Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK8032

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
104.003.317
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op PK hof Arnhem 9 februari 2008. Verrekening teveel/te weinig betaalde pacht met achterstallige betaling waterschapslasten en ruilverkavelings-/landinrichtingsrente. Tekortschieten in de betalingsverplichting van de pachter in dit geval onvoldoende om ontbinding te rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2009/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 104.003.317

(zaaknummer rechtbank 280737)

arrest van de pachtkamer van 10 november 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats], [gemeente],

appellant,

advocaat: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], [gemeente],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Voor het verloop van dit geding tot aan 19 februari 2008 verwijst het hof naar het tussenarrest van die datum. Bij dat arrest heeft het hof [appellant] opgedragen aan [geïntimeerde] bescheiden uit zijn administratie over te leggen, bij voorkeur betalingsbewijzen. De zaak is voor akteverzoek aan de zijde van [geïntimeerde] verwezen naar de rol.

1.2 [geïntimeerde] heeft een akte ter rolle na tussenarrest tevens strekkende tot wijziging van eis genomen. [appellant] heeft vervolgens een antwoordakte genomen waarna [geïntimeerde] nog een akte ter rolle heeft genomen.

1.3 Daarna hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Bij haar eerstgenoemde akte heeft [geïntimeerde] haar oorspronkelijke eis vermeerderd in dier voege dat [appellant] (naast hetgeen in eerste aanleg is gevorderd) wordt veroordeeld om aan haar een bedrag van € 19.359,63 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente vanaf 1 mei 2006 tot aan de dag van betaling. [appellant] heeft zich verzet tegen deze eisvermeerdering en heeft daartoe betoogd dat [geïntimeerde] hoger beroep noch incidenteel appel heeft ingesteld en dat [appellant] niet in een nadeliger positie kan geraken dan in het geval hij geen hoger beroep zou hebben ingesteld. Het hof volgt [appellant] hierin. De omstandigheid dat het hof partijen in de gelegenheid heeft gesteld herberekeningen te maken brengt niet mee dat [geïntimeerde] de bevoegdheid heeft verkregen - zonder dat zij eerder (incidenteel) beroep heeft ingesteld - haar eis te vermeerderen. De instructie van het hof strekte niet verder dan dat [geïntimeerde] haar vordering in conventie eventueel zou aanpassen vanwege de honorering van het verjaringsverweer en de nadere stukken van [appellant] waaruit een hoger bedrag aan betaalde pacht zou kunnen blijken. [geïntimeerde] diende zich uit te laten of per saldo sprake was van onverschuldigde betaling door [appellant]. De bedoelde eventuele aanpassing van de vordering in conventie kan daarom niet anders worden begrepen dan een vermindering van die vordering en geen vermeerdering. Het hof zal [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van haar eisvermeerdering.

2.2 Ook [appellant] heeft zijn eis gewijzigd naar aanleiding van de herberekening. Deze eiswijziging acht het hof niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Op deze gewijzigde eis zal recht worden gedaan.

2.3 In het tussenarrest heeft het hof een aantal uitgangspunten geformuleerd. Zo is onder rov. 4.13 geoordeeld dat [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij in de periode van 1986 tot en met 2005 in totaal fl. 984.674,20 heeft ontvangen. Daarbij heeft het hof overwogen dat hij er van uitgaat dat de betalingen die [geïntimeerde] stelt te hebben ontvangen daadwerkelijk zijn betaald. Tot slot heeft het hof overwogen dat, mochten de stukken van de [appellant] niet leiden tot een cijfermatig andere uitkomst, het door [geïntimeerde] genoemde bedrag zal worden gevolgd.

2.4 Omdat [appellant] heeft betwist dat hij fl. 984.674,20 had betaald - in zijn opvatting was het meer - is hem opgedragen stukken ter zake aan [geïntimeerde] te doen toekomen. Op basis van de door [appellant] toegezonden stukken heeft [geïntimeerde] een nieuwe berekening gemaakt waarbij zij onderscheid heeft gemaakt in een betalingsperiode van mei 1987 tot november 2000 en een betalingsperiode van november 2000 tot 1 mei 2006. De nieuwe berekening sluit op een lager bedrag dan de berekening die [geïntimeerde] onder 11 van haar conclusie van repliek heeft opgenomen.

2.5 [geïntimeerde] heeft onder D de door [appellant] betaalde bedragen opgenomen in de periode van mei 1987 tot november 2000. Bij sommige betalingen heeft zij opmerkingen geplaatst en stukken in het geding gebracht. Nu zij niet (voldoende) heeft gemotiveerd waarom zij sommige betalingen betwist, gaat het hof in zoverre aan de opmerkingen voorbij. Bovendien hebben beide partijen doorgerekend met het door [geïntimeerde] opgetelde totaalbedrag van fl. 620.045,69.

2.6 [appellant] heeft naar aanleiding van deze nieuwe berekening gesteld dat gerekend moet worden met een pachtperiode vanaf 1 juni 1986 zodat nog een bedrag van 5/6 van fl. 24.519,92 (= fl. 20.433,27) moet worden bijgeteld, te weten de maanden juni tot en november 1986. Het hof volgt [appellant] hierin. De onderhavige pachtovereenkomst is ingegaan per 4 juni 1986. Ook al waren partijen gewoon de pacht halfjaarlijks af te rekenen per 1 mei en per 1 november, dit brengt niet mee dat de periode van 4 juni 1986 tot 1 november 1986 niet meegerekend moet worden bij de vaststelling van de per 4 juni 1986 teveel betaalde pacht. Het hof wijst erop dat [geïntimeerde] in haar opstelling in de conclusie van repliek kennelijk ook heeft gerekend vanaf 4 juni 1986.

2.7 Verder voert [appellant] aan dat [geïntimeerde] verzuimd heeft de meibetaling van 1988 en de novemberbetaling van 1992 in haar nieuwe overzicht op te nemen. Weliswaar beschikt [appellant] niet meer over de betalingsbewijzen van deze betalingen maar zij blijken, aldus hem, uit zijn verlies- en winstrekeningen over die jaren. Het gaat om tweemaal een bedrag van fl. 24.519,92.

2.8 Ook op dit punt volgt het hof [appellant]. [geïntimeerde] heeft in haar opstelling bij conclusie van repliek voor de jaren 1988 en 1992 bedragen opgenomen van telkens fl. 49.039, dat wil zeggen (afgerond) tweemaal een halfjaarbedrag van fl. 24.519,92. In het nieuwe overzicht heeft zij echter voor 1988 in totaal maar éénmaal een halfjaarlijkse bijdrage opgenomen. Hetzelfde geldt voor het jaar 1992. [geïntimeerde] heeft hiervoor geen afdoende verklaring verschaft zodat het hof haar op deze punten houdt aan haar eerdere opstelling die volgens haar gebaseerd is op de bedragen die feitelijk op haar bankrekening zijn ontvangen. Het hof verwijst naar rov. 2.3.

2.9 Het vorenstaande brengt mee dat het door [geïntimeerde] onder D genoemde bedrag van fl. 620.540,69 vermeerderd moet worden met een bedrag van fl. 69.473,11 (fl. 20.433,27 + 2 x fl. 24.519,92) zodat het totaal aan betaalde pacht van 4 juni 1986 tot 1 november 2000 komt op fl. 690.013,80.

2.10 [appellant] heeft zich aangesloten bij het bedrag van fl. 611.085,60 dat hij volgens [geïntimeerde] zonder pachtverhogingen moest betalen (akte [geïntimeerde] onder B). [geïntimeerde] is daarbij uitgegaan van 14 jaren en heeft - ten onrechte, zoals hiervoor is overwogen - gerekend vanaf de betaling van 1 mei 1987. De periode van 4 juni 1986 tot

1 november 2000 is 14 jaar en vijf maanden lang. De berekening wordt dan: 14 5/12 x 66.86.12 ha x fl. 652,83 =

fl. 629.273,04. Een en ander brengt mee dat [appellant] in deze eerste periode fl. 60.740,76 (€ 27.562,96) teveel aan pacht heeft betaald.

2.11 [appellant] heeft zich vrijwel geheel aangesloten bij de berekening van [geïntimeerde] onder G van de betaalde pacht per 1 mei 2001 tot 1 mei 2006. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt dat zij hiermee de betalingen voor de pachtperiode van 1 november 2000 tot 1 mei 2006 heeft berekend. [appellant] betaalde immers achteraf de pacht aan haar. [geïntimeerde] komt op een totaal van € 140.854,23. [appellant] heeft gesteld dat hij over 2006 meer aan pacht heeft betaald dan [geïntimeerde] heeft opgenomen. Daarbij ziet hij over het hoofd dat [geïntimeerde] in haar opstelling het pachtjaar 2006 slechts tot aan mei heeft betrokken. Er hoeft dan ook geen bijtelling van de betaling in oktober 2006 plaats te vinden. Het hof gaat uit van een tot 1 mei 2006 betaald bedrag van € 140.854,23 (fl. 310.401,88).

2.12 In de periode van 4 juni 1986 tot 1 mei 2006 heeft [appellant] een bedrag van fl. 1.000.415,68 (€ 453.968,84) aan pacht voldaan (fl. 690.013,80 + fl. 310.401,88). Dat is een hoger bedrag dan [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft gesteld (fl. 984.674,20), ook indien in aanmerking wordt genomen dat haar eerste berekening liep tot en met pachtjaar 2005. In zoverre slaagt de derde grief.

2.13 [appellant] heeft geen opmerkingen gemaakt bij de verschuldigde pacht over de pachtperiode van

1 november 2000 tot 1 mei 2006 die [geïntimeerde] onder F gesteld heeft op € 160.213,86. Het hof zal van dit bedrag uitgaan. Het komt erop neer dat [appellant] in de tweede periode een bedrag van € 19.359,63 (€ 160.213,86 - € 140.854,23) te weinig pacht heeft voldaan. Per saldo heeft [appellant] dus een bedrag van € 8.203,33 (€ 27.562,96 - € 19.359,63) aan te veel betaalde pacht van [geïntimeerde] tegoed.

2.14 Ten aanzien van de verrekening geldt het volgende. Het hof heeft in het tussenarrest (rov. 4.18) geoordeeld dat [geïntimeerde] het door [appellant] teveel aan pacht betaalde mag verrekenen met de verschuldigde lasten van 1999 tot 2005, te weten de bedragen van € 17.667,63 en € 10.619,56 (totaal € 28.287,19) voor respectievelijk waterschapslasten en ruilverkavelings-/landinrichtingsrente. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat [geïntimeerde] het teveel betaalde mag verrekenen met de verhogingen van de pachtprijs vanaf 1995, ondanks het feit dat zij ter zake geen rechtsvordering meer jegens [appellant] heeft. In zoverre kan een oordeel over het beroep van [geïntimeerde] op artikel 6:131 BW achterwege blijven omdat het hof daarop al ambtshalve had beslist.

2.15 Nu reeds de bedragen van de verschuldigde waterschapslasten en ruilverkavelings-/landinrichtingsrente het tegoed van [appellant] overtreffen, is zijn vordering ter zake van te veel betaalde pacht door verrekening teniet gegaan. Per saldo is er dus geen sprake van een vordering uit onverschuldigde betaling van [appellant]. Grief 10, die in rov. 4.25 van het tussenarrest reeds grotendeels is verworpen, faalt ook voor het overige. De reconventionele vordering is op dit punt terecht afgewezen door de pachtkamer in eerste aanleg. Dat brengt mee dat [appellant] terecht is veroordeeld in de proceskosten zodat grief 13 ook faalt.

2.16 Voor de vordering in conventie geldt dat deze toewijsbaar is tot een bedrag van € 20.083,86 (€ 28.287,19 -

€ 8.203,33), vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 maart 2005. In zoverre slaagt de vierde grief. Grief 7 gaat in op de toegewezen rente over de in conventie toegewezen bedragen. Nu die vordering deels zal worden afgewezen, slaagt de grief in zoverre. Verder faalt zij.

2.17 In zijn achtste grief betoogt [appellant] dat er geen gronden voor ontbinding aanwezig zijn die de ontbinding van de pachtovereenkomst rechtvaardigen. Het hof begrijpt dat [appellant] zich (mede) beroept op de uitzondering van artikel 6:265 lid 1, tweede zinsdeel, BW. Uit bovenstaande herberekening op basis van de door het hof geformuleerde uitgangspunten blijkt dat [appellant] in de periode na 1 november 2000 weliswaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichting maar dat hij daartegenover een vordering op [geïntimeerde] had vanwege te veel betaalde pacht die de vordering van [geïntimeerde] overtrof. In zoverre schoot [appellant] niet te kort. Verder geldt dat [geïntimeerde] bij brief van 27 februari 2004 aanspraak heeft gemaakt op de betaling van het pachtersdeel van de waterschapslasten en ruilverkavelings/landinrichtingsrente vanaf 1999. Bewijzen van een daarvoor gemaakte aanspraak bevinden zich niet in het dossier. Dat [appellant] deze lasten niet eerder heeft (mee)betaald kan hem daarom niet verweten worden. [geïntimeerde] heeft vervolgens vastlegging van de pachtovereenkomst gevorderd en na afloop van die procedure eind oktober 2005 onderhavige procedure aangevangen. In die procedures speelde mede een rol of, en zo ja, in hoeverre [appellant] gehouden was voornoemde lasten te voldoen. Pas nu is komen vast te staan dat [appellant] van die lasten per saldo nog een gedeelte (€ 20.083,86) aan [geïntimeerde] moet voldoen.

2.18 Ontbinding van een pachtverhouding die sedert 1977 bestaat en betrekking heeft op gronden van ruim 66 ha is zeer ingrijpend. In eerste aanleg heeft [appellant] onweersproken aangevoerd dat hij voor zijn bedrijfsvoering afhankelijk is van het gepachte en dat het (voorheen) de bedoeling was dat hij het bedrijf op enig moment zou overnemen. Daarnaast zijn partijen familie van elkaar en wonen zij naast elkaar. Gelet op de belangen van [appellant] en de familierechtelijke verhoudingen, afgezet tegen de nalatigheid van [appellant] eerder zijn pachtersdeel tot het bedrag van € 20.083,86 te voldoen, is het hof van oordeel dat er onvoldoende gronden zijn om de ontbinding met haar gevolgen te rechtvaardigen. Het beroep van [appellant] op de uitzondering van artikel 6:265 lid 1, tweede zinsdeel, BW gaat dus op. Grief 8 slaagt.

Slotsom

2.19 Grieven 10 en 13 falen. Grief 3 en 8 slagen en grief 4 - gelet op het tussenarrest - gedeeltelijk. Ook grief 7 slaagt gedeeltelijk en faalt voor het overige. In het tussenarrest heeft het hof - voor zover nog van belang - geoordeeld dat de grieven 1, 5, 6, 11 en 12 falen en dat grief 2 gedeeltelijk faalt en slaagt.

2.20 Een en ander leidt ertoe dat het bestreden vonnis in conventie grotendeels vernietigd moet worden. Het hof zal het bestreden vonnis in reconventie bekrachtigen. Omdat partijen in hoger beroep over en weer gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Het hof ziet onvoldoende aanleiding de proceskostenveroordeling in eerste aanleg te wijzigen. Grief 9 faalt dus.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk ten aanzien van haar eisvermeerdering;

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen van 10 januari 2007 in conventie, behoudens voor zover [appellant] daarin is veroordeeld tot betaling van de proceskosten en tot betaling van een bedrag van € 2.504,76 vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 5 juli 2006 tot de dag der voldoening, dit vonnis in zoverre bekrachtigend en doet voor het overige opnieuw recht:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 20.083,86, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 maart 2005;

wijst het meer of anders gevorderde af;

bekrachtigt voormeld vonnis in reconventie;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, M.F.J.N. van Osch en Th.C.M. Willemse en de leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H. Rogaar, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2009.