Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK7385

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-10-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
200.042.406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldenaar niet-ontvankelijk in verzoek toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling; geen afwijking van 14-dagen-termijn van artikel 3 lid 1 Fw; geen omstandigheden als bedoeld in artikel 15 b lid 1 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.042.406

(zaaknummer rechtbank: 103460 FT RK 539/09)

arrest van de eerste civiele kamer van 5 oktober 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A.T. Brouwer te Enschede.

1. Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij rekest van 10 juli 2007 hebben de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B&C Products B.V., de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sailtex International B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Verkoopkantoor Interieurartikelen Assemblage Via B.V. het faillissement aangevraagd van [appellant].

1.2 Bij brief van 11 juli 2007 heeft de rechtbank Almelo [appellant] gewezen op de mogelijkheid om binnen veertien dagen na datum van die brief een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. [appellant] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Bij brief van 26 juli 2007 heeft de rechtbank Almelo [appellant] erop gewezen dat hij uiterlijk tijdens de faillissementszitting nog een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan doen.

1.3 Naar aanleiding van het faillissementsrekest heeft [appellant] een betalingsregeling met de aanvragers van het faillissement getroffen. De op 1 augustus 2007 geplande behandeling van het faillissementsrekest is dientengevolge aangehouden. [appellant] heeft één betalingstermijn voldaan, waarna hij de betalingsregeling niet meer is nagekomen.

1.4 Bij vonnis van 26 september 2007 heeft de rechtbank Almelo [appellant] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. M.M. Lorist tot rechter-commissaris en mr. R.H.A. Vennegoor tot curator.

1.5 Bij vonnis van 1 september 2009 heeft de rechtbank Almelo, na overwogen te hebben dat [appellant] ontvankelijk is in zijn verzoek van 24 juni 2009 tot opheffing van het uitgesproken faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dat verzoek afgewezen.

1.6 Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 9 september 2009 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 1 september 2009 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, te bepalen dat het faillissement alsnog wordt opgeheven onder gelijktijdige toelating tot de schuldsaneringsregeling.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, van de brief met bijlagen van 21 september 2009 van de curator en van de brief met bijlagen van 22 september 2009 van de advocaat van [appellant].

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 september 2009, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, vergezeld van zijn echtgenote, en bijgestaan door zijn advocaat. Tevens is verschenen de curator.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen.

3.2 Het hof dient allereerst ambtshalve na te gaan of [appellant] ontvankelijk is in zijn inleidend verzoek. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Vast staat dat de (griffier van de) rechtbank [appellant] bij brief van 11 juli 2007 overeenkomstig artikel 3 lid 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw) kennis heeft gegeven dat hij binnen veertien dagen na dagtekening van die brief een verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kon indienen. Het hof stelt vast dat [appellant] zijn verzoekschrift ruimschoots na de in voornoemde brief gestelde termijn van veertien dagen, namelijk op 24 juni 2009, heeft ingediend.

Op grond van het bepaalde in artikel 15b Fw kan slechts van de termijn als bedoeld in artikel 3 lid 1 Fw worden afgeweken indien sprake is van de in artikel 15b lid 1 Fw genoemde omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de betrokkene wegens hem toe rekenen omstandigheden binnen de meerbedoelde termijn van veertien dagen geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft ingediend.

3.3 [appellant] stelt dat hij zijn verzoek tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet eerder heeft ingediend, omdat hij ervan uitging dat dit door het treffen van de betalingsregeling met de aanvragers van zijn faillissement niet (meer) hoefde. Dat hij ook ter gelegenheid van de voortgezette mondelinge behandeling van het faillissementsrekest bij de rechtbank op 26 september 2007 geen verzoek heeft ingediend, schrijft [appellant] toe aan het feit dat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst en aan de ernstige ziekte van zijn echtgenote, waardoor hij er niet helemaal met zijn gedachten bij was.

3.4 Het hof is van oordeel dat [appellant] (uitsluitend) op grond van het feit dat hij een betalingsregeling had getroffen met de aanvragers van het faillissement - welke betalingsregeling hij slechts één maal is nagekomen en die de rechtbank aanleiding heeft gegeven om de behandeling van het ingediende faillissementsrekest aan te houden - niet had mogen afleiden dat vanaf dat moment de door de rechtbank genoemde termijn waarbinnen uiterlijk een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kon worden ingediend niet (meer) van toepassing was.

Mocht [appellant] aan de termijn voor het indienen van het verzoek om opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling hebben getwijfeld, dan lag het op zijn weg daarover duidelijkheid te krijgen. [appellant] had zich moeten realiseren dat de verantwoordelijkheid voor het tijdig indienen van het verzoek te allen tijde bij hem lag en had onmiddellijk nadat hij de betalingsregeling met de aanvragers van zijn faillissement niet meer nakwam, maar in elk geval tijdens de voortgezette mondelinge behandeling van het faillissementsrekest op 26 september 2007, een dergelijk verzoek moeten indienen. Zoals reeds hiervoor is vastgesteld, heeft [appellant] dat niet gedaan.

3.5 Hoewel begrip bestaat voor de impact die de ernstige ziekte van zijn echtgenote op [appellant] heeft, is het hof van oordeel dat dit - evenals de door [appellant] beweerde problemen met de Nederlandse taal - onvoldoende aanleiding is om af te wijken van de in artikel 3 lid 1 Fw voorgeschreven termijn.

Derhalve is het hof van oordeel dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd en dat [appellant] alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek tot opheffing van zijn faillissement onder gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot opheffing van zijn faillissement, onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, A. Smeeïng-van Hees en S.B. Boorsma en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2009.