Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK7022

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
08-00456
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Fotografie-activiteiten en consultancywerkzaamheden vormen geen bron van inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2758
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00456

uitspraakdatum: 1 december 2009

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 juli 2008, nummer AWB 07/4363, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.244.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.783.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Inspecteur heeft de aanslag met dagtekening 18 oktober 2007 ambtshalve (nader) verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.250. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 25 juli 2008 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de met dagtekening 18 oktober 2007 ambtshalve verminderde aanslag gehandhaafd.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2009 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 In onderdeel 2 van haar uitspraak heeft de Rechtbank de feiten als volgt vastgesteld (waarbij eiser dient te worden gelezen als belanghebbende en verweerder als de Inspecteur).

‘Eiser heeft voor het jaar 2005 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 7.556. Dit bedrag betreft het door eiser aangegeven verlies uit onderneming.

Bij de aanslagregeling is verweerder afgeweken van de aangifte omdat eisers looninkomsten van € 112.800 niet in de aangifte waren opgenomen. In verband met deze correctie heeft verweerder de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.244 (-/- € 7.556 + € 112.800).

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij het bezwaarschrift heeft eiser een herziene aangifte IB/PVV 2005 ingediend. In deze herziene aangifte is het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt samengesteld.

Belastbare winst uit onderneming A Foto & A Consultancy: € 4.365 -/-

Inkomsten uit tegenwoordige arbeid: € 112.800

Saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning: € 22.550 -/-

Belastbaar inkomen uit werk en woning: € 85.885

Bij de herziene aangifte is een fiscale balans en een fiscale winst- en verliesrekening gevoegd van A Foto & A Consultancy voor het jaar 2005. Hierin is een saldo fiscale winst van negatief € 3.765 opgenomen (opbrengsten € 533, kosten € 4.298).

In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft verweerder eiser vragen gesteld over het door hem aangegeven bedrag aan winst uit onderneming.

Nu verweerder na herhaald verzoek binnen de door hem gestelde termijn geen reactie van eiser had ontvangen, heeft verweerder bij brief van 11 september 2007 aan eiser medegedeeld dat de afgetrokken kosten van A Foto & A Consultancy niet worden geaccepteerd. Ook de door eiser geclaimde investeringsaftrek is niet toegestaan.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 september 2007 is het belastbaar inkomen uit werk en woning vervolgens als volgt nader vastgesteld.

Vastgesteld belastbaar inkomen volgens aanslag: € 105.244

Bij: correctie aangegeven verlies uit onderneming € 7.556

Bij: correctie opbrengsten A Foto & A Consultancy € 533

Af: Saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning € 22.550 -/-

Nader vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning: € 90.783

Op 2 oktober 2007 heeft verweerder alsnog een reactie van eiser ontvangen op verweerders verzoek om informatie over A Foto & A Consultancy. Daarin heeft eiser een beschrijving van zijn werkzaamheden gegeven. Eiser geeft onder meer aan dat hij bezig is met het opzetten van een internetwinkel AFoto en dat hij trouwreportages en albums maakt. Voorts heeft eiser hierbij facturen aan verweerder toegestuurd inzake de opbrengsten en kosten van zijn fotografiewerkzaamheden in de periode van 30 juli 2003 tot en met 28 januari 2006.

Naar aanleiding van de door eiser overgelegde gegevens heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de activiteiten van eiser zich in de hobby-sfeer afspelen en niet als een onderneming of als een werkzaamheid in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 kunnen worden beschouwd. Hierbij heeft verweerder alsnog de in aanmerking genomen opbrengsten van A Foto & A Consultancy van € 533 teruggenomen.

Als gevolg hiervan is de aanslag met dagtekening 18 oktober 2007 ambtshalve verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.250 (€ 90.783 -/- 533).’

2.2 In aanvulling daarop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.3 Uit de tot de gedingstukken behorende facturen volgt dat belanghebbenden tegen vergoeding twee fotoreportages heeft gemaakt in 2003, drie in 2004, één in 2005 en geen in 2006.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of belanghebbendes activiteiten kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen en, zo ja, of de met deze activiteiten behaalde resultaten moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De Rechtbank heeft geoordeeld dat er in 2005 objectief gezien geen voordelen konden worden verwacht uit de fotografieactiviteiten en dat belanghebbendes activiteiten reeds daarom niet kunnen worden beschouwd als een bron van inkomen. De Rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

‘De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 oktober 2005 (nr. 40 244, BNB 2006/54) geoordeeld dat bij de vraag of redelijkerwijs voordeel is te verwachten, over de jaargrens heen gekeken dient te worden. Hieruit volgt dat voor de beantwoording van de vraag of er in 2005 bij eiser een objectieve winstverwachting bestond, ook de resultaten van de jaren 2003, 2004 en 2006 in aanmerking dienen te worden genomen.

De rechtbank stelt in dit verband aan de hand van de onder 2. genoemde facturen, die door eiser aan verweerder zijn verstrekt en als bijlage 8 bij het verweerschrift zijn gevoegd, vast dat de kosten van eisers fotografiewerkzaamheden in de jaren 2003 en 2004 telkens de daarmee in die jaren behaalde opbrengsten hebben overtroffen. Ook in het onderhavige jaar leverden deze activiteiten een negatief resultaat op. Uit eisers brief van 19 september 2007 aan verweerder (bijlage 8 bij het verweerschrift) blijkt dat ditzelfde heeft te gelden voor het jaar 2006. Voorts leidt de rechtbank uit deze brief af dat eiser zijn werkzaamheden op het gebied van de fotografie in september 2006 heeft beëindigd.’

4.2 Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat wel is voldaan aan de voorwaarde van de objectieve winstverwachting. Hij voert aan dat fotografie een creatief beroep is, dat daarbij het opbouwen van een stijl, reputatie en portfolio hoort en er tijd overheen gaat om dit te bereiken. Ook heeft hij aangevoerd dat zijn werkzaamheden niet beperkt zijn gebleven tot fotografie. Hij is ook bezig geweest met het opzetten van een webwinkel, van consultancywerkzaamheden en van andere dienstverlening. Hij is in 2006 dus niet gestopt.

4.3 Ter zitting in hoger beroep heeft belanghebbende in verband daarmee onder meer aangevoerd dat:

- hij in 2003 is begonnen met het opzetten van de fotografie- en consultancyactiviteiten,

- het de bedoeling was zijn werkzaamheden in loondienst voor B af te bouwen,

- de fotografie- en consultancyactiviteiten los van elkaar staan,

- hij is begonnen met de fotografiewerkzaamheden,

- hij een website heeft ontwikkeld en de bedoeling had via een webshop fotografieartikelen te verkopen,

- hij de consultancyactiviteiten steeds achter de hand heeft gehouden aangezien hij vermoedde dat de consultancyactiviteiten altijd de basis van zijn onderneming zouden zijn,

- het vanaf het begin zijn bedoeling was zowel fotografie- als consultancywerkzaamheden te gaan verrichten,

- dit laatste blijkt uit de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de website,

- de eerste consultancyopdracht in 2006 was,

- hij in de periode die daaraan voorafging met name heeft geïnvesteerd in zijn portfolio, zijn stijl en acquisitie,

- hij ook heeft geprobeerd te acquireren op consultancygebied,

- de in de periode 2003 tot en met 2006 gemaakte kosten aan de fotografiewerkzaamheden zijn toe te rekenen,

- de door hem aangeschafte laptop en de computer ook worden gebruikt voor de consultancyactiviteiten,

- hij in 2006 geen fotografiewerkzaamheden heeft verricht,

- hij in 2006 overspannen is geraakt en tijdelijk is gestopt met alle werkzaamheden,

- hij zijn werkzaamheden in loondienst eerder heeft willen afbouwen, maar dat dit niet kon omdat hij tijdelijk was uitgeschakeld,

- hij midden 2007 weer is begonnen bij B en parallel daaraan een tweetal consultancyprojecten voor andere bedrijven heeft gedaan,

- hij vanaf 1 mei 2009 fulltime als zelfstandige is verbonden aan een consultancybedrijf,

- hij in de aangifte IB/PVV 2006 heeft gekozen voor een aangifte als niet-ondernemer,

- voor 2007 zijn belastingconsulent eveneens aangifte heeft gedaan als niet-ondernemer,

- hij zich per 1 mei 2009 bij de Belastingdienst als ondernemer heeft aangemeld en een aangiftebiljet voor de omzetbelasting uitgereikt heeft gekregen.

4.4 Gelet op hetgeen belanghebbende ter zitting heeft aangevoerd (vergelijk hiervoor 4.3), dient de vraag of belanghebbendes werkzaamheden in het onderhavige jaar als bron van inkomen kunnen worden beschouwd naar het oordeel van het Hof afzonderlijk te worden beantwoord voor zowel de fotografieactiviteiten als de consultancyactiviteiten. Belanghebbendes stelling dat sprake is van verwevenheid tussen de fotografie- en consultancyactiviteiten, en - zo begrijpt het Hof - aldus van één bron, wordt door het Hof verworpen. Het enkele feit dat beide activiteiten door belanghebbende zelf worden verricht, is daarvoor onvoldoende.

4.5 Onder verwijzing naar 4.1 hiervóór heeft de Rechtbank met betrekking tot de fotografieactiviteiten geoordeeld dat er in 2005 objectief gezien geen voordelen konden worden verwacht en dat belanghebbendes activiteiten reeds daarom niet kunnen worden beschouwd als een bron van inkomen. Het Hof sluit zich bij dat oordeel en de daartoe gebezigde gronden aan en rekent die tot de zijne. Dit oordeel heeft evenzeer te gelden voor belanghebbendes activiteit met betrekking tot het opzetten van de webwinkel voor fotografieartikelen. Aan het oordeel doet niet af dat, zoals belanghebbende stelt, hij in 2007 nog twee fotografieopdrachten heeft gedaan.

4.6 Uit hetgeen belanghebbende met betrekking tot de consultancywerkzaamheden heeft aangevoerd, leidt het Hof af dat hij in 2003 hooguit de intentie had om deze werkzaamheden te zijner tijd te gaan verrichten als aanvulling op zijn fotografiewerkzaamheden en voorts dat hij deze werkzaamheden voor het eerst in 2006 of 2007 is gaan verrichten. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de jaren 2003 tot en met 2005 in verband daarmee (substantiële) acquisitiewerkzaamheden heeft verricht of (substantiële) investeringen heeft gedaan. Die activiteit kan daarom in het onderhavige jaar (nog) niet als bron van inkomen worden aangemerkt.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. J.A. Monsma en mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek als griffier.

De beslissing is op 1 december 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(N. ten Broek) (C.M. Ettema)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 december 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.