Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK5392

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
04-12-2009
Zaaknummer
08-00193
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO5080, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO5080
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep.

Rechtbank Arnhem 13 maart 2008, nr. 07/2564.

Loonbelasting. Naheffing ter zake van anonieme werknemers bij uitzendbureau is terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2686 met annotatie van Meijer
V-N 2010/19.1.2

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00193

uitspraakdatum: 10 november 2009

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X BV te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 13 maart 2008, nummer AWB 07/2564, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over het tijdvak 20 december 2001 tot en met 31 december 2003. Voorts is bij beschikking een boete opgelegd van € 6.474.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de boete. Bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.224 en de boetebeschikking vernietigd.

1.3. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 17 april 2008 ingekomen ter griffie van de Rechtbank, die het beroep heeft doorgezonden aan het Hof.

1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek. Belanghebbende heeft brieven met dagtekening 10 november 2008, 6 mei 2009 en 19 juli 2009 ingezonden. De Inspecteur heeft een brief met dagtekening 24 november 2008 ingezonden.

1.7. Ter zitting van 5 augustus 2009 te Arnhem zijn behandeld het beroep van belanghebbende en het beroep van A met kenmerk 08/00194. Daarbij zijn verschenen en gehoord A namens belanghebbende, bijgestaan door een tolk, en de Inspecteur. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.8. Nadien heeft belanghebbende bij brief van 9 augustus 2009 nadere stukken ingezonden. Op verzoek van het Hof heeft de Inspecteur bij brief van 7 augustus 2009 nadere inlichtingen verstrekt. Bij brief met bijlagen van 27 augustus 2009 heeft belanghebbende daarop gereageerd.

1.9. Met dagtekening 3 september 2009 en 7 september 2009 hebben de Inspecteur, respectievelijk belanghebbende toestemming verleend uitspraak te doen zonder nadere mondelinge behandeling.

2. De vaststaande feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar hetgeen is opgenomen in de uitspraak van de Rechtbank. In aanvulling daarop stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is opgericht op 20 december 2001 onder de naam B BV. Op 29 november 2006 is haar naam gewijzigd in X BV. Haar enig directeur is A. Zij is 24 oktober 2007 failliet verklaard met benoeming van C tot curator.

2.2. Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige tijdvak een uitzendbureau voor schoonmaakwerk en lager geschoold productiewerk. In 2003 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat van 50 werknemers niet de vereiste afschriften van identiteitsbewijzen bij de loonadministratie voorhanden waren en dat ten aanzien van deze werknemers ten onrechte toepassing van het anoniementarief achterwege was gelaten. Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van 16 werknemers toepassing van het anoniementarief ten onrechte achterwege was gelaten. Bij de uitspraak op bezwaar is hij ervan uitgegaan dat ten aanzien van 6 werknemers toepassing van het anoniementarief ten onrechte achterwege was gelaten. Na de uitspraak op bezwaar betreft dit de volgende werknemers:

? Van de werknemer D was geen identiteitsbewijs in de administratie aanwezig.

? Van de werknemer E waren slechts kopieën aanwezig van een ‘Inlegblad behorende bij W. Document’ en van ‘Verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures’.

? Bij de loonadministratie was een kopie voorhanden van een paspoort ten name van F. Een kopie daarvan bevindt zich bij de stukken van het geding. Op de foto was een gedeelte van een stempelafdruk aanwezig. Deze stempelafdruk liep niet door op het paspoort.

? Van het paspoort van G waren bij de loonadministratie twee kopieën aanwezig met verschillende foto’s.

? In het paspoort van H ontbreken bij de pasfoto de kartelrand, postcode en kroontje, is de vermelding van de geboorteplaats niet uitgelijnd met de overige gegevens en wijkt de handtekening duidelijk af van de naam.

? In de identiteitskaart ten name van I zit de pasfoto scheef en ontbreekt de kartelrand.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd en of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van schade die hij heeft geleden door het opleggen van de naheffingsaanslag en de lange duur van de behandeling van het bezwaar tegen die naheffingsaanslag.

3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag en de boete en tot veroordeling van de inspecteur tot vergoeding van geleden schade. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 27j, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) juncto artikel 8:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn de artikelen 25, 27 en 31 van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing op deze procedure.

4.2. Ten tijde van de faillietverklaring was het beroep bij de Rechtbank aanhangig. De Inspecteur heeft niet verzocht het geding te schorsen teneinde de curator tot overneming van het geding op te roepen en evenmin ontslag van de instantie gevraagd. Ook heeft de curator het proces niet overgenomen. De Rechtbank heeft naar ’s Hofs oordeel terecht belanghebbende als partij in het geding aangemerkt.

4.3. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft niet verzocht het geding te schorsen teneinde de curator tot overneming van het geding op te roepen en evenmin ontslag van de instantie gevraagd. De curator heeft de griffier desgevraagd telefonisch bericht de procedure niet te zullen overnemen. Het Hof zal dan ook belanghebbende als partij in dit geding aanmerken (vergelijk Hoge Raad 18 november 1983, nr. 12.154, NJ 1984, 256).

4.4. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag opgelegd omdat ten aanzien van uiteindelijk zes werknemers niet was voldaan aan de identificatieplicht en belanghebbende niettemin toepassing van het anoniementarief achterwege had gelaten. Naar het oordeel van het Hof had belanghebbende de hiervoor onder 2.2. vermelde gebreken kunnen en moeten herkennen en daaruit kunnen en moeten afleiden dat deze zes werknemers niet aan de identificatieverplichting hadden voldaan. Belanghebbende heeft niet alsnog aan zijn verplichtingen voldaan door het alsnog overleggen van een kopie van een paspoort op naam van D (bijlage 139A bij zijn brief van 27 augustus 2009). Belanghebbende heeft nog gesteld dat enkele van de werknemers met gebruikmaking van dezelfde identiteitsbewijzen bij de Belastingdienst een sofinummer toegekend hebben gekregen. Deze stelling heeft belanghebbende evenwel niet aannemelijk gemaakt.

4.5. Belanghebbende heeft dusdoende niet voldaan aan de verplichting ingevolge artikel 28, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964 jo artikel 66, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 om bij de loonadministratie een afschrift van het identiteitsbewijs voor controle beschikbaar te houden. Uit het vorenoverwogene volgt dat het in artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen tarief (het ‘anoniementarief’) van toepassing is op het loon van de hiervoor vermelde werknemers. Belanghebbende heeft door dit tarief niet toe te passen te weinig loonbelasting/premie volksverzekeringen ingehouden en afgedragen. De Inspecteur heeft het tekort terecht nageheven. Belanghebbende heeft de berekening van de naheffingsaanslag als zodanig niet betwist. De uitspraak op bezwaar is derhalve naar ’s Hofs oordeel juist.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank een juiste beslissing genomen. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de wederpartij in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof heeft moeten maken.

6. Schadevergoeding

Belanghebbende heeft verzocht de Inspecteur te veroordelen in door hem geleden schade. Het Hof heeft daartoe ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht slechts de bevoegdheid indien het beroep gegrond wordt verklaard. Nu het beroep ongegrond is, kan het Hof geen schadevergoeding toekennen.

7. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, C.M. Ettema en P.M. van Schie, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 10 november 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 november 2009

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.