hij geen toevoegingen of andere informatie meer wenst”.

4.8 Tegen de hiervoor vermelde achtergrond is het hof van oordeel dat de vrouw uit de verklaringen en de gedragingen mocht afleiden dat de man de overeenkomst redelijkerwijs aldus heeft moeten begrijpen dat hij zich bij die overeenkomst verbond geen rechtsmiddel in te zullen stellen tegen de beslissing van de rechter in de procedure die hij zelf had ingesteld en die tot doel had dat de alimentatie voor de vrouw met ingang van 15 november 2006 gewijzigd diende te worden en wel zo dat deze vanaf die datum op nihil moest worden gesteld. Dit betekent dat indien de rechter op de bij hem voorliggende kwestie zou beslissen in die zin dat de man ook na juli 2008 een bijdrage voor de vrouw dient te betalen, de man eveneens geen rechtsmiddel meer aan kan wenden tegen die beslissing. Dat de man ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog heeft verklaard dat hij niet begrijpt hoe de rechter zo heeft kunnen beslissen maakt voormeld oordeel niet anders. Bovendien heeft de man zelf verklaard dat hij de notariële akte maar heeft getekend omdat hij op dat moment geen kant op kon in verband met de verdeling van het registergoed.

4.9 Op grond van het voorgaande is het hof met de vrouw van oordeel dat partijen overeenkomstig artikel 333 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn overeengekomen van hoger beroep af te zien, zodat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek in hoger beroep.

4.10 Het hof overweegt ten overvloede als volgt. Het hoger beroep van de man richt zich tevens tegen de beschikking van de rechtbank van 16 december 2008 waarbij de rechtbank het verzoek van de man, voor recht te verklaren dat hij van rechtswege is ontslagen van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, heeft afgewezen. Met de vrouw is het hof van oordeel dat dit een deelbeschikking betreft (een gedeeltelijke tussenbeschikking en een gedeeltelijke eindbeschikking). De man heeft geappelleerd tegen de gedeeltelijke eindbeslissing in die beschikking. Op grond van artikel 358 juncto artikel 337 Rv dient echter binnen drie maanden te worden geappelleerd tegen dat deel van de beschikking dat aangemerkt moet worden als einduitspraak. De man heeft niet binnen de termijn van drie maanden tegen die beslissing geappelleerd, zodat het hof hem niet-ontvankelijk had moeten verklaren voor zover zijn hoger beroep was gericht tegen de beschikking van 16 december 2008.

5. De slotsom

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.F. Keulen, A.E.F. Hillen en G.P.M. van den Dungen, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 1 december 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.