Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK5728

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
200.011.198
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht; Uitleg sociaal plan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.011.198

(zaaknummer rechtbank 498246\CV EXPL 07-4157)

arrest van de vijfde civiele kamer van 28 juli 2009

inzake

de stichting

Stichting Lindenhout,

gevestigd te Arnhem,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.A.M.P. Keijser,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.M.A.P. van Pul.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 17 september 2007 en 28 april 2008 die de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) tussen principaal appellante/incidenteel geïntimeerde (hierna ook te noemen: Lindenhout) als gedaagde in conventie/eiseres in voorwaardelijke reconventie en principaal geïntimeerde/incidenteel appellant (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser in conventie/verweerder in voorwaardelijke reconventie heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Lindenhout heeft bij exploot van 22 juli 2008 [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 28 april 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Lindenhout zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Ook heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest:

1. in conventie: de vorderingen van [geïntimeerde], zoals opgenomen in de dagvaarding en akte correctie van eis in eerste aanleg, alsnog zal afwijzen,

2. in voorwaardelijke reconventie, uitsluitend voor het geval recht op wachtgeld L I zou bestaan:

a. voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] op grond van artikel 3 van de Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld geen recht heeft op wachtgeld,

b. voor recht zal verklaren dat de betaling van € 11.472,- bruto in mindering mag strekken op betalingen van Lindenhout uit hoofde van wachtgeld L I aan [geïntimeerde],

c. Lindenhout slechts zal veroordelen tot betaling van een wachtgeld L I tot december 2008,

3. met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof Lindenhout in haar grieven niet- ontvankelijk zal verklaren, althans deze ongegrond zal achten, en het bestreden vonnis zal bekrachtigen in conventie en in reconventie, met veroordeling van Lindenhout in de kosten van het hoger beroep.

Bij dezelfde memorie heeft [geïntimeerde] incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 28 april 2008 en heeft hij daartegen drie grieven aangevoerd en toegelicht. Ook heeft hij bewijs aangeboden. [geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep gevorderd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis:

- in conventie voor zover nodig zal vernietigen en, opnieuw recht doende:

I. zal verklaren voor recht dat de wachtgeldregeling L I conform de Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Jeugdzorg 2006/2007 (hierna ook te noemen: Jeugdzorg-CAO) van toepassing is op [geïntimeerde] op grond van artikel 57 lid 1 Jeugdzorg-CAO,

II. Lindenhout zal veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van de wachtgeldregeling L I conform de Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld van de Jeugdzorg-CAO vanaf 1 januari 2007 tot de leeftijd van [geïntimeerde] van 65 jaar, tot 1 januari 2015,

- in reconventie:

Lindenhout in haar grieven niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze ongegrond zal achten, en het bestreden vonnis zal bekrachtigen,

- in conventie en reconventie:

Lindenhout zal veroordelen tot betaling van een vergoeding terzake van buitengerechtelijke kosten tot 15% van de hoofdsom,

- met bekrachtiging van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en met veroordeling van Lindenhout in de kosten van de hoger beroepsprocedure.

[geïntimeerde] heeft ook producties in het geding gebracht.

2.4 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft Lindenhout verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde] in zijn incidentele grieven niet ontvankelijk zal verklaren, althans deze ongegrond zal achten, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de kantonrechter vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

3.1 Op grond van een arbeidsovereenkomst verrichtte [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum] 1950, met ingang van 5 november 1979 in dienst van (een rechtsvoorganger van) Lindenhout tegen loon arbeid.

3.2 Lindenhout houdt zich bezig met verschillende vormen van jeugdhulpverlening.

3.3 Stichting Nidos (hierna te noemen: Nidos) was door het Ministerie van Justitie aangewezen als gespecialiseerde landelijke (gezins)voogdij-instelling voor alleenstaande minderjarige asielzoekers.

3.4 Krachtens daartoe met (een rechtsvoorganger van) Nidos gesloten overeenkomsten droeg (een rechtsvoorganger van) Lindenhout middels de op 26 april 1991 daartoe opgerichte Stichting Huisvesting en Begeleiding minderjarige Vluchtelingen (hierna te noemen: HBV) zorg voor de begeleiding en huisvesting van minderjarige en jong volwassen vluchtelingen. HBV voerde dat uit door binnen door haar beheerde huizen opvang te verzorgen in zogenoemde kleine wooneenheden en kinderwoongroepen.

3.5 [geïntimeerde] was laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gedurende 28,5 uren per week bij HBV in een kleine wooneenheid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers werkzaam in de functie van mentor/begeleider tegen een bruto maandloon van € 2.044,11, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.

3.6 De Jeugdzorg-CAO is op de arbeidsovereenkomst van toepassing. De Jeugdzorg-CAO bepaalt in artikel 57:

“De wachtgeldregelingen zoals opgenomen in de Uitvoeringsregeling L I en L II zijn bedoeld als vangnetregelingen. (...)

1. Aan de werknemer (...) met wie een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en die wordt ontslagen vanwege vermindering of beëindiging van de werkzaamheden, reorganisatie of fusie van de voorziening, een en ander als gevolg van een door het Ministerie van VWS en/of het Ministerie van Justitie opgelegde bezuinigings- en/of saneringsmaatregel, wordt een wachtgeld toegekend overeenkomstig de bepalingen van Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld.

2. (...)

3. (...)

4. Indien lid 1 of lid 2 van dit artikel niet van toepassing is wordt aan de werknemer (...) met wie een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en die wordt ontslagen vanwege vermindering of beëindiging van de werkzaamheden, vanwege reorganisatie of fusie van de voorziening (...) een wachtgeld toegekend overeenkomstig de bepalingen van Uitvoeringsregeling L II Wachtgeld”.

3.7 De krachtens de Jeugdzorg-CAO vastgestelde Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld bepaalt:

“Artikel 3

1. Geen recht op wachtgeld bestaat voor de rechthebbende aan wie ontslag is aangezegd en die na die mededeling een hem aangeboden betrekking, die mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te aanvaarden.

2. (...)”.

3.8 De krachtens de Jeugdzorg-CAO vastgestelde Uitvoeringsregeling L II Wachtgeld bepaalt:

“Artikel 4

1. De duur van het wachtgeld bedraagt drie maanden voor elk vol jaar diensttijd bij de werkgever doorgebracht, zulks met een maximum van 24 maanden.

2. (...).

Artikel 5

1. Het wachtgeld is gelijk aan het bedrag dat nodig is om:

a. hetgeen de rechthebbende krachtens enige verzekering of voorziening tegen de gevolgen van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid kan genieten;

b. hetgeen de rechthebbende (...) als inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf (...) ontvangt (...);

c. (...)

aan te vullen tot:

- 93% van de berekeningsgrondslag gedurende de eerste drie maanden van de wachtgeldperiode;

- 83% van de berekeningsgrondslag gedurende de daaropvolgende 9 maanden;

- 73% van de berekeningsgrondslag gedurende de daaropvolgende 12 maanden.

2. (...)”.

3.9 Na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 per 1 april 2001, is het aantal asielzoekers in Nederland sterk gedaald. Ook is het nationale toelatings- en opvangbeleid gewijzigd. Als gevolg daarvan daalde de instroom van alleenstaande minderjarige asielzoekers, verloor Nidos haar bijzondere positie als landelijke (gezins)voogdij-instelling voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vindt de begeleiding en huisvesting van alleenstaande minderjarige asielzoekers sinds 1 januari 2003 plaats in pleeggezinnen, in speciale kinderwoongroepen en door het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers. Met ingang van 1 januari 2006 vindt de begeleiding en huisvesting van alleenstaande minderjarige asielzoekers plaats in pleeggezinnen, speciale kinderwoongroepen en speciale campussen. Door deze ontwikkelingen zag Lindenhout zich genoodzaakt om door HBV beheerde huizen te sluiten en uiteindelijk te stoppen met de begeleiding en huisvesting van minderjarige en jong volwassen vluchtelingen.

3.10 Wegens de reorganisatie kwam Lindenhout op 15 mei 2003 met de vereniging ABVA KABO/FNV en vereniging CFO/CNV Publieke Zaak een Sociaal Plan overeen. Dat Sociaal Plan bepaalt:

“Artikel 1.1. Werkingssfeer.

Dit Sociaal Plan is van toepassing op de in dienst zijnde werknemer (...) indien direct uit een maatregel van de rijksoverheid een vermindering of beëindiging van de werkzaamheden dan wel een reorganisatie met personele gevolgen voortvloeit.

(...)

Artikel 1.3.: Andere bepalingen

De regelingen zoals beschreven in dit Sociaal Plan gelden onverlet de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek en de CAO Jeugdhulpverlening.

(...)

Artikel 1.6.: Hardheidsclausule.

Het Sociaal Plan (...) wordt ten behoeve van de werknemers opgesteld. Ondanks alle goede bedoelingen kan het voorkomen, dat de uitwerking van de overeenkomst in een individuele situatie onbillijk voor een werknemer uitpakt. In een dergelijke onbillijke situatie kunnen de ondertekenaars van het Sociaal Plan in een voor de werknemer gunstige zijn afwijken.

(...)

Artikel 2.4: Voorkomen van ontslag

(...) Lindenhout zal zich inspannen gedwongen ontslagen zoveel mogelijk te voorkomen. Hiertoe worden de volgende maatregelen genomen:

1. Alle medewerkers van de HBV die intern solliciteren zullen met voorrang behandeld worden. Dit betekent dat bij sollicitatie hun kandidatuur eerst in behandeling genomen wordt, voordat de procedure voortgezet kan worden met eventuele andere interne kandidaten;

2. (...)

(...)

Artikel 3.1: Interne vacatures

Indien gedurende de looptijd van het Sociaal Plan een interne vacature binnen (...) Lindenhout ontstaat, neemt de werkgever de volgende bepalingen in acht:

1. De vacature wordt in eerste instantie onder de aandacht gebracht van de werknemer wiens arbeidsovereenkomst het eerst beoogd is te beëindigen. In een zo vroeg mogelijk stadium zal de werkgever contact opnemen met de betreffende werknemer met het doel tot overeenstemming te komen en de consequenties van het aanbod met betrokkene te bespreken.

2. (...)

3. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken nadat de werknemer op de functie geattendeerd is, deelt betrokkene mee of hij/zij de functie zal aanvaarden. (...).

4. Indien werknemer een passende functie niet accepteert, zal werkgever zich gedurende de periode tot ontslag, inspannen een ander aanbod te doen.

5. Bij aanvaarding van een functie in één lagere salarisschaal is een salarisgarantieregeling van toepassing.

Artikel 3.2: Aanbieding van een zelfde functie

1. Aan de werknemer die (…) aangewezen is als mobiliteitskandidaat, brengt de werkgever bij vacaturestelling zo mogelijk en bij voorkeur dezelfde functie onder de aandacht van de medewerker.

2. Indien betrokken werknemer dezelfde functie ook vervulde voordat hij/zij mobiliteitskandidaat werd, vervalt de reguliere sollicitatieprocedure.

Artikel 3.3: Aanbieding van een andere, passende functie

Bij het ontbreken van eenzelfde functie attendeert de werkgever de werknemer indien mogelijk op een andere vacante functie en wel in onderstaande volgorde:

1. Een functie in dezelfde salarisschaal waarvan de functie-eisen een grote marte van overeenstemming vertonen met de uitgeoefende functie;

2. Een maximaal één schaal lager gewaardeerde functie die is berekend voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer.

De werknemer solliciteert naar betreffende functie door verzending van een brief met motivatie en een curriculum vitae. Op grond van de status mobiliteitskandidaat heeft de mobiliteitskandidaat een voorrangspositie. Dit houdt in dat alleen de mobiliteitskandida(a)t(en) de procedure in gaan. Pas als de vacature niet vervuld blijkt te kunnen worden door een mobiliteitskandidaat, wordt de procedure voortgezet met andere (interne) kandidaten. (…)

Artikel 4.10. Faciliteiten oudere werknemers

Aan de werknemer waarvan, binnen het kader van het Sociaal Plan de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd en die op de datum van feitelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst 55 jaar of ouder is, garandeert de Stichting (...) Lindenhout het wachtgeld L-I van de CAO Jeugdhulpverlening tot het moment, waarop de ontslagen werknemer in aanmerking komt voor gebruikmaking van de Overbruggingsregeling van het PGGM. Dit onder voorbehoud van het verkrijgen van een WW-uitkering. (...)”.

3.11 Bij brief van 8 juni 2006 verzocht Lindenhout aan de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna ook te noemen: CWI) toestemming voor de opzegging van de arbeidsverhouding met [geïntimeerde]. Bij beslissing van 7 juli 2006 werd die verzochte toestemming verleend. In die CWI-beslissing is overwogen:

“Ik stel vast dat werkgever het verzoek doet hem toestemming te verlenen de arbeidsovereenkomst met de betrokken werknemer te mogen opzeggen op grond van bedrijfseconomische redenen. (...)

Ik stel vast dat er sprake is van een financieel-economische en organisatorische noodzaak voor de beoogde ingrijpende personeelsreductie op voldoende wijze aannemelijk is gemaakt. Het is aan de beleidsvrijheid van de werkgever voorbehouden in de gegeven situatie die maatregelen te treffen welke hem het meeste soelaas lijken te gaan bieden voor de continuïteit van de organisatie. Onlangs is in dit kader besloten tot sluiting van de HBV per 1 oktober 2006, waardoor de arbeidsplaats van werknemer komt te vervallen.

Alle arbeidsplaatsen komen te vervallen. (...)

Werkgever heeft zich voldoende ingespannen om werknemer te herplaatsen. Concrete herplaatsingsmogelijkheden ontbreken op dit moment”.

3.12 Als gevolg van de door Lindenhout bij brief van 26 juli 2006 aan [geïntimeerde] gedane opzegging is de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2007 geëindigd. [geïntimeerde] was bij het eindigen van de arbeidsovereenkomst 56 jaar oud.

3.13 Bij brief van 27 juli 2006 schreef Lindenhout aan [geïntimeerde]:

“Naar aanleiding van uw brief van 14 juni jl., waarin u een beroep doet op de hardheidsclausule van het “Sociaal Plan t.b.v. de reorganisatie HBV”, heb ik het volgende besluit genomen.

Wij bieden u met ingang van 1 januari 2007 de reguliere wachtgeldregeling L2.

Daarnaast bieden wij u een bedrag ineens ter hoogte van € 11.472,00 bruto. Dit bedrag is gebaseerd op de berekening van de werkgeversbijdrage in uw pensioenvoortzetting tussen uw 62e en 65e levensjaar.

In uw specifieke situatie acht ik deze tegemoetkoming verantwoord”.

3.14 Bij brief van 25 januari 2007 werd in opdracht van Lindenhout aan [geïntimeerde] geschreven:

“Op grond van het gestelde in artikel 57, lid 4 van de CAO Jeugdzorg heeft u met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, recht op een wachtgeld van uw ex-werkgever overeenkomstig de Uitvoeringsregeling Wachtgeld LII. (...)

Het wachtgeld wordt (...) toegekend over het tijdvak van 01-01-2007 tot 01-01-2009”.

3.15 Bij brief van 29 maart 2007 is van de zijde van ABVA KABO/FNV aan (de gemachtigde van) [geïntimeerde] geschreven:

“Het is de bedoeling van ABVAKABO FNV geweest in het Sociaal Plan een vangnet te creëren voor de gevolgen van de HBV reorganisatie.

De CAO Jeugdzorg is de basis waarop eventuele wachtgeldaanspraken (L1 of L2) gebaseerd kunnen worden. Aanvullend is in het Sociaal Plan de L1-regeling van toepassing verklaard voor de oudere werknemers/ aanstaande OBU-ers. (...)

De onderhavige situatie hebben wij niet voorzien. Om het hierboven gestelde met betrekking tot het vangnet waar te maken, is een hardheidsclausule in het Sociaal Plan opgenomen. Hierop zou uw cliënt een beroep kunnen doen”.

3.16 Het op grond van de hardheidsclausule eenmalig aan [geïntimeerde] toegekende bedrag van

€ 11.472,00 bruto, is op 31 mei 2007 door Lindenhout uitbetaald op de koopsompolis van [geïntimeerde].

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Zakelijk weergegeven is op vordering van [geïntimeerde] bij het bestreden vonnis in conventie voor recht verklaard dat de Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld van de Jeugdzorg-CAO op [geïntimeerde] van toepassing is op grond van artikel 4.10 Sociaal Plan, is Lindenhout daarbij veroordeeld om dat wachtgeld te betalen over de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2010 en is Lindenhout veroordeeld tot betaling van de proceskosten in conventie.

Kort samengevat is bij het bestreden vonnis in voorwaardelijke reconventie afgewezen de door Lindenhout gevorderde verklaringen voor recht dat [geïntimeerde] op grond van Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld van de Jeugdzorg-CAO geen recht heeft op wachtgeld en dat de betaalde € 11.472,00 bruto in mindering mag strekken op betalingen van dat wachtgeld. Daarbij is in voorwaardelijke reconventie ook afgewezen de door Lindenhout gevorderde veroordeling van Lindenhout om dat wachtgeld slechts te betalen tot 1 december 2008 en is Lindenhout veroordeeld tot betaling van de proceskosten in voorwaardelijke reconventie.

4.2 Met de grieven 1, 2, 3 en 4 in principaal beroep legt Lindenhout aan het hof voor de in het bestreden vonnis in conventie uitgesproken verklaring voor recht dat Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld van de Jeugdzorg-CAO op [geïntimeerde] van toepassing is op grond van artikel 4.10 Sociaal Plan. Die grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.3 Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de wachtgeldregeling ingevolge Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld voor [geïntimeerde] gunstiger en voor Lindenhout duurder is, dan die ingevolge Uitvoeringsregeling L II Wachtgeld.

4.4 [geïntimeerde] beroept zich op het voor (personeel van) Nidos geldende sociaal plan en de wijze waarop Nidos daaraan uitvoering heeft gegeven, maar daaraan kan [geïntimeerde] geen rechten ontlenen. Dat sociaal plan bindt Lindenhout en [geïntimeerde] niet, is niet van toepassing op de reorganisatie van Lindenhout en staat buiten de tussen partijen bestaande arbeidsverhouding. Nidos en Lindenhout zijn twee te onderscheiden rechtspersonen die ieder zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnemen en arbeidsverhoudingen hebben met hun eigen werknemers. Niet is gesteld of gebleken dat Nidos op enigerlei wijze bevoegd is om Lindenhout rechtens te binden, zeker niet waar het de arbeidsverhoudingen tussen Lindenhout en haar werknemers betreft. Tussen partijen geldt alleen het wegens de reorganisatie door Lindenhout op 15 mei 2003 met de vereniging ABVA KABO/FNV en vereniging CFO overeengekomen Sociaal Plan.

4.5 Voor zover hier van belang bepaalt artikel 4.10 van dat Sociaal Plan dat Lindenhout aan de werknemer waarvan de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, het wachtgeld L I van de Jeugdzorg-CAO garandeert tot het moment waarop de ontslagen werknemer in aanmerking komt voor gebruikmaking van de Overbruggingsregeling van het PGGM (hierna te noemen: Overbruggingsregeling). Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] - nu hij is geboren op [geboortedatum] 1950 - (net) niet voor gebruikmaking van de Overbruggingsregeling in aanmerking komt. Lindenhout stelt dat niet is voldaan aan het volgens artikel 4.10 Sociaal Plan geldende vereiste dat recht moet ontstaan op toetreding tot de Overbruggingsregeling. Nu [geïntimeerde] betwist dat dit vereiste wordt gesteld, spitst het geschil zich toe op de uitleg van artikel 4.10 Sociaal Plan.

4.6 Omdat het daarbij gaat om de uitleg van bewoordingen die mede door anderen dan partijen zijn opgesteld, waarbij [geïntimeerde] niet betrokken was en niet kenbaar is wat daarbij de bedoeling van de toenmalige opstellers was, dient de uitleg in beginsel naar objectieve maatstaven plaats te vinden. Aan de in het Sociaal Plan gebruikte bewoordingen gelezen in de context van het Sociaal Plan, komt voor die uitleg veel gewicht toe, nu het naar haar aard is bestemd de rechtspositie te beïnvloeden van werknemers die de bedoeling van de opstellers niet kunnen kennen, terwijl het Sociaal Plan ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen. Dit leidt niet tot een louter taalkundige uitleg, maar betekent dat bij een uitleg acht kan worden geslagen op bijvoorbeeld de ratio van hetgeen in het Sociaal Plan is geregeld en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe verschillende mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Tussen partijen is niet in geschil dat het Sociaal Plan geen andere bepaling bevat die regelt dat Lindenhout (ook) voor de ontslagen werknemer voor wie geen aanspraak op de Overbruggingsregeling ontstaat, het wachtgeld L I van de Jeugdzorg-CAO tot enig moment garandeert. Artikel 4.10 Sociaal Plan bepaalt alleen dat Lindenhout dit wachtgeld L I garandeert tot het moment waarop de ontslagen werknemer in aanmerking komt voor gebruikmaking van de Overbruggingsregeling, zodat de bewoordingen er op duiden dat die garantie ook alleen is bedoeld te gelden voor de ontslagen werknemer voor wie ooit recht ontstaat op toetreding tot de Overbruggingsregeling. Voor de ontslagen werknemer voor wie dat recht niet ontstaat, volgt uit artikel 4.10 Sociaal Plan niet tot welk moment de daarin geregelde garantie dan zou gelden. Niet aannemelijk is dat de gevolgen waartoe de door [geïntimeerde] voorgestane tekstinterpretatie van artikel 4.10 Sociaal Plan zou leiden, met dat artikel ook daadwerkelijk zijn beoogd. Op de ontslagen werknemer voor wie geen recht ontstaat op toetreding tot de Overbruggingsregeling, is de in artikel 4.10 Sociaal Plan duidelijk verwoorde beperking van de garantie immers niet van toepassing, hetgeen - naar Lindenhout onweersproken stelt - dan tot veel meer en langere uitbetalingen aan wachtgeld L I leidt dan in het daarin verwoorde geval van de ontslagen werknemer voor wie dat recht wel ontstaat. Dat de opstellers met artikel 4.10 Sociaal Plan alleen het oog hebben gehad op de ontslagen werknemer voor wie die aanspraak wel ontstaat en daarmee niet tevens een regeling hebben willen geven voor hen die een dergelijke aanspraak niet krijgen, ziet het hof ook bevestigd in de (onder r.o. 3.15 aangehaalde) brief van 29 maart 2007.

4.7 Lindenhout komt dus terecht op tegen de in het bestreden vonnis gegeven uitleg van artikel 4.10 Sociaal Plan zodat dit vonnis moet worden vernietigd. Als gevolg daarvan ligt het in het bestreden vonnis beslechte geschil binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep ter beslissing aan het hof voor. Mede gelet op de door partijen in principaal en incidenteel beroep geformuleerde vorderingen liggen daarmee de navolgende vorderingen thans ter beslissing aan het hof voor.

4.8 Samengevat heeft [geïntimeerde] in conventie gevorderd bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest

- primair:

- verklaring voor recht dat de wachtgeldregeling L I conform de Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld van de Jeugdzorg-CAO van toepassing is op [geïntimeerde] op grond van artikel 57 lid 1 Jeugdzorg-CAO,

- veroordeling van Lindenhout tot betaling aan [geïntimeerde] van de wachtgeldregeling L I conform de Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld van de Jeugdzorg-CAO vanaf 1 januari 2007 tot de leeftijd van [geïntimeerde] van 65 jaar (tot 1 januari 2015),

- subsidiair:

- verklaring voor recht dat de opzegging van het dienstverband door Lindenhout met ingang van 1 januari 2007 kennelijk onredelijk is,

- veroordeling van Lindenhout tot betaling aan [geïntimeerde] van een naar billijkheid te betalen bedrag aan schadevergoeding, tenminste tot een bedrag van € 75.492,15 bruto, wegens de kennelijk onredelijke opzegging van het dienstverband,

- alsmede:

- veroordeling van Lindenhout tot betaling aan [geïntimeerde] van een vergoeding wegens buitengerechtelijke (incasso)kosten tot 15% van de hoofdfsom, en

- veroordeling van Lindenhout in de proceskosten.

4.9 In voorwaardelijke reconventie, uitsluitend voor het geval recht op wachtgeld L 1 mocht bestaan, heeft Lindenhout gevorderd

- verklaring voor recht dat [geïntimeerde] op grond van artikel 3 van de Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld geen recht heeft op wachtgeld,

verklaring voor recht dat de betaling van € 11.472,- bruto in mindering mag strekken op betalingen van Lindenhout uit hoofde van wachtgeld L I aan [geïntimeerde],

- veroordeling van Lindenhout tot betaling van een wachtgeld L I tot slechts december 2008, en

- veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.10 Met betrekking tot de door [geïntimeerde] in conventie primair gevorderde verklaring voor recht dat de wachtgeldregeling L I van toepassing is op grond van artikel 57 lid 1 Jeugdzorg-CAO, overweegt het hof als volgt.

4.11 Voor zover hier van belang bepaalt artikel 57 lid 1 Jeugdzorg-CAO dat aan de werknemer die wordt ontslagen vanwege vermindering of beëindiging van de werkzaamheden, reorganisatie of fusie van de voorziening als gevolg van een door het Ministerie van VWS en/of het Ministerie van Justitie opgelegde bezuinigings- en/of saneringsmaatregel, een wachtgeld wordt toegekend overeenkomstig Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld. Partijen verschillen van mening over de vraag of [geïntimeerde] in termen van dat artikel is ontslagen als gevolg van opgelegde bezuinigings- en/of saneringsmaatregelen. Hier spitst het geschil zich toe op de uitleg van artikel 57 lid 1 Jeugdzorg-CAO.

4.12 Omdat het hierbij gaat om de uitleg van CAO-bewoordingen die door anderen dan partijen zijn opgesteld en niet kenbaar is wat daarbij de bedoeling van de opstellers was, dient ook hier tot uitgangspunt dat de uitleg van artikel 57 lid 1 Jeugdzorg-CAO naar objectieve maatstaven dient plaats te vinden. Daarbij dient aan de gebruikte bewoordingen veel gewicht te worden toegekend, nu de Jeugdzorg-CAO naar haar aard bestemd is de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de opstellers van de Jeugdzorg-CAO niet kunnen kennen, terwijl de Jeugdzorg-CAO er nu juist toe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen. Dat leidt ook hier niet tot een slechts taalkundige uitleg maar betekent wel dat aan de gebruikte bewoordingen veel gewicht dient te worden toegekend, zeker nu onbestreden is dat een daarbij geformuleerde toelichting ontbreekt en er geen aanleiding bestaat hierbij acht te slaan op elders gebruikte CAO-formuleringen. Voor zover hier van belang en met inachtneming van het voorgaande, dient artikel 57 lid 1 Jeugdzorg-CAO zo te worden uitgelegd dat aan de werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die wordt ontslagen vanwege beëindiging van de werkzaamheden een wachtgeld wordt toegekend overeenkomstig de bepalingen van Uitvoeringsregeling L I Wachtgeld, indien die beëindiging het gevolg is van een door de overheid in het kader van de jeugdzorg aan de werkgever opgelegde bezuinigings- en/of saneringsmaatregel. Artikel 57 lid 1 Jeugdzorg-CAO geeft immers geen regeling voor elk geval waarin een beëindiging zijn oorzaak vindt in een bezuinigings- en/of saneringsmaatregel van overheidswege, maar alleen voor het geval dat het zijn oorzaak vindt in een dergelijke maatregel die afkomstig is van het Ministerie van VWS en/of het Ministerie van Justitie aan wier Ministers in het kader van de toenmalige Wet op de Jeugdzorg bijzondere taken en bevoegdheden waren opgedragen, en die bovendien als bezuinigings- en/of saneringsmaatregel werd opgelegd door een van die beide Ministeries. Partijen verschillen van mening over de (door de kantonrechter negatief beantwoorde) vraag of de wijziging in nationale wet- en regelgeving en in beleid en uitvoeringspraktijk op het gebied van het vreemdelingenrecht als een bezuinigings- en/of saneringsmaatregel van overheidswege kan worden aangemerkt. Nog daargelaten dat die bedoelde wijziging niet is aan te merken als bezuinigings- en/of saneringsmaatregel maar gericht is op de regulering van (de gevolgen van) de toestroom aan vreemdelingen, is een daarop gevolgd ontslag vanwege beëindiging van de werkzaamheden niet het gevolg van een door de overheid in het kader van de jeugdzorg aan Lindenhout opgelegde bezuinigings- en/of saneringsmaatregel. Nu niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] is ontslagen vanwege beëindiging van de werkzaamheden als gevolg van een door de overheid in het kader van de jeugdzorg aan Lindenhout opgelegde bezuinigings- en/of saneringsmaatregel, is de door [geïntimeerde] in conventie primair gevorderde verklaring voor recht dat de wachtgeldregeling L I van toepassing is op grond van artikel 57 lid 1 Jeugdzorg-CAO niet toewijsbaar. Gelet hierop moet de door [geïntimeerde] in conventie primair gevorderde veroordeling van Lindenhout tot betaling van de wachtgeldregeling L I worden afgewezen. Dit brengt mee dat ook de door [geïntimeerde] in conventie primair gevorderde veroordeling van Lindenhout tot betaling van de wachtgeldregeling L I tot de leeftijd van [geïntimeerde] van 65 jaar, niet toewijsbaar is.

4.13 Lindenhout stelt haar vordering in reconventie voorwaardelijk in, namelijk uitsluitend voor het geval voor [geïntimeerde] recht op wachtgeld L 1 mocht bestaan. Nu uit het voorgaande volgt dat die voorwaarde niet is vervuld, behoeft de door Lindenhout in reconventie voorwaardelijk ingestelde vordering geen bespreking.

4.14 [geïntimeerde] baseert de in conventie subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat de opzegging van het dienstverband door Lindenhout kennelijk onredelijk is, op een gestelde kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst met betrekking tot de gevolgen van die opzegging. Naar aanleiding daarvan overweegt het hof in algemene zin het volgende met betrekking tot de gevallen waarin een werknemer een beroep doet op de kennelijke onredelijkheid van de opzegging op grond van het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW.

4.15 Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen (o.a. HR 15 februari 2008, NJ 2008, 111). Hierbij kunnen onder meer de hierna genoemde omstandigheden een rol spelen.

1. Algemeen: dienstverband en opzegging

- opzeggingsgrond: risicosfeer werkgever/werknemer

- de noodzaak voor de werkgever het dienstverband te beëindigen

- de duur van het dienstverband

- de leeftijd van de werknemer bij einde dienstverband

- de wijze van functioneren van de werknemer

- de door de werkgever bij de werknemer gewekte verwachtingen

- de financiële positie van de werkgever

- ingeval van een arbeidsconflict: pogingen van partijen om een oplossing te bereiken ter

vermijding van een ontslag

bij arbeidsongeschiktheid zijn specifieke omstandigheden:

o de relatie tussen de arbeidsongeschiktheid en het werk

o de verwijtbaarheid van de werkgever ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid

o de aard, de duur en de mate van de arbeidsongeschiktheid (kansen op (volledig) herstel)

o de opstelling van de werkgever ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid, met name voor wat betreft de reïntegratie

o de inspanningen van de werknemer ten behoeve van zijn reïntegratie

o de geboden financiële compensatie tijdens de arbeidsongeschiktheid (bijvoorbeeld aanvulling loon, lengte van het dienstverband na intreden arbeidsongeschiktheid)

2. Ander (passend) werk

- de inspanningen van de werkgever en de werknemer om binnen de onderneming van de werkgever ander (passend) werk te vinden (bijvoorbeeld door om- of bijscholing)

- flexibiliteit van de werkgever/werknemer

- de kansen van de werknemer op het vinden van ander (passend) werk (waarbij opleiding, arbeidsverleden, leeftijd, arbeidsongeschiktheid en medische beperkingen een rol kunnen spelen)

- de inspanningen van de werknemer om elders (passend) werk te vinden (bijvoorbeeld outplacement)

- vrijstelling van werkzaamheden gedurende de (opzeg)termijn

3. Financiële gevolgen van een opzegging

- de financiële positie waarin de werknemer is komen te verkeren, waarbij van belang kunnen zijn eventuele inkomsten op grond van sociale wetgeving en eventuele pensioenschade

4. Getroffen voorzieningen en financiële compensatie

- reeds aangeboden/betaalde vergoeding

- vooraf individueel overeengekomen afvloeiingsregeling

- sociaal plan (eenzijdig opgesteld of overeengekomen met vakorganisaties of ondernemingsraad).

4.16 Indien is geoordeeld dat de opzegging kennelijk onredelijk is, komt de schadevergoeding aan de orde. De hoogte van de schadevergoeding wordt als volgt begroot.

Schadevergoeding = X x Y x Z

X-factor: het aantal gewogen dienstjaren.

Voor de berekening van X wordt de diensttijd afgerond op hele jaren. Vervolgens worden de dienstjaren op de volgende wijze gewogen: dienstjaren voor het 40e levensjaar tellen voor 1, van het 40e tot het 50e voor 1,5 en elk dienstjaar vanaf het 50e telt voor 2. Een periode van meer dan zes maanden wordt naar boven afgerond.

Y-factor: laatstverdiende salaris.

Bij de berekening van Y zal worden uitgegaan van het bruto maandsalaris, in ieder geval vermeerderd met vaste en overeengekomen looncomponenten, zoals vakantietoeslag, een vaste dertiende maand, een structurele overwerkvergoeding en een vaste ploegentoeslag. Behoudens zeer uitzonderlijke gevallen zullen niet tot Y (laatstverdiende salaris) worden gerekend: het werkgeversaandeel pensioenpremie, de auto van de zaak, onkostenvergoedingen, het werkgeversaandeel in de ziektekostenverzekering en niet structurele looncomponenten (bijvoorbeeld niet structurele bonus).

Z-factor: correctiefactor.

In de Z-factor worden alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag gewogen, onder meer de hiervoor genoemde omstandigheden. Uitgangspunt is Z=0,5. Daarbij heeft te gelden dat deze factor beoogt in beginsel de maximale schadevergoeding bij een kennelijk onredelijke opzegging vast te leggen. Slechts in bijzondere gevallen kan deze factor hoger uitvallen dan 0,5. De Z-factor van 0,5 beoogt aan te sluiten bij de bestaande praktijk van de (gepubliceerde en ongepubliceerde) rechtspraak van de hoven van de laatste jaren.

Afronding: de schadevergoeding wordt afgerond in ronde getallen en betreft een brutobedrag.

Maximering: de schadevergoeding zal in beginsel niet hoger zijn dan de verwachte inkomstenderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd.

4.17 Het vorenstaande in aanmerking nemende, overweegt het hof in de onderhavige zaak als volgt.

4.18 Dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst berust op de onbestreden bedrijfseconomische grond en ook volgens de daarvoor geldende regels is geschied, belet niet dat de opzegging vanwege de gevolgen kennelijk onredelijk kan zijn. De opzegging kan vanwege de gevolgen kennelijk onredelijk zijn, indien Lindenhout de onevenredigheid tussen haar eigen belang bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de te verwachten nadelige gevolgen daarvan voor [geïntimeerde], uit het oog heeft verloren. In dit geval kunnen de door Lindenhout ingeroepen bedrijfseconomische omstandigheden als zodanig niet aan [geïntimeerde] worden toegerekend, maar komen die omstandigheden voor risico van Lindenhout. Niet is echter gesteld of gebleken dat Lindenhout een verwijt daarvan kan worden gemaakt. Op

1 januari 2007 was [geïntimeerde] 56 jaar oud en kwam een einde aan zijn ruim 27-jarige dienstverband. Niet is gesteld of gebleken van relevante kritiek op het functioneren van [geïntimeerde] in die jaren. [geïntimeerde] stelt dat zijn kansen op de arbeidsmarkt vanwege zijn leeftijd en eenzijdige werkervaring slecht zijn, maar ondanks de betwisting door Lindenhout onderbouwt en staaft hij dat verder niet. Daarentegen heeft Lindenhout op haar kosten een loopbaanheroriëntatietraject aangeboden, die [geïntimeerde] in de tweede helft van 2005 ook heeft doorlopen. Sinds begin 2006 zond Lindenhout [geïntimeerde] bij herhaling en maandenlang tevens geschikt geachte vacaturemeldingen van voor hem passend geachte functies, ook van functies die [geïntimeerde] in het verleden had vervuld. Voor zover [geïntimeerde] stelt dat het functies betrof die vanwege zijn persoonlijkheid en omstandigheden niet passend waren, is niet gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] dat standpunt toen ook aan Lindenhout kenbaar heeft gemaakt. Verder is [geïntimeerde] in aansluiting op het einde van zijn dienstverband op grond van artikel 57 lid 4 Jeugdzorg-CAO tot 1 januari 2009 een wachtgeld overeenkomstig Uitvoeringsregeling L II Wachtgeld toegekend, waarmee - naar tussen partijen niet in geschil is - een bedrag van € 5.138,35 bruto is gemoeid. Daarnaast heeft Lindenhout aan [geïntimeerde] op grond van de in artikel 1.6 Sociaal Plan neergelegde hardheidsclausule nog een bedrag van € 11.472,00 bruto betaald. Alle omstandigheden (tezamen en in onderling verband beschouwd) in aanmerking genomen, oordeelt het hof de opzegging vanwege de gevolgen niet kennelijk onredelijk en dient de door [geïntimeerde] in conventie subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat de opzegging van het dienstverband door Lindenhout kennelijk onredelijk is, te worden afgewezen. Het hof zal de door [geïntimeerde] in conventie subsidiair gevorderde veroordeling van Lindenhout tot betaling van een vergoeding wegens de kennelijk onredelijke opzegging van het dienstverband, afwijzen.

4.19 Nu de door [geïntimeerde] in conventie primair en subsidiair ingestelde vorderingen worden afgewezen, zal het hof ook de in conventie gevorderde veroordeling van Lindenhout tot betaling van een vergoeding wegens buitengerechtelijke (incasso)kosten, afwijzen.

Slotsom

4.20 Lindenhout komt in principaal hoger beroep terecht op tegen het bestreden vonnis. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de conventionele vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. Op de door Lindenhout in reconventie voorwaardelijk ingestelde vordering behoeft niet te worden beslist. Het hof zal het incidenteel hoger beroep verwerpen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie worden veroordeeld en zal Lindenhout in de kosten van de eerste aanleg in reconventie worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in principaal hoger beroep:

vernietigt het vonnis van 28 april 2008 dat de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) tussen partijen in conventie en in reconventie heeft gewezen en doet opnieuw recht;

wijst de vordering in conventie van [geïntimeerde] af en veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg in conventie, aan de zijde van Lindenhout begroot op € 800,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt Lindenhout in de kosten van de eerste aanleg in reconventie, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 400,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Lindenhout begroot op € 1.631,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 365,74 voor griffierecht en kosten appeldagvaarding;

in incidenteel hoger beroep:

verwerpt het incidenteel beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Lindenhout begroot op € 815,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

in principaal en incidenteel hoger beroep:

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. Wammes, C.J.H.G. Bronzwaer en M.G.W.M. Stienissen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juli 2009.