Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK8675

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
07-00583
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO4376, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO4376
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting.

Administratie van metaalrecyclingbedrijf voldoet aan de eisen. Geen omkering bewijslast. Winstcorrectie evenmin terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/21.2.2
FutD 2010-0074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 07/00583

Uitspraakdatum: 22 december 2009

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V. gevestigd te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 12 november 2007, nummer AWB06/5825, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 in overeenstemming met de gedane aangifte een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 209.721. Vervolgens heeft de Inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over hetzelfde jaar opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 402.508. Tevens heeft de Inspecteur bij de navorderingsaanslag een boetebeschikking vastgesteld van 50 percent van de te weinig geheven belasting.

1.2 Bij uitspraak van de Inspecteur is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.3 Het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Inspecteur is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Bij het onderzoek ter zitting van het Hof op 28 januari 2009 te Arnhem zijn gehoord de gemachtigde van belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.7 Van de zitting is het proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. De notities van het pleidooi ter zitting van de gemachtigde van belanghebbende (met één bijlage) en van de Inspecteur worden als hier herhaald en ingelast beschouwd. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur zonder bezwaar van de zijde van belanghebbende stukken overgelegd, te weten een fotokopie van twee inkoopbonnen van belanghebbende, van één afschrift uit het kladkasboek van belanghebbende en van een handgeschreven berekening. Deze stukken behoren tot het dossier.

2. Vaststaande feiten

2.1 De Rechtbank heeft de feiten in onderdeel 2. van haar uitspraak als volgt vastgesteld (waarbij belanghebbende en de Inspecteur zijn aangeduid als respectievelijk eiseres en verweerder):

“Eiseres exploiteert een metaalrecyclingbedrijf. Aan eiseres worden door diverse leveranciers partijen metalen aangeboden. Dit betreft soms partijen die vervuild zijn en bestaan uit verschillende metalen. Daarnaast neemt eiseres werken aan zoals de sloop van kunstwerken, fabriekshallen, treinstellen, etc. Afhankelijk van het werk worden de bij genoemde sloopwerkzaamheden beschikbaar komende materialen gescheiden.

In 1997 heeft bij eiseres een boekenonderzoek plaatsgehad waarvan met dagtekening 13 juni 1997 een rapport is opgemaakt. Onder punt 2.1.1. "Kasadministratie" is - voor zover relevant - het navolgende vermeld:

"De kasadministratie wordt dagelijks opgemaakt. Tevens wordt kascontrole toegepast. Eventuele kasverschillen worden in het kasboek genoteerd. De contante uitgaven betreffen voor het grootste gedeelte de inkopen van ijzer en metalen. Van deze inkoop is een doorslag aanwezig met de weeggegevens, de naam en woonplaats, de hoeveelheid en de prijs."

Met dagtekening 24 december 2004 is de aanslag vennootschapsbelasting 2003 opgelegd conform de ingediende aangifte.

In oktober 2005 is aangekondigd dat bij eiseres een boekenonderzoek zou worden ingesteld. Het onderzoek betrof – onder meer – de aanvaardbaarheid van de aangifte vennootschapsbelasting 2003 en heeft zich beperkt tot de goederenbeweging en de daarbij behorende geldbeweging. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt met dagtekening 23 mei 2006.

Onder punt 3.1.1. "Niet voldoen aan de bewaarplicht (artikel 52, lid 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen)" van het rapport is - voor zover relevant - vermeld:

"De belastingplichtige heeft niet voldaan aan de bewaarplicht. De volgende onderdelen van de administratie zijn niet bewaard: het kasboek."

Onder punt 6 "Inkopen" van het rapport is het navolgende vermeld:

"Tijdens het onderzoek zijn ons een dertig door belastingplichtige uitgeschreven inkoopbonnen opgevallen, omdat deze inkopen van meer dan 50.000 kg weergeven. De op deze bonnen vermelde ingekochte kilogrammen variëren van 51.640 kg tot 171.430 kg. Deze gewichten kunnen niet door één vrachtauto in één rit zijn vervoerd. De bonnen vermelden "contant N.N.B. " (Naam Niet Bekend). In een tweetal gevallen vermelden de bonnen geen datum. Geen van de bonnen vermeldt weegbruggegevens.

Volgens mevrouw A zou het hier gaan om verzamelbonnen van meerdere leveringen waar indertijd wel weegbrugbonnen van aanwezig zouden zijn. Deze bonnen zijn na het opmaken van de verzamelbon niet bewaard gebleven.

Het is niet aannemelijk dat men niet weet en niet meer kan achterhalen waar men dergelijke grote inkopen heeft gedaan, aan wie de bedragen contant zijn uitbetaald en wanneer de bedragen contant zijn uitbetaald. Het is dan ook niet aannemelijk dat dergelijke grote "anonieme inkopen" daadwerkelijk inkopen betreffen of in ieder geval volledig op inkopen betrekking hebben. Belastingplichtige kan ons niet door middel van bescheiden aannemelijk maken dat deze onder"contante inkopen" geboekte bedragen inderdaad op het inkopen ijzer en metalen betrekking heeft en derhalve terecht ten last van de winst zijn geboekt.

(...)

Bovendien hebben wij gewezen op de inlichtingenverplichtingen zoals die zijn bedoeld in artikel 47 van de AWR. Wij hebben er voorts op gewezen dat gezien de kwaliteit van de administratie en het ontbreken van de wil om informatie te verstrekken, die zonder twijfel bekend is, er eventueel sprake kan zijn van verzwaring van de bewijslast. De consequenties hiervan zijn beschreven in de art. 25 lid 6b en 27e van de AWR.

Mede door het weigeren van de namen van de leveranciers te noemen heeft belastingplichtige in dit geval de inkopen, zoals hij die van de genoemde bonnen heeft geboekt, niet aannemelijk gemaakt."

Tijdens de controle heeft verweerder geconstateerd dat voor deze boekingen "contante inkopen" sprake is van uitgaande kasstromen voor een bedrag van € 192.787 en dat deze kasstromen op geen enkele wijze te koppelen zijn aan ingaande goederenstromen in de onderneming.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek is aan eiseres de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd, waarbij de aangegeven belastbare winst met een bedrag van € 192.787 is verhoogd tot € 402.508.”

2.2 Overigens stelt het Hof aanvullend nog de volgende feiten vast.

2.3 Belanghebbende en haar voorgangers exploiteren sinds 1977 een metaalrecyclingbedrijf. In 2003 vindt de exploitatie plaats via de dochteronderneming van belanghebbende B BV. Met deze laatste vennootschap vormt belanghebbende een fiscale eenheid. Enig aandeelhouder van belanghebbende is C te Q.

2.4 In het kader van een landelijk project “afval en schroot’ van de Belastingdienst is belanghebbende in 2005 geselecteerd voor een boekenonderzoek.

2.5 In het bedrijf van belanghebbende werken 17 medewerkers. Het totaalbedrag aan inkopen is in het jaar 2003 € 3.776.118, waarvan € 2.266.000 in contanten is betaald. De omzet over 2003 is € 5.885.298. Het ijzer en metaal wordt in grote partijen doorverkocht aan andere bedrijven. Blijkens de jaarstukken 2005 (bijlage 5 bij het beroepschrift bij de Rechtbank) scoort het bedrijf van belanghebbende de volgende (afgeronde) bruto winstpercentages:

2001: 36 %

2002: 33 %

2003: 36 %

2004: 26 %

2005: 31 %

2.6 Belanghebbende beschikt over een milieuvergunning van de provincie en over een met dagtekening 26 juli 1985 door de toenmalige Inspecteur der invoerrechten en accijnzen te P voor de omzetbelasting aan haar afgegeven “Vergunning vrije inslag oude materialen”. Blijkens die vergunningen moet belanghebbende in ieder geval bij inkopen van meer dan 2.000 kg noteren de aankoopdatum, de naam en het adres en de woonplaats van de verkoper, alsmede de soort en de hoeveelheid van de goederen. Daarnaast gelden per vergunning enkele andere voorwaarden.

2.7 De Inspecteur acht voor 2003 een bedrag van € 192.787 aan contante inkopen niet aannemelijk. Deze aankopen zijn vermeld op 30 bij het boekenonderzoek aangetroffen bonnen ‘Contant NNB’, waarop is vermeld het gewicht van de ingekochte partij, een omschrijving van de soort materialen, de prijs per kg en de vastgestelde inkoopprijs. Op de bonnen ontbreken namen en adressen van degenen van wie is ingekocht, alsmede de namen en adressen van transporteurs en kentekennummers. Afschriften van deze 30 bonnen heeft belanghebbende als bijlage bij het beroepschrift bij de Rechtbank overgelegd.

2.8 Mevrouw A, die de dagelijkse financiële administratie van belanghebbende verzorgt, heeft tijdens het boekenonderzoek (punt 3.1 van het rapport van het onderzoek) verklaard, dat eens per werkdag de voor inkopen betaalde bedragen van de contantbonnen worden opgeteld en in een kladkasboekje worden vermeld en voorts dat elke dag de kas wordt opgemaakt en vergeleken met het aanwezige kasgeld. Daarna worden de gegevens uit het kladkasboekje in gevoerd in het financiële programma “Exact”. In de procedure bij de Rechtbank heeft belanghebbende uitdraaien overgelegd van de grootboekrekeningen ‘Kas’ en ‘Bankopname/storting’ over het jaar 2003.

2.9 In het kader van de procedure bij de Rechtbank heeft belanghebbende ondertekende verklaringen overgelegd van vijf van haar medewerkers, waaronder haar directeur. Deze verklaringen – telkens voorzien van een fotokopie van een paspoort of een identiteitsbewijs – luiden alle – voorzover van belang – als volgt:

“Verklaart uitdrukkelijk en zonder voorbehoud, dat hem uitdrukkelijk uit eigen wetenschap/waarneming bekend is, dat het binnen B BV met grote regelmaat voor kwam, dat metalen werden ingekocht van niet met name bekende personen/bedrijven. Indien zich een dergelijke situatie voordeed werd binnen het bedrijf een bon gemaakt waarop werd vermeld “NNB”. Ook werd een bon gemaakt met vermelding NNB indien de betrokken medewerker ervan overtuigd was, dat een aanbieder van metalen niet zijn eigen naam noemde als hem werd gevraagd naar naam, adres en woonplaats teneinde deze op de bon te vermelden. Tegenover bonnen met de vermelding NNB staan derhalve inkopen van metalen. Door ondergetekende zijn deze ingekochte metalen qua hoeveelheid en in relatie tot de verschillende bonnen niet meer te herleiden. Wel staat echter vast, dat sprake is van inkoop metalen in relatie tot de bonnen NNB.

(…)

Ondergetekende is zich ervan bewust, dat het willens en weten afleggen van een onjuiste verklaring in dit kader onder omstandigheden mogelijkerwijs een strafbaar feit kan opleveren.”

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1 Partijen houdt verdeeld:

- of de Inspecteur terecht stelt dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de administratieverplichtingen van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en dat daarom omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde is;

- of de Inspecteur terecht de belastbare winst heeft verhoogd met € 192.787;

- of sprake is van bij een vorig boekenonderzoek bij belanghebbende gewekt vertrouwen, dat thans aan navordering in de weg staat;

- of de Inspecteur terecht een boete van 50 percent heeft vastgesteld.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunten nadrukkelijk ook verwezen naar de van hen afkomstige stukken die zich bevinden in het dossier van de procedure bij de Rechtbank.

3.3. Belanghebbende heeft – samengevat – het volgende aangevoerd:

3.3.1 De administratie van haar onderneming kent weliswaar een aantal onvolkomenheden, maar dat rechtvaardigt geen omkering en verzwaring van de bewijslast. De gebreken zijn van ondergeschikte aard. De kas wordt per dag geboekt en er zijn geen boekingscorrecties. De kas loopt niet negatief en er is voldoende privé. De brutowinstmarge ligt over een reeks van jaren in lijn. Dit geldt ook voor de dagelijks contant verantwoorde inkopen.

3.3.2 Zij heeft geen kladaantekeningen bewaard, maar heeft wel vanuit de kladaantekeningen in het programma Exact een kasadministratie gemaakt. Deze kasadministratie is volledig aanwezig. De Belastingdienst is bij de controle in 2005 voor het eerst gekomen met de eis dat een voorraadadministratie moest worden bijgehouden. Het opzetten van een dergelijke administratie is bij een sloopbedrijf als hier aan de orde niet doenlijk, zowel voor wat betreft de materialen als de gewichten. Als bij voorbeeld een treinstel wordt gesloopt moeten daaruit eerst allerhande zaken worden verwijderd, zoals olie en niet-metalen delen als banken en vloeren e.d.. Wat dan overblijft wordt gescheiden in soort metaal. Een en ander is redelijkerwijs niet zodanig als voorraad te administreren dat een sluitende goederenbeweging kan worden opgezet. Een dergelijke administratie is in de branche ook niet gebruikelijk. Grote gewichten, zoals treinstellen, bevatten allerlei andere afvalstoffen. Dergelijke grote gewichten worden ongewogen en soms om niet verkregen. Belanghebbende bestrijdt niet dat door de Inspecteur vanuit de wel aanwezige kladaantekeningen verschillen kunnen worden geconstateerd. Maar al die verschillen kunnen worden verklaard omdat wegen en betalen niet altijd op dezelfde dag plaatsvond. Zij wijst er nogmaals op dat lang niet alles werd gewogen.

3.3.3 In het verleden bleken de opgegeven namen en woonplaatsen van leveranciers vaak niet te kloppen. Een deel van de leveranciers wil nu eenmaal anoniem blijven. Zij heeft dit besproken met de desbetreffende ambtenaar van de provincie. Deze ambtenaar vond dat goed, ondanks dat de voorwaarden van de milieuvergunning anders zijn. De ambtenaar adviseerde om bij anonieme leveranciers op de bon ‘NNB’ te vermelden. Deze bonnen betreffen deels ook aankopen van aanzienlijk minder dan 50.000 kg. Vanaf 2006 noteert belanghebbende weer alle opgegeven namen en adressen. Zij merkt op dat belanghebbende niet de bevoegdheid heeft om klanten te vragen zich te legitimeren. De enige optie is dan om niet in te kopen. Het is juist dat de NNB-leveranties voor een deel komen van bekenden van belanghebbende, die hun naam niet genoteerd willen zien.

3.3.4 Het bedrijf is ook open op zaterdag.

3.3.5 De Inspecteur schrapt een contant uitgegeven bedrag van € 192.787 als inkoop, maar maakt niet aannemelijk dat sprake is van andersoortige uitgaven of bestedingen dan inkopen. De Inspecteur heeft overigens geen verdere correcties of aanmerkingen van betekenis op de administratie. Zij is van mening dat de door de Rechtbank gesanctioneerde schatting van € 192.787 willekeurig is.

3.3.6 Naar de mening van belanghebbende doet zij het nog netjes. Door het optreden van de Inspecteur ontstaat oneerlijke concurrentie. De administratie voldoet aan de eisen van haar bedrijf. Zij voert een sluitende kasadministratie. Zij is niet gehouden om alleen ten behoeve van de Inspecteur een administratie bij te houden. Dat vereist extra mensen. Haar werknemers zijn laaggeschoold en zouden moeten worden omgeschoold om aan de wensen van de Inspecteur te kunnen voldoen. Bij belanghebbende is sprake van functiescheiding. Weegbonnen worden door de medewerkers op de vloer opgemaakt. De met de administratie belaste personen moeten daarna de bonnen voor akkoord accepteren. Het enkele feit dat niet bekend is van wie is ingekocht is onvoldoende om die inkopen als zodanig niet te accepteren.

3.3.7 De eisen die de Inspecteur stelt aan de administratie van belanghebbende worden niet onderschreven door de registeraccountant D. De administratie voldoet aan de daaraan te stellen eisen, gelet op de aard en de omvang van de onderneming. Indien er al plaats is voor een boete, dan is er geen sprake van opzet.

3.3.8 Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel omdat bij een eerdere controle in 1997 geen opmerkingen zijn gemaakt over contante inkopen. Zij mocht er daarom van uitgaan dat de door haar gehanteerde wijze van administreren aanvaardbaar was. Zij beschikt overigens niet meer over administratie of weegbonnen uit de jaren 1992 tot en met 1996. Belanghebbende concludeert tot het doen vervallen van de correctie van de Inspecteur en van de boete en verzoekt het Hof de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten.

3.4. De Inspecteur heeft – samengevat – aangevoerd:

3.4.1 De administratie moet worden gevoerd met inachtneming van de aard, de omvang en de complexiteit van de onderneming. Ook speelt de informatiebehoefte van de ondernemer een rol. De ondernemer moet de onderneming kunnen beheersen; de onderneming moet ‘in control’ zijn. Zowel voor de milieuvergunning als voor de verleggingsregeling van de omzetbelasting moet belanghebbende weten van wie zij inkoopt. Belanghebbende heeft er dus wel degelijk belang bij om te weten van wie zij inkoopt. Voor kleine inkopen van particulieren geldt dit wellicht niet en hij ontkent ook niet dat het regelmatig is voorgekomen dat metalen werden ingekocht van niet met name bekende personen.

3.4.2 Bij de vorige controle van de Belastingdienst lagen de feiten anders. Nu zijn grote hoeveelheden inkopen aan de orde van onbekende personen. De interne stukken waarvan belanghebbende zegt dat die zijn opgemaakt, zijn er niet of kunnen niet worden gekoppeld aan het werkelijke bedrijfsgebeuren.

3.4.3 Hij acht het niet aannemelijk dat belanghebbende niet weet van wie zij grote partijen metalen van meer dan 50.000 kg inkoopt. Hij is van mening dat belanghebbende met de afgelegde verklaringen van werknemers niet aannemelijk maakt dat de uitgaande kasstromen inderdaad zijn aangewend voor inkopen. Eén van de personen die verklaren is overigens de directeur van belanghebbende.

3.4.4 De gebreken in de administratie van belanghebbende zijn niet van ondergeschikte aard. De inkoopadministratie is onvolledig, er zijn gebreken in kasadministratie, er is geen voorraadadministratie, dagtotalen van de kasadministratie sluiten niet aan op de contante inkoopbonnen van de dezelfde datum, kwitering voor uitbetaalde bedragen vind niet plaats.

3.4.5 Omdat een begin- en een eindvoorraad ontbreekt zegt de bruto winstmarge niets.

3.4.6 Bij het boekenonderzoek is gebleken dat er wel degelijk een kladkasboekje was. Dat is ook verklaard door mevrouw A. De Inspecteur meent dat geen sprake is van voldoende functiescheiding, omdat mevrouw A het geld beheert en tevens de mutaties en eventuele kasverschillen in de boekhouding vastlegt. Over de periode 1 januari tot en met 20 augustus 2003 is het kladkasboek niet bewaard gebleven. Hij overlegt aan het Hof een kopie van een pagina uit het kladkasboek. Uit deze pagina blijkt dat het kladkasboek meer was dan een verzameling kladaantekeningen. De bedragen uit het kladkasboek en het kasboek sluiten niet op elkaar aan. Hij merkt op dat er ook sprake is van leveringen op zaterdag en zondag.

3.4.7 De inkopen bepalen mede de winst en daarmee de aanvaardbaarheid van de ingediende aangifte. Op grond van artikel 47 van de AWR moet belanghebbende daaromtrent gegevens verstrekken. Nu belanghebbende gevraagde gegevens niet kan overleggen voldoet zij niet aan de administratieverplichting van artikel 52 van de AWR. Op dit laatste ligt wat hem betreft de nadruk. Er is dus reden dat belanghebbende moet laten blijken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. De gebreken in de voorraadadministratie en in de inkoopadministratie zijn niet aan te merken als gebreken van ondergeschikte aard.

3.4.8 Hij beseft dat belanghebbende in een lastige branche opereert. Hij heeft zich daarom alleen geconcentreerd op grote inkopen, waarvan geen weegbon kon worden overgelegd. Ook bij de hasjhandel wordt van de belastingplichtige verlangd dat een relatie kan worden gelegd tussen de inkoop en de verkoop.

3.4.9 Het is wel aannemelijk dat tot een bedrag van € 192.787 uit de kas is genomen, maar dat dit betalingen betreft voor inkopen is niet aannemelijk. Belanghebbende moet dan of dividend aan haar aandeelhouder hebben betaald of aan haar aandeelhouder een lening tot hetzelfde bedrag hebben verstrekt.

3.4.10 Indien naar het oordeel van het Hof de omkering van de bewijslast geen stand houdt moet de boete worden verminderd tot maximaal 25 percent.

3.4.11 Hij weerspreekt dat de situatie sinds het vorige controlerapport niet veranderd zou zijn. Bij de onbekende inkopen gaat het om grote partijen van bekenden van belanghebbende. Bij het vorige boekenonderzoek was voor iedere contante inkoop een doorslag van de bon aanwezig waarop onder andere de naam en de woonplaats van de ontdoener van het afval stonden vermeld.

3.5. Belanghebbende concludeert in hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Inspecteur, de navorderingsaanslag en de boetebeschikking, alsmede tot een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten.

3.6. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende is administratieplichtig in de zin van artikel 52 van de AWR. Volgens het eerste lid van dat artikel zijn administratieplichtigen gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit blijken.

4.2. In deze procedure is aan de orde een juiste vaststelling van de belastbare winst voor de heffing van vennootschapsbelasting. Anders dan de Inspecteur kennelijk wil betogen, stelt de wet voor deze winstvaststelling geen specifieke eisen met betrekking tot de wijze waarop een belastingplichtige bewijs dient te leveren voor uitgaven ter zake van inkopen. Dat een administratie waarin alle denkbare gegevens omtrent hetgeen en van wie is ingekocht mogelijk de voorkeur verdient, doet er niet aan af dat belanghebbende niet op grond van enig voorschrift verplicht is voor een juiste berekening van de belastbare winst in het kader van de heffing van de vennootschapsbelasting namen te kennen of te noemen van degene van wie hij materialen inkoopt. Ook de omstandigheid dat belanghebbende op grond van de aan haar verstrekte milieuvergunning of op grond van de omzetbelastingwetgeving verplicht is namen en adressen te administreren van degenen van wie zij – al dan niet grotere partijen – inkoopt, brengt niet mee dat enkel vanwege het ontbreken van die namen en adressen in haar administratie plaats is voor de conclusie dat belanghebbende niet aan haar administratieverplichting in het kader van de heffing van vennootschapsbelasting heeft voldaan.

4.3 Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of gebreken in de administratie van belanghebbende, in het bijzonder het ontbreken van het kladkasboek, het niet altijd aansluiten van geboekte gegevens op de aanwezige inkoopgegevens en het ontbreken van een administratie van de goederenbeweging – met name het ontbreken van een voorraadadministratie – voldoende gewicht vormen voor de conclusie dat belanghebbende niet aan de administratieverplichting van artikel 52 van de AWR heeft voldaan en wel in zodanige mate dat reden bestaat voor omkering en verzwaring van de bewijslast.

4.4. Uit het rapport van het boekenonderzoek, dat tot de stukken van het geding behoort, komt niet het beeld naar voren dat in de administratie van belanghebbende consequent onjuiste boekingen zijn verricht of dat voortdurend sprake is van belangrijke kasverschillen. Voor de heffing van omzetbelasting komen de controlerende ambtenaren tot beperkte correctievoorstellen in verband met verschillen tussen de administratie en de gedane aangiften. Het niet bewaren van het kladkasboek is uiteraard een gebrek.

4.5. Belanghebbende heeft gesteld en naar het oordeel van het Hof – mede met het voorbeeld van de sloop van een treinstel - voldoende aannemelijk gemaakt dat gelet op de aard van haar branche het verre van eenvoudig of zelfs bijna ondoenlijk is om elke goederenbeweging exact te volgen en te administreren. Voorts heeft belanghebbende gesteld en acht het Hof geloofwaardig, dat in de sloopbranche menig leverancier niet bereid is om zijn naam en adres te noemen. Belanghebbende heeft voorts, onweersproken door de Inspecteur, gesteld, dat de desbetreffende ambtenaar van de provincie haar heeft meegedeeld dat in geval een leverancier geen naam en adres wilde noemen, zij kon volstaan met het opmaken van een zogenoemde NNB-contantbon. Ten slotte heeft ook de Inspecteur opgemerkt, dat hij niet bestrijdt dat belanghebbende veel tegen contante betaling inkoopt en dat hij ook niet ontkent dat er personen zijn die hun naam niet willen noemen.

4.6. In dit verband is voorts het volgende van belang:

- de omzet van belanghebbende over het jaar 2003 bedraagt € 5.885.298; het totaalbedrag aan inkopen in het jaar 2003 bedraagt € 3.767.118, waarvan een bedrag van € 2.266.000 in contanten is betaald;

- het bedrag van de inkopen boven de 50.000 kg ter zake waarvan belanghebbende niet beschikt over namen en adressen van leveranciers, bedraagt € 192.787; dit bedrag is 5,11 percent van de totale inkoopwaarde en 8,51 percent van het totaal van de contante inkopen;

4.7. Gelet op hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen, ziet het Hof onvoldoende reden voor de conclusie dat gebreken of tekortkomingen in de administratie van belanghebbende van zodanige omvang zijn dat daardoor een voldoende juiste vaststelling van de belastingschuld niet kan plaats vinden. Het Hof verwerpt mitsdien de stelling van de Inspecteur dat sprake is van een zodanig niet voldoen aan het bepaalde in artikel 52 van de AWR dat plaats zou zijn voor omkering en verzwaring van de bewijslast.

4.8. Met betrekking tot de vraag of aannemelijk is dat belanghebbende tot het bedrag van € 192.787 uitgaven heeft gedaan voor de inkoop van grote partijen schroot en sloopmateriaal overweegt het Hof als volgt.

4.9. Vast staat dat belanghebbende tot genoemd bedrag uitgaven heeft gedaan en dat deze uitgaven in de administratie zijn opgenomen. Belanghebbende stelt dat deze uitgaven zijn gedaan aan de hand van zogenoemde contantbonnen die zijn opgemaakt bij de inkoop van grotere partijen schroot en sloopmateriaal, waarbij degenen van wie werd ingekocht anoniem wensten te blijven. In ieder geval moet worden opgemerkt dat in de grootboekrekening ‘Kas’ van belanghebbende op verschillende data bedragen zijn geboekt die corresponderen met de gegevens op 30 bonnen van deze grotere inkopen. Zoals hiervoor is overwogen acht het Hof aannemelijk dat in de branche van belanghebbende menig leverancier niet bereid is zijn naam te noemen. Het Hof ziet voorts geen reden – ook niet in het geen de Inspecteur daaromtrent heeft aangevoerd – om aan de geloofwaardigheid van de door belanghebbende ingebrachte verklaringen van medewerkers van haar onderneming te twijfelen. De Inspecteur heeft niet bestreden dat belanghebbende contant partijen schroot en sloopmateriaal inkoopt. De Inspecteur heeft erkend dat hij geen aanwijzing heeft die erop duidt dat met betrekking tot het bedrag van € 192.787 sprake zou zijn van andersoortige uitgaven of van uitgaven die ten goede zijn gekomen aan de enig aandeelhouder. Ten slotte merkt het Hof op dat de Inspecteur, die toch blijkens zijn vermelding in het verweerschrift bij de Rechtbank heeft aangegeven dat sprake is van een landelijk onderzoek ‘afval en schroot’, geen enkel branchegegeven heeft aangedragen op grond waarvan aanleiding zou kunnen bestaan voor twijfel aan de winstberekening van belanghebbende.

4.10. Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat de Inspecteur niet dan wel onvoldoende aannemelijk maakt, dat belanghebbende de over het jaar 2003 aangegeven belastbare winst onjuist heeft berekend. Het gelijk is mitsdien aan belanghebbende. De geschilpunten inzake gewekt vertrouwen en de boete behoeven daarom geen behandeling meer.

5. Slotsom

Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Inspecteur, alsmede de navorderingsaanslag en de boetebeschikking kunnen niet in stand blijven.

6. Kosten

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op:

procedure rechtbank

beroepschrift 1

verschijnen ter zitting 1

procedure Hof

hoger beroepschrift 1

verschijnen ter zitting 1

4 x € 322 = € 1.288

gewicht van de zaak x 1,5

bedrag € 1.932.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

– verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

– vernietigt de navorderingsaanslag;

– vernietigt de boetebeschikking;

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.932, en

– gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 281 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 428 in verband met het hoger beroep bij het Gerechtshof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. J.B.H. Röben en mr. W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 22 december 2009 in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

De griffier, de voorzitter

(S. Darwinkel) (A.J. Kromhout)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 december 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.