Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK5873

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
24-002953-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huiselijk geweld. Aan verdachte is (onder meer) tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van aangeefster, zijn toenmalige vriendin. Aangeefster heeft, toen zij op verzoek van de verdediging door de rechter-commissaris werd gehoord, haar eerder bij de politie afgelegde, belastende verklaring ingetrokken. In eerste aanleg is aangeefster gehoord door de politierechter en zij heeft daar haar verklaring, die zij bij de rechter-commissaris had afgelegd, bevestigd. De politierechter heeft verdachte (onder meer) veroordeeld voor mishandeling. Het hof overweegt dat de verdediging tot tweemaal toe de gelegenheid heeft gehad om de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster te (doen) onderzoeken en dat daarmee is voldaan aan haar in artikel 6, derde lid aanhef en onder c, van het EVRM neergelegde recht. Tot het horen van de aangeefster als getuige ter terechtzitting in hoger beroep bestaat dan ook geen noodzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002953-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-410070-08

Arrest van 7 december 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 november 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. W.P. Maris, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd onder 1 en 2 en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van twee maanden met aftrek van de tijd door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, en de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf tot twee maanden.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof komt tot een andere beslissing op de vordering tenuitvoerlegging dan de eerste rechter. Daarom zal het vonnis worden vernietigd en opnieuw recht worden gedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 07 augustus 2008 in de gemeente [plaatsnaam] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangeefster]), in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft gestompt of geslagen en/of met de knie tegen haar borstkas heeft gestoten, althans tegen het lichaam heeft getrapt of geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 07 augustus 2008 in de gemeente [plaatsnaam], toen een aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaar verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had aangehouden en had vastgegrepen, althans vast had, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening, heeft verzet door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De verklaring van [aangeefster]

[Aangeefster] heeft bij de politie verklaard dat zij door verdachte is mishandeld. Hij heeft haar met een vuist in haar gezicht geslagen en een knietje op haar borstkas gegeven.

Op verzoek van de verdediging is aangeefster vervolgens door de rechter-commissaris gehoord. Bij de rechter-commissaris heeft aangeefster verklaard dat zij bij de politie een valse aangifte heeft gedaan en dat verdachte haar niet heeft geslagen of een knietje heeft gegeven. Wel heeft verdachte een beweging met zijn hand in de lucht gemaakt. Aangeefster is met haar hoofd tegen zijn hand gekomen. De wond op haar hoofd is door de nagels van verdachte ontstaan.

Ter terechtzitting bij de politierechter heeft aangeefster de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring bevestigd. Zij heeft verklaard dat zij onterecht aangifte had gedaan tegen verdachte.

Desgevraagd heeft de advocaat-generaal laten weten het niet noodzakelijk te achten de aangeefster in hoger beroep opnieuw ter terechtzitting te horen.

De raadsman is van mening dat de verklaring van de aangeefster bij de politie niet voor het bewijs gebruikt mag worden. Ingeval het hof zou overwegen deze verklaring wel te gebruiken, vindt de raadsman het opnieuw ter terechtzitting horen van aangeefster wel noodzakelijk.

Gelet op de verklaringen van aangeefster bij de rechter-commissaris en bij de politierechter, waarin zij haar eerder bij de politie afgelegde verklaring intrekt, ligt het in beginsel in de rede dat aangeefster ook ter terechtzitting van het hof wordt gehoord. Het hof acht het horen van aangeefster ter terechtzitting in hoger beroep echter niet noodzakelijk en overweegt daartoe als volgt.

In zaken als deze, waarin sprake is van huiselijk geweld of anderszins geweld in de relationele sfeer, komt het – naar het hof ambtshalve bekend is – zeer regelmatig voor dat aangeefsters eerder afgelegde, voor de verdachte belastende verklaringen intrekken. Dit gebeurt veelal uit angst of onder druk van de verdachte en/of diens omgeving. In dergelijke zaken is meestal sprake van een ontkennende verdachte en wenst de verdediging de aangeefster te doen horen door de rechter-commissaris.

Indien nu de aangeefster tegenover de rechter-commissaris haar aangifte intrekt of in hoge mate afzwakt, dient de rechtbank haar opnieuw als getuige te horen indien zij de tegenover de politie door de aangeefster afgelegde verklaring ten bewijze van het tenlastegelegde feit wil bezigen. Dat is ook in deze zaak gebeurd.

Nu wenst de verdediging dat de aangeefster voor de derde keer de gang naar de rechter maakt en voor de tweede keer ter openbare terechtzitting, thans die in hoger beroep, opnieuw komt verklaren. Dit is naar het oordeel van het hof teveel van het goede. De verdediging heeft tot tweemaal toe de gelegenheid gehad om de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster te (doen) onderzoeken. Daarmee is voldaan aan haar in artikel 6, derde lid aanhef en onder c, van het EVRM neergelegde recht.

Tot het horen van de aangeefster als getuige ter terechtzitting in hoger beroep bestaat dan ook geen noodzaak. Dit zou anders zijn, indien de rechter in eerste aanleg na het horen van de aangeefster ter terechtzitting geen geloof meer zou hebben gehecht aan haar tegenover de politie afgelegde verklaring. Dit is in de onderhavige zaak echter niet het geval.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de aangifte overweegt het hof het volgende.

Bij de rechter-commissaris heeft de aangeefster verklaard dat verdachte een beweging met zijn hand in de lucht maakte en met zijn nagel de huid van haar gezicht raakte, waardoor haar huid knapte. Ter terechtzitting van de politierechter heeft zij verklaard dat haar verklaring bij de rechter-commissaris overeenkomstig de waarheid is. De verdachte heeft ter terechtzitting van de politierechter verklaard dat hij zijn hand in de richting van de aangeefster heeft opgeheven en daarbij met zijn nagel haar wenkbrauw heeft geraakt. Ter terechtzitting van het hof heeft hij verklaard, dat hij een afwerend gebaar heeft gemaakt.

Aan de aldus geschetste gang van zaken hecht het hof geen geloof. Die is namelijk in strijd met de door de aangeefster tegenover de politie afgelegde, gedetailleerde verklaring. Die verklaring wordt bevestigd door het letsel, zoals dat is beschreven door de politie in de aangifte en zoals dat is te zien op de bij de aangifte gevoegde foto’s. Deze laten een verwonding zien die veel te omvangrijk is voor een lichte aanraking met een nagel.

Het hof acht daarom de door de aangeefster tegenover de politie afgelegde verklaring betrouwbaar en zal deze dan ook bezigen tot bewijs van het tenlastegelegde feit.

Opzet op de mishandeling

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken omdat hij geen opzet had op mishandeling van aangeefster. Hij heeft haar slechts in het gezicht geraakt, maar hij had geen opzet haar te mishandelen.

Het hof is van oordeel dat dit gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij op 07 augustus 2008 in de gemeente [plaatsnaam] opzettelijk mishandelend een persoon te weten [aangeefster], in het gezicht heeft gestompt of geslagen en met de knie tegen haar borstkas heeft gestoten, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 07 augustus 2008 in de gemeente [plaatsnaam], toen een aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaar verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één op heterdaad ontdekt strafbaar feit, had aangehouden en had vastgegrepen, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Mishandeling.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Wederspannigheid.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan huiselijk geweld. Huiselijk geweld is een ernstige vorm van geweld, waardoor het veiligheidsgevoel van het slachtoffer in de huiselijke omgeving, een omgeving waar iemand zich juist veilig zou moeten voelen, wordt aangetast. Daarnaast heeft verdachte zich verzet bij zijn aanhouding door de politie.

Uit een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 11 november 2009 blijkt dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van mishandeling en wederspannigheid tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Mede gelet hierop is het hof van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. Het hof acht oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Zwolle-Lelystad van 22 september 2005 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van twee maanden van de voorwaardelijk opgelegde straf gevorderd.

Verdachte is bij voormeld vonnis veroordeeld ter zake van een poging tot zware mishandeling tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is bij vonnis van de politierechter Zwolle van 22 juni 2006 verlengd met één jaar. Verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd wederom aan een geweldsdelict schuldig gemaakt. Uit een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 11 november 2009, blijkt dat verdachte reeds meermalen ter zake van geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Gelet op deze omstandigheden zal het hof, anders dan door de advocaat-generaal ter terechtzitting gevorderd, de volledige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf gelasten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 57, 63, 180 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

wijst af het verzoek tot het oproepen en horen van [aangeefster] als getuige;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

gelast de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij vonnis van de politierechter te Zwolle-Lelystad van 22 september 2005 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

heft op het op 18 september 2008 geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit arrest is aldus gewezen door mr H. Abbink, voorzitter, mr E. van der Herberg en

mr J.H.M. Zwinkels, in tegenwoordigheid van mr R. Salet als griffier.