Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK7534

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
200.039.431
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art1:253a BW, de ouders hebben gezamenlijk gezag en de kinderen hebben hun hoofdverbliijf bij de moeder. Het hof verleent de moeder geen toestemming met de kinderen van woonplaats naar Amsterdam te verhuizen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010, 31

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.039.431

(zaaknummer rechtbank 103139 / FA RK 09-678)

beschikking van de familiekamer van 3 november 2009

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen "de moeder",

advocaat: mr. M.L. van Leer,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen "de vader",

advocaat: mr. B.A.M. Oude Breuil.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Almelo van 15 juli 2009, uitgesproken onder voormeld zaaknummer

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 31 juli 2009, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de moeder tot verlenen van vervangende toestemming om met [kind 1] en [kind 2] naar Amsterdam te verhuizen toe te wijzen, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 16 september 2009, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. De vader verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

2.3 De volgende brieven zijn ingekomen ter griffie van het hof:

- op 22 september 2009 een brief van mr. M.L. van Leer van 21 september 2009 met bijlagen;

- op 28 september 2009 een brief van mr. B.A.M. Oude Breuil van 28 september 2009 met bijlage;

- op 29 september 2009 een brief van M.L. van Leer van 29 september 2009, met bijlage.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 1 oktober 2009 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de moeder bijgestaan door mr. M.L. van Leer, advocaat te Amsterdam en de vader bijgestaan door mr. B.A.M. Oude Breuil, advocaat te Enschede. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [...] verschenen.

2.5 Tevens is [kind 1] verschenen, die buiten aanwezigheid van de moeder, de vader en de raad door het hof is gehoord.

2.6 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.7 Hoewel de brief van 29 september 2009 niet binnen de hiervoor genoemde termijn is ingediend en mr. B.A.M. Oude Breuil heeft verklaard hiervan niet tijdig kennis te hebben genomen, slaat het hof acht op deze brief. Deze brief is kort en eenvoudig te doorgronden en tijdens de mondelinge behandeling voorgelezen, zodat mr. B.A.M. Oude Breuil hierop namens de man verweer heeft kunnen voeren.

3. De vaststaande feiten

3.1 Partijen zijn op 8 september 1995 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 22 augustus 2007 heeft de rechtbank Almelo echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 12 september 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1] (hierna te noemen “[kind 1]”), op [geboortedatum] 1996, en

- [kind 2], op [geboortedatum] 2003.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

3.3 Bij beschikking van 22 augustus 2007 heeft de rechtbank Almelo voorts - voor zover hier van belang - bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn en de beslissing omtrent de omgangsregeling aangehouden.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Almelo op 12 juni 2009, heeft de moeder verzocht haar toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar Amsterdam en de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen zoals de rechtbank juist acht.

3.5 Bij verweerschrift, ingekomen bij de rechtbank op 1 juli 2009, heeft de vader verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder en tevens een zelfstandig verzoek ingediend. De man heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de vrouw om met de kinderen naar Amsterdam te verhuizen af te wijzen dan wel te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen in het vervolg bij de man zal zijn en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.6 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Tussen partijen is in geschil de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

4.2 Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt verschaft.

4.3 De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 414).

4.4 Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het volgende gebleken. De kinderen hebben sinds de echtscheiding hun hoofdverblijfplaats bij de moeder in [woonplaats]. Er is een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen van eenmaal per veertien dagen vanaf donderdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd en iedere donderdag van 15.00 uur tot vrijdagochtend voor school. Sinds [kind 1] in september 2008 is gestart met haar vooropleiding aan de Hogeschool [de hogeschool] (hierna te noemen “[de hogeschool]”) verblijft [kind 1] in de omgangsweekenden vanaf zaterdagavond bij de vader en [kind 2]. [kind 1] blijft dan tot maandagochtend bij de vader. De moeder heeft aan haar verzoek om te mogen verhuizen naar Amsterdam ten grondslag gelegd dat deze situatie voor veel onrust zorgt. Het is volgens de moeder te vermoeiend voor de kinderen om naar Amsterdam (en terug naar [woonplaats]) te reizen met de trein. [kind 1] moet iedere week naar Amsterdam reizen en [kind 2] in beginsel een keer in de twee weken. Als [kind 2] niet meereist naar Amsterdam (in het weekeinde dat er geen omgang met de vader is), dan moet zij door derden worden opgevangen. Bovendien wijst de moeder op het feit dat [kind 1] als gevolg van haar nieuwe schoolrooster, dat per 1 september 2009 is ingegaan, op vrijdag om 15.10 uit school komt, waardoor zij niet meer op tijd op de les van [de hogeschool] kan zijn. Volgens de moeder zal het niet-verhuizen naar Amsterdam er toe leiden dat [kind 1] de opleiding dient te verlaten in verband met het missen van de eerste lesuren. Het is niet mogelijk om op andere uren die gemiste balletlessen in te halen, noch is het mogelijk eerder van school te vertrekken. De moeder heeft inmiddels voor twee dagen per week werk gevonden als zelfstandig gevestigd psycholoog in een samenwerkingsverband met andere professionals. Bovendien heeft zij woonruimte in Amsterdam gevonden. De vader is het niet eens met een verhuizing van de kinderen naar Amsterdam, omdat hij dit niet in het belang van de kinderen acht. Hij voert daartoe aan dat de moeder haar werkzaamheden ook in [woonplaats] kan verrichten, in Amsterdam geen bestendig sociaal netwerk is waarop zowel de moeder als de kinderen kunnen terugvallen en dat [kind 1] ook in [plaatsnaam] een dansopleiding kan volgen. Daarenboven zal de ruime omgangsregeling die hij met de kinderen heeft in geval van verhuizing van moeder en de kinderen naar Amsterdam dan niet langer gehandhaafd kunnen worden. Mocht de moeder toch naar Amsterdam willen verhuizen, dan kunnen de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem hebben. Zo blijven de kinderen in hun vertrouwde omgeving wonen en kunnen zij op hun huidige school blijven. Tevens wijst hij er op dat de moeder niet met hem heeft overlegd over de voorgenomen verhuizing en hem voor een voldongen feit heeft gesteld door reeds werk en een woning in Amsterdam te zoeken.

4.5 De moeder heeft naar het oordeel van het hof niet aangetoond dat haar belang bij een verhuizing voldoende zwaarwegend is. De moeder heeft als psycholoog in [woonplaats] een eigen praktijk. Zij werkt daarnaast thans, terwijl zij nog in [woonplaats] woonachtig is, twee dagen per week in Amsterdam, zodat dit argument niet voldoende zwaarwegend is om een verhuizing met de kinderen naar Amsterdam te rechtvaardigen. Daaraan doet niet af de stelling van de moeder dat zij in verband met supervisie en het volgen van cursussen regelmatig in het westen van het land dient te zijn. Immers die situatie bestaat al langer en is blijkbaar voor de moeder steeds te combineren geweest met het wonen in [woonplaats]. Daarbij komt dat de vader heeft aangeboden onder andere op deze cursusdagen de kinderen op te vangen. In het werk van de moeder ligt derhalve onvoldoende belang om een verhuizing met de kinderen te rechtvaardigen, haar belang afwegende tegen het belang van de vader om de ruime omgang met de kinderen te behouden.Gebleken is dat het belang van de moeder bij de verhuizing vooral is gelegen in de dansopleiding, die [kind 1] in Amsterdam volgt. De dansopleiding van [kind 1] betreft een vooropleiding. Deze vooropleiding duurt vier jaar. Of [kind 1] na het volgen van deze vooropleiding daadwerkelijk kan doorstromen naar het hoger onderwijs op [de hogeschool] dan wel dat haar toekomst in de musical- of showwereld gelegen is, is onzeker. Dat is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder gebleken talent gedurende de komende jaren alsmede hoe [kind 1] haar ambities verder ontwikkelen zal. Het hof onderkent het belang van [kind 1], die zelf blijkens de stukken in deze procedure haar wens naar voren heeft gebracht om de dansopleiding bij [de hogeschool] te blijven vervolgen. Wanneer zij naar Amsterdam verhuist, zal zij deze lessen kunnen vervolgen. Echter, het hof is er niet van overtuigd dat dit niet mogelijk is zonder een verhuizing naar Amsterdam. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij er alles aan gedaan heeft om op de middelbare school van [kind 1] in dit schooljaar bijvoorbeeld compensatie voor de vrijdagmiddag voor [kind 1] te krijgen. Niet gebleken is dat de moeder met de (middelbare) school dan wel de leerplichtambtenaar overleg heeft gehad. Daarbij komt dat de vader heeft aangeboden om met de school van [kind 1] nog te overleggen over de mogelijkheid dat [kind 1] op vrijdag eerder van school komt, zodat zij nog op tijd voor de lessen van [de hogeschool] kan zijn. Tevens heeft de vader aangeboden op de vrijdag en zaterdag voor [kind 2] te zorgen, zodat zij niet langer hoeft te reizen. De vader is zeer betrokken bij de kinderen. De vader heeft ook aangegeven dat hij meer wil doen om de kinderen, in het schema van de vrouw en [kind 1], rust te bieden. De vader ziet in hoe belangrijk het dansen voor [kind 1] is, en wil ook mee werken aan het onderzoeken van de mogelijkheid voor [kind 1] om bij [de hogeschool] te blijven. Het hof is van oordeel dat de wens van [kind 1] gelet op alle belangen die hier voorliggen een verhuizing niet rechtvaardigen. Mocht het niet mogelijk blijken dat [kind 1] de vooropleiding bij [de hogeschool] vervolgt, dan acht het hof aannemelijk dat er voor [kind 1] een alternatief bestaat in de vooropleiding bij bijvoorbeeld [naam opleiding] in [plaatsnaam] (ook al verschilt deze opleiding van de opleiding van [de hogeschool]). Het hof acht aannemelijk dat ook na het volgen van een vooropleiding bij [naam opleiding], er voor [kind 1] -bij gebleken talent en ambitie- voldoende zicht is op een toekomstige deelname aan het hoger dansonderwijs bij [de hogeschool] of een andere dansopleiding. Van belang is voorts dat [kind 1] op het [naam middelbare school] zit, waar zij goede cijfers haalt, zij haar vriendinnen heeft en het naar haar zin heeft. Ook met [kind 2] gaat het goed. Van belang is dat er voor [kind 1] en [kind 2] rust en duidelijkheid komt. Zij dienen zo goed mogelijk kontakt met beide ouders te hebben. De omgangsregeling, zoals deze bestond voor het onderhavige geschil verliep goed.

4.6 Het hof is bovendien van oordeel dat de moeder haar beslissing om te gaan verhuizen niet weloverwogen heeft genomen noch op een zorgvuldige wijze heeft voorbereid. De vader heeft verklaard dat hij zich voor een voldongen feit voelde geplaatst en dat verdere discussie met de moeder niet meer mogelijk was. Gebleken is dat de moeder de beslissing in de onderhavige procedure niet heeft afgewacht en zij reeds een woning heeft gehuurd in Amsterdam. Ter mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat verhuizen naar Amsterdam voor haar thans nog de enige optie is. Voorts heeft de moeder er geen blijk van gegeven dat zij er alles aan heeft gedaan om de gevolgen van de voorgenomen verhuizing in relatie tot de kinderen en de vader te beperken. Met de raad is het hof van oordeel dat beide ouders zich bewust dienen te zijn van het belang te communiceren en te overleggen over zaken die de kinderen aangaan, vooral bij een ingrijpende gebeurtenis als een verhuizing. De ouders dienen hun verantwoordelijkheid te nemen en de zaken zelf tot een oplossing te brengen, zonder dat de kinderen tussen de ouders in komen te staan. De moeder heeft die verantwoordelijkheid in deze onvoldoende genomen.

4.7 Alle belangen en omstandigheden van dit geval afwegende is het hof van oordeel dat aan de moeder geen toestemming dient te worden verleend voor een verhuizing naar Amsterdam.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 15 juli 2009;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Zutphen, C.W.P. van Gelder en S.M. Evers, bijgestaan door mr. M. Ligtenberg-Vastenholt als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is op 3 november 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.