Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK7206

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-12-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
24-000596-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Groepsverkrachting.

De getuigenverklaringen verschillen op fundamentele punten met de aangifte. Gelet op de terughoudendheid waarmee de verklaringen van aangeefster worden gebruikt vindt de aangifte onvoldoende steun in de overige bewijsmiddelen.

Vrijspraak. Benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000596-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-630313-08

Arrest van 21 december 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 januari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. V. Wolting, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, een maatregel opgelegd en op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep d.d. 22 september 2009 en 7 december 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 13 januari 2009.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 1. primair en subsidiair en 3. primair en subsidiair ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 2. primair ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 2 jaren (met aftrek), alsook de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij zal toewijzen tot € 2.500,-- (hoofdelijk) met oplegging van schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - ten laste gelegd, dat:

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2007 tot en met 8 mei 2008 te [pleegplaats] (in een woning gelegen aan de [adres]), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde partij] heeft/hebben gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij], hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) die [benadeelde partij] gedwongen te dulden dat verdachte en/of (een ofmeer van) zijn mededader(s) zijn/hun, verdachtes, penis(sen) in de vagina en/of in de mond van die [benadeelde partij] duwde(n)/bracht(en), en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en)en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- die [benadeelde partij] softdrugs heeft/hebben verstrekt en/of (vervolgens) die [benadeelde partij] softdrugs heeft/hebben laten roken/gebruiken, waardoor die [benadeelde partij] afhankelijk is geworden van softdrugs en/of ten gevolge waarvan een fysiek en/of geestelijk overwicht van verdachte en/of zijn mededader(s) ten opzichte van die [benadeelde partij] is ontstaan en/of

- tegen die [benadeelde partij] heeft/hebben gezegd dat zij op de (slaap)kamer moest blijven en/of dat zij hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) moest pijpen en/of neuken en/of

- die [benadeelde partij] (met kracht) heeft/hebben (terug)geduwd op het bed en/of (vervolgens) (onverhoeds) op die [benadeelde partij] is/zijn gaan liggen en/of

- nadat die [benadeelde partij] heeft gezegd dat zij niet wilde en/of begon tegen te stribbelen en/of kenbaar had gemaakt dat zij geen seksuele handelingen wilde dulden of plegen, zijn/hun penis(sen) onverhoeds en/of met kracht in de vagina en/of de mond van die [benadeelde partij] heeft/hebben geduwd/gebracht en/of

- die [benadeelde partij] meermalen, in ieder geval éénmaal (met kracht) heeft/hebben vastgehouden en/of vastgepakt en/of tegengehouden (terwijl één of meer van zijn, verdachtes, mededaders, zijn/hun penis(sen) duwden/brachten in de vagina en/of de mond van die [benadeelde partij]) en/of

(aldus) telkens voor die [benadeelde partij] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2007 tot en met 8 mei 2008 te [pleegplaats] (in een woning gelegen aan de [adres]), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [benadeelde partij], van wie hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) wist(en) dat die [benadeelde partij] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [benadeelde partij] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij], hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) meermalen, in ieder geval éénmaal zijn/hun penis(sen) geduwd/gebracht in de mond en/of de vagina van die [benadeelde partij].

Vrijspraak

De raadsman van verdachte heeft ter zitting van het hof de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster in twijfel getrokken. Verdachte ontkent iedere betrokkenheid. Naast de aangifte is onvoldoende steunbewijs, aldus de raadsman. Verdachte dient - aldus de raadsman - te worden vrijgesproken van het onder 2. primair en subsidiair ten laste gelegde feit, omdat hiervoor geen wettig en overtuigend bewijs is.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verklaringen van aangeefster zijn op hoofdlijnen consistent en soms ook gedetailleerd. Daarentegen bevatten haar verklaringen ook meerdere inconsistenties, terwijl ook deze inconsistente verklaringen details bevatten die doen lijken of er sprake is van waarheidsgetrouwe verklaringen. Ter zitting van het hof heeft aangeefster verklaard dat zij soms liegt om zaken acceptabel te maken. Aangeefster geeft hierbij weliswaar ook verklaringen voor haar leugens, maar desondanks vindt het hof het moeilijk om haar verklaringen naar waarde te schatten. Het hof zal terughoudendheid betrachten bij het gebruik van de verklaringen van aangeefster.

De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat de aangifte voldoende wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], alsmede de kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte.

De verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verschillen op meerdere punten fundamenteel met de verklaringen van aangeefster (te weten: [benadeelde partij]). Een eerste verschil ziet op de datum waarop het ten laste gelegde feit zou zijn begaan. Aangeefster heeft verklaard dat de verkrachting aan de [adres] plaatsvond drie dagen na de verjaardag van [naam] op 20 december, dus op 23 december 2007. Zij had hem namelijk een cadeautje gegeven omdat hij drie dagen daarvoor jarig was geweest. Ook weet zij zich te herinneren dat de kerstboom nog in huis stond, terwijl die er niet meer hoorde te staan. Voorgaande verklaringen zijn weliswaar tegenstrijdig - op 23 december hoort de kerstboom er juist wel te staan -, maar hieruit kan worden afgeleid dat volgens aangeefster het feit zich heeft voorgedaan na 23 december 2007. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij [benadeelde partij] in de zomer van 2007 in de woning aan de [adres] heeft gezien. Echter, later verklaart hij dat hij niet meer precies weet wanneer het was. Het kan na de zomer zijn geweest, omdat het 's avonds al knap donker was. Daarnaast heeft getuige [getuige 2] d.d. 19 juni 2008 verklaard dat ze [benadeelde partij] een half jaar geleden, misschien korter, geheel overstuur aantrof. [benadeelde partij] vertelde dat de vrienden van [naam] aan haar hadden gezeten. Het was rond 18.00 uur. Het was nog licht buiten, aldus [getuige 2]. Het is een feit van algemene bekendheid dat het in de periode van december/januari vóór 18.00 uur donker is. Gelet op het vorenstaande is het aannemelijk dat de getuigenverklaringen niet zien op dezelfde periode - en dus niet op dezelfde gebeurtenis - als de aangifte. Bovendien komt de beschrijving van de kleding die getuige [getuige 2] geeft (aangeefster zou een lange broek hebben gedragen) niet overeen met de verklaring van aangeefster dat zij die avond een jurk droeg.

Ook op een ander punt spoort de verklaring van aangeefster niet met de verklaringen van [getuige 1]. Aangeefster heeft verklaard dat zij die dag in de woonkamer zat met [naam] en een onbekende jongen, toen een man met twee honden binnenkwam. Daarna kwam een buitenlandse man binnen. Even later moest ze met [naam] naar boven. Boven lagen twee mannen, onder wie verdachte, op een tweepersoonsbed. Getuige [getuige 1] heeft meerdere verklaringen afgelegd. Hoewel getuige [getuige 1] inconsistent verklaart, zijn zijn verklaringen op het (essentiële) punt van het vertrek van aangeefster naar boven consistent. [getuige 1] heeft nimmer verklaard dat het meisje, zoals aangeefster verklaart, alleen met - de hem bekende - [medeverdachte] naar boven is gegaan. Volgens [getuige 1] ging aangeefster juist met een onbekende jongen naar boven.

Aannemelijk is dat aangeefster op enig moment in de woning aan de [adres] is geweest. Getuige [getuige 1] heeft aangeefster - die hij heeft herkend middels een enkelvoudige fotoconfrontatie - beneden in de woonkamer zien zitten. Daarnaast geeft aangeefster belangrijke details over de woning. Zo klopt haar beschrijving van de woning, alsook de door haar gemaakte plattegrond, met de bevindingen van de politie. In de woning is bovendien een groen slipje gevonden. Aangeefster heeft verklaard dat dit haar slipje zou kunnen zijn, terwijl getuige [getuige 3] heeft verklaard dat het slipje van haar, noch van haar dochter is. Het slipje is niet onderzocht. Echter, dit slipje zegt alleen iets over de aanwezigheid van aangeefster in de woning. In dit licht komt aan deze vaststelling aldus geen zelfstandige bewijswaarde toe.

Uit het bovenstaande leidt het hof af dat de verklaringen van getuige [getuige 2], noch [getuige 1] zien op het ten laste gelegde feit onder 2. De verklaringen verschillen op fundamentele punten met de aangifte. Gelet op de terughoudendheid waarmee de verklaringen van aangeefster zullen worden gebruikt vindt de aangifte onvoldoende steun in de overige bewijsmiddelen.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2. primair en subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoe¬ding in het geding in hoger beroep voort.

Nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 1 en 3 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. K. Lahuis en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. J.A. Wiarda buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.