Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK6402

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
104.003.023 en 104.004.399
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorziene omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 509
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummers gerechtshof: 104.003.023 en 104.004.399

(zaaknummers rechtbank: 68417 / HA ZA 05-267 en 79050 / HA ZA 06-729)

arrest van de tweede civiele kamer van 14 juli 2009

in de zaak 104.003.023:

[appellante],

wonende te [woonplaats]

appellante in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. R. de Lange,

tegen:

1. de stichting Stichting Ecliptica,

gevestigd te Arnhem,

2. de stichting Stichting Eleusis: La Renaissance Contemporaine,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerden in het principaal beroep,

appellanten in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. P.H. van der Vleuten,

en in de zaak 104.004.399:

1. de stichting Stichting Ecliptica,

gevestigd te Arnhem,

2. de stichting Stichting Eleusis: La Renaissance Contemporaine,

gevestigd te Arnhem,

appellanten,

advocaat: mr. P.H. van der Vleuten,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. de Lange.

1 Voortzetting van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 24 februari 2009. Ingevolge dit tussenarrest heeft op 18 mei 2009 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal en de daaraan gehechte schriftelijke aantekeningen van mr. De Lange behoren tot de gedingstukken. Voorafgaand aan deze comparitie zijn ingezonden door mr. De Lange brieven van 4 mei en 11 mei 2009, steeds met bijlagen, en door mr. Van der Vleuten brieven van 28 april, 4 mei, 14 mei en 15 mei 2009, eveneens steeds met bijlagen.

1.2 Het hof is gebleken dat de bij brief van mr. Van der Vleuten van 4 mei 2009 gevoegde productie nr. 44 niet compleet is. Van de ‘aanvullende verklaring’ van [A] en Ecliptica van 4 mei 2009, die van deze productie onderdeel uitmaakt, ontbreken de pagina’s 6 en 7.

1.3 Met toestemming van partijen is ter comparitie afgezien van het voorlezen van de verklaringen, die in hun aanwezigheid zijn gedicteerd. In overeenstemming met de ter zitting gemaakte afspraken hebben beide partijen gereageerd op het buiten hun aanwezigheid opgemaakte proces-verbaal van die zitting. Daartoe heeft [appellante] op 2 juni 2009 een akte in het geding gebracht, en hebben de stichtingen op dezelfde datum een ‘akte uitlating naar aanleiding van proces-verbaal’ en een ‘akte aanvullende uitlating naar aanleiding van proces-verbaal’ overgelegd. Bij die gelegenheid hebben beide partijen tevens enkele nieuwe producties in het geding gebracht (de stichtingen door die producties in de aktes te incorporeren). De stichtingen hebben bij deze gelegenheid tevens gebruik gemaakt van de hen ter comparitie geboden mogelijkheid om bij akte te reageren op de schriftelijke aantekeningen van mr. De Lange en zich uit te laten over de ingangsdatum van de door hen gevorderde wettelijke rente.

1.4 In aansluiting op de ter comparitie gemaakte afspraken hebben partijen het hof vervolgens verzocht om op de ter griffie aanwezige stukken arrest te wijzen.

2 Voortzetting van de beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Het hof blijft bij hetgeen het heeft overwogen in het tussenarrest, met de aanvulling dat thans vaststaat dat [appellante] [A] eind 1996 heeft ontmoet (rov. 6.1) en dat [appellante] op 10 januari 1997 tot het bestuur van Ecliptica is toegetreden (rov. 6.2), alsmede met de nuancering dat niet vaststaat dat [A] voorzitter van het bestuur van Ecliptica is geweest gedurende zijn faillissement, dat duurde van 31 juli 1996 tot en met 27 augustus 1999 (rov. 6.2).

2.2 In het tussenarrest heeft het hof [appellante]’s betoog dat zij de schenkingsovereen-komsten is aangegaan onder invloed van bedreiging door [A], reeds verworpen. Ook [appellante]’s beroep op de vernietigingsgrond van artikel 7:184 lid 1, aanhef en sub b, jo. lid 2 BW (deelneming door de begiftigde aan een jegens de schenker opzettelijk gepleegd misdrijf) is in dit arrest verworpen. Hetzelfde geldt voor het beroep op dwaling omtrent het bestedingsdoel van de schenkingen. In het tussenarrest is echter nog niet beslist op [appellante]’s beroep op misbruik van omstandigheden, dwaling in de persoon en bedrog, noch op haar beroep op de artikelen 6:248 lid 2 en 6:258 BW. Het hof oordeelt dienaangaande als volgt.

Misbruik van omstandigheden

2.3 [appellante]’s beroep op misbruik van omstandigheden stuit af op artikel 3:52 lid 1, aanhef en sub b, BW, aangezien [appellante] pas bij exploten van 13 januari 2005 de vernietiging heeft ingeroepen. Blijkens artikel 3:52, eerste lid onder b, BW verjaart een rechtsvordering tot vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden, evenals de buitengerechtelijke vernietiging, drie jaren nadat deze invloed heeft opgehouden te werken. Uitgaande van de veronderstelling dat van misbruik van omstandigheden sprake is geweest – het hof laat dit in het midden – kan in elk geval 1 oktober 2001 worden aangemerkt als de dag waarop [appellante] in zodanige mate buiten [A]s invloedssfeer was gekomen en haar vermogen om op adequate wijze haar eigen belangen te (laten) behartigen in zoverre had herwonnen, dat vanaf dat moment geen sprake (meer) was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW. Op die dag liet [appellante] [A] in kort geding dagvaarden teneinde een erfverbod te verkrijgen. Kennelijk voelde zij zich toen sterk genoeg om zich voor hulp tot een advocaat te wenden en [A] in rechte te betrekken. In dit licht bezien heeft [appellante] haar betoog dat [A]s invloed in elk geval tot 22 september 2003 heeft voortgeduurd, onvoldoende onderbouwd. Noch uit [A]s brief van 22 september 2003 noch uit de overige, bij brief van mr. De Lange van 4 mei 2009 overgelegde correspondentie valt af te leiden dat [appellante] in de periode waaruit die correspondentie dateert (16 februari 2002 – 25 december 2004) nog altijd niet bij machte zou zijn geweest aan [A] weerstand te bieden. Het hof passeert [appellante]’s aanbod om een deskundige te laten onderzoeken in hoeverre [appellante] in staat is, en destijds was, om voor zichzelf op te komen. Mede gelet op het feit dat [appellante] blijkens de ter zitting van 18 mei 2009 verstrekte informatie in het verleden ter zake van haar gemoedstoestand nimmer een arts of psycholoog heeft bezocht, wordt een deskundigenonderzoek niet opportuun geacht.

Bedrog

2.4 Ook [appellante]’s betoog dat zij de schenkingsovereenkomsten onder invloed van bedrog is aangegaan, wordt verworpen. Weliswaar betoogt [appellante] dat [A] haar onjuist heeft voorgelicht omtrent de procedure waarin hij met zijn broers was verwikkeld, maar [A] heeft dit gemotiveerd weersproken en [appellante] heeft ter zake geen concreet bewijsaanbod gedaan. Bovendien heeft [appellante] ook ter zitting nagelaten aan te geven op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat [A] de beweerdelijke bedrieglijke mededelingen en verzwijgingen over de procedure met zijn broers heeft gedaan met het oogmerk om [appellante] tot het doen van de schenkingen te bewegen. Mede bij gebreke van het vereiste verband faalt het beroep op bedrog.

Dwaling in de persoon

2.5 [appellante] heeft zich voorts beroepen op dwaling in de persoon van [A], en daarmee in de voorzitter van de stichtingen. Ook in dit kader betoogt zij dat zij door [A] onjuist is voorgelicht omtrent de procedure waarin hij met zijn broers was verwikkeld. Voorts zou [A] zich bij het beheer van het vermogen van zijn moeder aan financiële malversaties hebben bezondigd. Naar [appellante] stelt zou zij nooit een schenking hebben gedaan aan stichtingen waarbij [A] zo nauw is betrokken, als zij dit geweten had. Dit betoog faalt. Zoals hierboven onder 2.4 reeds is overwogen, heeft [A] [appellante]’s stelling dat hij haar onjuist heeft voorgelicht omtrent de procedure met zijn broers gemotiveerd weersproken en heeft [appellante] nagelaten ter zake een concreet bewijsaanbod te doen. Voorts valt uit het in die procedure gewezen arrest van hof Amsterdam van 8 oktober 1998 niet af te leiden dat [A] zich bij het beheer van het vermogen van zijn moeder daadwerkelijk aan malversaties heeft schuldig gemaakt. Uit dit arrest volgt slechts dat [A] niet in staat is gebleken deugdelijk rekening en verantwoording af te leggen over de tussen medio 1980 en eind 1981 gedane opnamen van een bankrekening van zijn moeder bij de Dresdner Bank tot een totaalbedrag van circa DM 100.000,-- en dat hof Amsterdam hem ter zake heeft veroordeeld tot betaling van ruim DM 42.000,--. Het feit dat hij de bewuste opnamen niet heeft kunnen verantwoorden betekent niet zonder meer dat hij bij het beheer onregelmatigheden heeft begaan. Volgens [appellante] zou uit het bewuste arrest van hof Amsterdam tevens blijken dat [A] zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte door een hypotheekakte te doen opmaken en inschrijven voor een naar eigen zeggen niet bestaande schuld. Naar het oordeel van het hof biedt het arrest, mede gelet op de door [A] ter zitting van 18 mei 2009 ter zake gegeven toelichting, ook voor deze conclusie onvoldoende grond.

2.6 Zoals reeds in het tussenarrest (rov. 6.24) is overwogen, komt bij de beoordeling van het beroep op dwaling in de persoon echter tevens betekenis toe aan de stelling van [appellante] dat de door haar aan de stichtingen geschonken gelden (voor een deel) bij [A] zijn terecht gekomen, althans ten gunste van hem zijn aangewend, althans niet ten behoeve van de doelstellingen van de stichtingen zijn besteed. Of deze stelling juist is, behoeft, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de stichtingen, nader onderzoek. Alvorens in dat kader eventuele bewijsopdrachten te overwegen, wenst het hof eerst kennis te nemen van de volledige jaarstukken van Ecliptica en Eleusis over de jaren vanaf 1997, respectievelijk 1998 tot heden, voorzien van de bijbehorende goedkeurende verklaringen en aanbiedingsbrieven van de registeraccountant en van de jaarverslagen (met verslag van de activiteiten). Tot op heden zijn slechts verkorte jaarstukken overgelegd die onvoldoende inzicht bieden.

Onvoorziene omstandigheden

2.7 [appellante] heeft, voor het geval haar beroep op vernietiging van de schenkingsovereenkomsten zou falen, bij memorie van grieven subsidiair (onder meer) gevorderd dat de overeenkomsten op grond van onvoorziene omstandigheden zullen worden gewijzigd in die zin dat de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen komen te vervallen en dat de stichtingen zullen worden veroordeeld de reeds ontvangen lijfrentetermijnen te restitueren. Meer subsidiair heeft [appellante] bij die memorie (onder meer) gevorderd dat de overeenkomsten op grond van onvoorziene omstandigheden zullen worden gewijzigd in die zin dat wordt bepaald dat al hetgeen zij reeds heeft betaald en door de stichtingen is ontvangen, behoudens de door het beslag onder notaris [B] getroffen gelden, als rechtens verschuldigd wordt aangemerkt en dat zij verder geen enkele betalingsverplichting jegens de stichtingen meer heeft. (Voormelde meer subsidiaire vordering heeft zij ook reeds bij inleidende dagvaarding ingesteld, de subsidiaire vordering eerst bij memorie van grieven). [appellante] heeft aan haar subsidiaire (en meer subsidiaire) vordering een groot aantal feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd. Zij heeft daaraan ook alle feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd die zij heeft aangevoerd in het kader van haar beroep op vernietiging wegens misbruik van omstandigheden, bedreiging, dwaling, bedrog en het bepaalde in artikel 7:184 BW, welke feiten en omstandigheden door [A] gemotiveerd zijn betwist. Alvorens in het kader van de subsidiaire vordering eventuele bewijsopdrachten te overwegen, wenst het hof eerst kennis te nemen van de onder 2.6 bedoelde volledige jaarstukken met bijlagen.

2.8 Hoewel vooralsnog niet duidelijk is of uiteindelijk aan een beslissing op de meer subsidiaire vordering zal worden toegekomen, ziet het hof aanleiding reeds nu omtrent die vordering een oordeel te geven. Bij de beoordeling van de meer subsidiaire vordering stelt het hof voorop dat het hier om schenkingsovereenkomsten gaat. Schenkingsovereenkomsten onderscheiden zich in zoverre van wederkerige overeenkomsten dat er tegenover de verplichting van de schenker om de toegezegde gift te voldoen geen prestatie van de begiftigde staat. De schenker verricht zijn/haar prestatie om niet.

2.9 Voorts is van betekenis dat na het aangaan van de schenkingsovereenkomsten de verstandhouding tussen [appellante] en [A] ingrijpend is gewijzigd, terwijl [appellante]’s schenkingen aan de stichtingen klaarblijkelijk alles te maken hadden met [A]s nauwe betrokkenheid bij de stichtingen. ([A] was van 1986 tot in elk geval zijn faillissement, medio 1996, voorzitter van Ecliptica; sedert begin november 1999 is hij voorzitter van de beide stichtingen). [appellante] had ten tijde van het aangaan van de schenkingsovereenkomsten in december 1998 een affectieve relatie dan wel vertrouwensband met [A]. Zij zijn begin 1997 gaan samenwonen in het huis van [appellante] en hun relatie resulteerde op 31 augustus 1999 in een partnerschapsregistratie. De relatie is nadien echter dermate ontaard dat [appellante] zich in oktober 2001 genoodzaakt heeft gevoeld de rechter te vragen om aan [A] een erfverbod op te leggen. Ook omtrent de vermogensrechtelijke afwikkeling van het geregistreerd partnerschap zijn tussen [appellante] en [A] diverse gerechtelijke procedures gevoerd. Verder hebben de stichtingen, onder voorzitterschap van [A], vanaf begin 2003 herhaaldelijk getracht om onder dreiging van executoriale verkoop van [appellante]’s woonhuis betaling van de nog niet betaalde lijfrentetermijnen af te dwingen.

2.10 Ten slotte is relevant de drastische vermindering van het vermogen van [appellante] sedert het aangaan van de schenkingsovereenkomsten, een vermogensvermindering die niet alleen is veroorzaakt door de reeds betaalde lijfrentetermijnen en de koersverliezen op [appellante]’s beleggingen in beursfonds Hagemeijer, maar ook door het eindigen en vervolgens de afwikkeling van het geregistreerd partnerschap met [A]. Als gevolg van de partnerschapsregistratie op 31 augustus 1999 is tussen [appellante] en [A] een algehele gemeenschap van goederen ontstaan. [appellante] bracht daarbij een aanzienlijk vermogen in. Blijkens de opgave van Bax belastingkundigen beliep haar vermogen per 1 januari 1998 nog een bedrag van circa 8,5 miljoen euro (brief van Bax belastingkundigen van 8 mei 2009, gevoegd bij de brief van mr. De Lange van 11 mei 2009). [A] verkeerde vanaf medio 1996 in staat van faillissement, welk faillissement enkele dagen vóór het aangaan van het geregistreerd partnerschap werd beëindigd. Hetgeen [A] in de gemeenschap van goederen inbracht was aanzienlijk minder dan [appellante]’s inbreng. Dit blijkt niet alleen uit het vonnis van de rechtbank Zutphen van 3 november 2004 in de boedelscheidingsprocedure (productie 2 bij de akte overlegging producties van mr. De Lange van 30 maart 2005), maar tevens uit het door de stichtingen in het geding gebrachte afschrift van de aantekeningen van notaris J.C. Bloemers (productie 10 bij de brief van mr. Van der Vleuten van 28 april 2009). Het betreft aantekeningen van notaris Bloemers naar aanleiding van een in maart 1997 met [appellante] en [A] gevoerde bespreking. In deze aantekeningen wordt uitgegaan van een vermogen van [appellante] van fl. 18.000.000,-- en van een vermogen van [A] van fl. 600.000,--. Naar aanleiding van de partnerschapsbeëindiging is de ontbonden algehele gemeenschap van goederen bij helfte verdeeld.

2.11 Dat van een drastische vermogensvermindering aan de zijde van [appellante] sprake is, blijkt uit het volgende. De omvang van haar vermogen bij het aangaan van de schenkingsovereenkomsten op 18 december 1998 kan bij benadering worden afgeleid uit de door de stichtingen zelf in het geding gebrachte opgave van Brethouwer & Partners (zie ‘Akte aan-vullende uitlating naar aanleiding van proces-verbaal’ van mr. Van der Vleuten van 2 juni 2009, p. 3). Volgens deze opgave bedroeg [appellante]’s vermogen per 1 januari 1999 nog fl. 14.803.816 = circa 6,7 miljoen euro. Op 30 december 1998 zijn de twee eerste lijfrente-termijnen (één termijn per stichting) van elk circa € 300.000 middels verrekening door [appellante] voldaan. Dientengevolge zal de omvang van [appellante]’s vermogen op 18 december 1998 hebben gelegen in de orde van grootte van 6,7 miljoen euro, vermeerderd met de per 30 december 1998 verrekende twee eerste lijfrentetermijnen van elk circa € 300.000. Daarmee kan het totale vermogen van [appellante] bij het aangaan van de schenkingsovereenkomsten worden geschat op circa 7,3 miljoen euro. De omvang van [appellante]’s vermogen per ultimo 2008 kan worden afgeleid uit de niet bestreden opgave van Bax belastingkundigen van 8 mei 2009. Blijkens deze opgave bestaat [appellante]’s vermogen per 31 december 2008, de vorderingen van de stichtingen weggedacht, nog slechts uit banksaldi ter waarde van circa 1,4 miljoen euro en een woning ter waarde van afgerond 1,2 miljoen euro.

2.12 Aangenomen kan worden dat [appellante] bij het aangaan van de schenkingsovereenkomsten de emotionele en financiële gevolgen die haar relatie met [A], de huidige voorzitter van de stichtingen, voor haar zou gaan krijgen niet heeft voorzien, evenmin als het feit dat haar vermogen in tien jaar tijd zou slinken als hierboven vermeld. Deze omstandigheden zijn dan ook, naar eveneens valt aan te nemen, mede bij gebreke van enige aanwijzing van het tegendeel, niet in de overeenkomsten verdisconteerd.

2.13 Het hof beschouwt voormelde omstandigheden, mede gelet op het feit dat het schenkingsovereenkomsten betreft, als dermate klemmend dat de stichtingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van die overeenkomsten meer mogen verwachten. Het hof acht het, op grond van het onder 2.7 tot en met 2.12 overwogene, in elk geval passend de overeenkomsten aldus te wijzigen dat de per datum inleidende dagvaarding (22 maart 2005) uit hoofde van de schenkingsovereenkomsten nog verschuldigde bedragen, door [appellante] niet langer verschuldigd zijn. Dit betekent dat, indien en voor zover [appellante] na 22 maart 2005 nog betalingen mocht hebben verricht ter zake van de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomsten, zij in elk geval die betalingen als onverschuldigd betaald kan terugvorderen. Met het vorenstaande wordt niet beoogd vooruit te lopen op de beslissing inzake [appellante]’s primaire vordering anders dan in het vorige tussenarrest of dit tussenarrest reeds is gedaan, evenmin als op de eventueel te nemen beslissing inzake haar subsidiaire vordering.

2.14 In de door de stichtingen gevoerde betogen heeft het hof geen voldoende zwaarwegende argumenten aangetroffen om met betrekking tot de meer subsidiaire vordering van [appellante] tot een ander oordeel te komen. Het hof realiseert zich dat door bovenomschreven wijziging van de overeenkomsten het voortbestaan van de stichtingen mogelijk wordt bedreigd, maar die omstandigheid vormt geen aanleiding om anders te beslissen. In dit verband is van belang dat van de zijde van de stichtingen ter zitting van 18 mei 2009 is verklaard dat vanaf 1998 [appellante]’s giften de enige bron van inkomsten zijn geweest en dat zij sedertdien nimmer donaties van derden hebben ontvangen. (Deze verklaring ontbreekt in het proces-verbaal van de zitting, maar het hof stelt vast dat zij wel is afgelegd). Mede tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom van [appellante] gevergd zou mogen worden dat zij de stichtingen nog langer financieel in staat stelt hun bestaan (op de huidige voet) te continueren. Klemmende redenen daarvoor hebben de stichtingen niet aangevoerd. Zij betogen weliswaar dat zij door het niet voldoen door [appellante] van de resterende lijfrentetermijnen op hun beurt betalingsverplichtingen en toezeggingen niet (hebben) kunnen nakomen (‘memorie van antwoord tevens van incidenteel appel tevens memorie van grieven’, nr. 55), maar zij hebben nagelaten dit te onderbouwen. Zij hebben niet aangegeven om welke betalingsverplichtingen en toezeggingen, in welke omvang, het zou gaan. Daarom gaat het hof aan dit betoog, dat door [appellante] wordt betwist, voorbij.

2.15 De stichtingen stellen in hun ‘akte uitlating naar aanleiding van proces-verbaal’ van 2 juni 2009 (p. 20) dat het niet voldoen van alle lijfrentetermijnen voor (onder andere) [appellante] verstrekkende fiscale gevolgen zal hebben. Zij verwijzen daarbij naar de brief van Geradts & Vetter Advocaten en Belastingkundigen van 29 mei 2009, welke brief in bedoelde akte is geïncorporeerd (op p. 21-22). Volgens Y.E.J. Geradts zou, gelet op de fiscale regelgeving, een wijziging van de overeenkomsten inhoudend dat [appellante] de resterende lijfrentetermijn niet meer behoeft te betalen, voor [appellante] wel eens zeer nadelig kunnen uitpakken omdat [appellante] in dat geval het eerder genoten belastingvoordeel mogelijk aan de fiscus zou moeten terugbetalen, met wellicht ook een boete. Dit argument vormt voor het hof geen reden om tot een ander oordeel te komen en evenmin vindt het hof daarin aanleiding om nader onderzoek te doen naar de fiscale gevolgen van de partiële wijziging van de schenkingsovereenkomsten. Uit het schrijven van genoemde Geradts laat zich afleiden dat niet zeker is hoe de fiscus zich in een geval als het onderhavige behoort op te stellen. De uitkomst van mogelijke beslissingen van de fiscus en eventueel daarop volgend bezwaar en beroep behoeft noch behoort in deze civiele procedure te worden afgewacht. Het hof beslist hetgeen civielrechtelijk tussen partijen heeft te gelden. Als [appellante] gedeeltelijk uit haar verplichtingen uit de schenkingsovereenkomsten wordt ontslagen, zal zij er, met het oog op mogelijk te vrezen fiscale gevolgen, voor kunnen kiezen haar oorspronkelijke toezeggingen toch gestand te doen. Die vrijheid heeft zij. Desgewenst kan [appellante] in verband met mogelijke fiscale risico’s haar meer subsidiaire vordering ook nog intrekken.

2.16 Mogelijk heeft de onder 2.13 omschreven partiële wijziging van de schenkingsovereenkomsten evenzeer voor de stichtingen nadelige fiscale consequenties, maar ook hier geldt dat de vraag of en in hoeverre daarvan sprake is niet nader zal worden onderzocht. Het hof acht beslissend dat van [appellante], tot dusver de enige donateur van de stichtingen sedert 1998, in de gegeven omstandigheden niet kan worden gevergd dat zij het voortbestaan van de stichtingen blijft garanderen.

2.17 Het hof verwerpt het beroep van de stichtingen op artikel 6:258 lid 2 BW (Pleitnotities van mr. Van der Vleuten van 14 juni 2006, p. 6). De stichtingen hebben onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat de aard van de onderhavige overeenkomsten dan wel de verkeersopvattingen ertoe zouden nopen om de hierboven onder 2.9 - 2.11 genoemde omstandigheden voor rekening van [appellante] te laten komen.

2.18 Aangezien [appellante] de per datum inleidende dagvaarding uit hoofde van de overeenkomsten nog openstaande bedragen niet langer verschuldigd is, zal de op die bedragen betrekking hebbende reconventionele rentevordering van de stichtingen worden afgewezen.

3 De slotsom

3.1 Voor de beoordeling van [appellante]’s primaire vordering, voor zover gebaseerd op een beroep op dwaling in de persoon, alsook voor de beoordeling van haar subsidiaire vordering is nader onderzoek nodig. Alvorens in dat kader eventuele bewijsopdrachten te overwegen wenst het hof eerst kennis te nemen van de volledige jaarstukken van Ecliptica en Eleusis over de jaren vanaf 1997, respectievelijk 1998 tot heden, voorzien van de bijbehorende goedkeurende verklaringen en aanbiedingsbrieven van de registeraccountant en van de jaarverslagen (met verslag van de activiteiten). De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen voor akte aan de zijde van de stichtingen. [appellante] zal bij antwoordakte op deze bescheiden kunnen reageren.

3.2 [appellante] is in elk geval, overeenkomstig haar meer subsidiaire vordering, de per datum inleidende dagvaarding (22 maart 2005) uit hoofde van de schenkingsovereenkomsten nog openstaande bedragen niet langer verschuldigd. Dit betekent dat, indien en voor zover [appellante] na 22 maart 2005 nog betalingen mocht hebben verricht ter zake van de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomsten, zij die betalingen als onverschuldigd betaald kan terugvorderen.

3.3 De onder 3.1 vermelde bewijsvoering zal naar alle waarschijnlijkheid zeer tijdrovend zijn en de nodige kosten meebrengen. Aan partijen wordt in overweging gegeven zich te beraden omtrent de vraag of voortzetting van de procedure voor het krijgen van een eindbeslissing op het primair en subsidiair gevorderde opweegt tegen de nadelen van het voortprocederen, nu het hof zich reeds in bovenvermelde zin omtrent de meer subsidiaire vordering heeft uitgelaten. [appellante] zal desgewenst haar eis kunnen verminderen tot hetgeen toewijsbaar is volgens hetgeen hiervoor is overwogen en aldus bewijsvoering overbodig maken. In dat geval zal het hof aanstonds eindarrest wijzen. In de zaak 104.003.023 zullen alsdan de proceskosten worden gecompenseerd, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. (In de zaak 104.004.399 zullen de stichtingen in de proceskosten worden veroordeeld, zoals reeds is overwogen in het tussenarrest van 24 februari 2009 onder 6.40.)

3.4 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat de stichtingen de bescheiden genoemd onder 2.6 ter rolle van 22 september 2009 in het geding dienen te brengen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.M. Wattendorff en P.M.M. Mostermans, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2009.