Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK4756

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
30-11-2009
Zaaknummer
21-001740-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van artikel 231 en 225 Sr.

Beroep op artikel 31 Vluchtelingenverdrag moet worden gezien als een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het OM. Dit beroep wordt verworpen. Verdachte heeft zich niet onverwijld bij de autoriteiten gemeld en aangegeven dat hij valse papieren in zijn bezit had en asiel wenste aan te vragen. Verdachte heeft derhalve niet te goeder trouw gehandeld en daarmee een eventueel recht op bescherming tegen de strafwet verspeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001740-09

Uitspraak d.d.: 12 november 2009

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem van 28 april 2009 in de strafzaak tegen

verdachte.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 oktober 2009 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.H. Staring, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 januari 2009 te Arnhem, opzettelijk gebruik heeft

gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een paspoort,

welk gebruik hierin bestond dat verdachte (nadat hem door een

opsporingsambtenaar werd gevraagd zijn identiteitsdocument te tonen) een

Italiaans vreemdelingen paspoort en/of een Italiaanse verblijfsvergunning, op

naam van [naam persoon A], geboren op [geboortedatum] te Luogo Nascita,

voorzien van een pasfoto welke gelijkenis vertoonde met verdachte

overhandigde, terwijl verdachte wist dat hij niet de voornoemde [naam persoon A] is;

2.

hij op of omstreeks 06 januari 2009 te Arnhem opzettelijk gebruik heeft

gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) Italiaans vreemdelingenpaspoort en/of

(een) vals(e) of vervalst(e) Italiaanse verblijfsvergunning op naam van

[naam persoon A], geboren te Luogo Nascita op [geboortedatum],

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was

om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) echt en

onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte (toen aldaar) een

Italiaans vreemdelingenpaspoort en/of een Italiaanse verblijfsvergunning op

naam van [naam persoon A], geboren te Luogo Nascita op [geboortedatum], heeft

getoond aan een opsporingsambtenaar teneinde aan te tonen dat hij legaal in

Nederland zou verblijven, terwijl hij wist dat hij niet de voornoemde [naam persoon A]

is en/of bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat dit/deze

document(en) na onderzoek niet overeenkom(t)(en) met een/de origine(e)l(e) die door

de Italiaanse bevoegde autoriteiten afgegeven worden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie(1)

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat het handelen van verdachte valt onder de bescherming van artikel 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag.

Artikel 31, eerste lid, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag); Verdrag van 28 juli 1951, Trb. 1954, 88) luidt:

“De Verdragsluitende Staten zullen geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf, toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen, dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.”

De raadsman heeft aangevoerd dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 oktober 2009, LJN: BI1325 heeft geoordeeld dat voor de beoordeling van een beroep op artikel 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag geen onderscheid gemaakt mag worden tussen “illegal entry or presence” enerzijds en het daarmee samenhangende bezit van valse identiteitspapieren anderzijds. Het gebruik van valse papieren om veilig een land binnen te komen valt dus eveneens onder de bescherming van artikel 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte noodgedwongen uit Somalië is gevlucht, een land waarbij vluchtelingen in de Vreemdelingencirculaire worden aangemerkt als beschermingswaardig. Verdachte heeft gebruik gemaakt van valse papieren om zijn vlucht mogelijk te kunnen maken. Artikel 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag gaat ervan uit dat een vreemdeling zich in principe zelf onverwijld meldt en de autoriteiten overtuigd dat hij geldige redenen heeft voor zijn onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid. De raadsman heeft betoogd dat van verdachte redelijkerwijs niet verwacht kon worden dat hij zich eerder had kunnen melden bij de autoriteiten dan hij heeft gedaan. Verdachte sprak geen Engels en Nederlands en voelde zich afhankelijk van zijn reisagent (mensensmokkelaar). Hij wist niet waar, wanneer en hoe hij zich bij de autoriteiten kon melden om asiel aan te vragen. Verdachte heeft bij de eerste gelegenheid waarbij hij zich met een tolk verstaanbaar kon maken, meteen bij de politie aangegeven dat zijn papieren niet echt waren, dat hij met de papieren de reis naar Nederland wilde garanderen met als doel asiel in Nederland aan te vragen.

Geconcludeerd moet worden dat het handelen van verdachte de bescherming van artikel 31 lid van het Vluchtelingenverdrag verdient, aldus de raadsman. Daarom dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard te worden, althans de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2009 vat het hof het verweer van de raadsman op als een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Van degenen die valse of vervalste documenten gebruiken om de inreis in Nederland te garanderen, mag verlangd worden dat zij, nadat zij Nederland daadwerkelijk zijn binnengekomen, deze documenten niet verder als zodanig gebruiken en, indien zij (nog) in het bezit zijn van dergelijke documenten op het moment dat zij door de autoriteiten worden gecontroleerd, eigener beweging aanstonds melden dat zij niet in het bezit zijn van een geldig reisdocument doch slechts in het bezit zijn van valse of vervalste reispapieren.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen.

De verdachte is naar eigen zeggen op 3 januari 2009 in Nederland op Schiphol aangekomen. Hij zou samen met zijn reisagent vanaf Schiphol in de trein zijn gestapt en naar Arnhem zijn gereisd. De reisagent is verdachte direct in de trein naar Arnhem uit het oog verloren. Vervolgens heeft verdachte drie dagen verbleven in het pand aan de [straat, nummer], 3 hoog te Arnhem, de plek waar hij is staande gehouden door de politie. Verdachte heeft bij zijn verhoor op het politiebureau aangegeven dat zijn documenten vals waren en dat hij asiel wenste aan te vragen.(2)

[Verbalisant 2] en [verbalisant 1] hebben gerelateerd dat zij naar aanleiding van een anonieme melding een controle hebben uitgevoerd in de woning van het perceel aan de [straat, nummer], 3 hoog te Arnhem. Zij troffen verdachte in deze woning slapend aan. Zij hebben verdachte wakker gemaakt en zich gelegitimeerd als politieagenten. Zij hebben verdachte vervolgens gevraagd om een identiteitsbewijs. Verdachte legitimeerde zich met een Italiaans vreemdelingenpaspoort en een Italiaans vreemdelingendocument.(3)

Naar het oordeel van het hof komt verdachte gelet op deze feiten en omstandigheden voor het bezit van het valse paspoort geen bescherming toe op grond van artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag. Voor dit oordeel is niet van belang of verdachte al dan niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag moet worden beschouwd. De eindbestemming van verdachte was Nederland. Nadat hij Nederland is binnengekomen, is verdachte op Schiphol gecontroleerd. Bij deze gelegenheid heeft verdachte niet op enigerlei wijze kenbaar gemaakt dat hij asiel wilde aanvragen en zijn papieren vals waren. Vervolgens is hem drie dagen later naar zijn legitimatie gevraagd in Arnhem in het perceel aan de [straat] door [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Weliswaar heeft verdachte nadat de hem controlerende verbalisant had geconstateerd dat het door verdachte overhandigde paspoort vals was en hem als verdacht van overtreding van artikel 231 en 225 van het Wetboek van Strafrecht had aangehouden, bij gelegenheid van zijn later plaats vindende verhoor aangegeven dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen, maar dat gegeven laat onverlet dat hij niet dadelijk bij de controle op Schiphol en in het pand aan de [straat] te Arnhem - op zijn minst - heeft aangegeven (of gepoogd aan te geven) dat de in het paspoort vermelde gegevens niet juist waren. Op de vraag naar zijn legitimatiebewijs heeft verdachte valse documenten getoond. Verdachte heeft derhalve na zijn binnenkomst in Nederland ten aanzien van het paspoort en de verblijfsvergunning niet te goeder trouw gehandeld en daarmee een eventueel recht op bescherming tegen de strafwet verspeeld. Artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag staat derhalve aan vervolging niet in de weg. Het beroep op die bepaling wordt daarom verworpen.

Het hof acht het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof neemt de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

Op 6 januari 2009, omstreeks 09.30 uur, heeft [verbalisant 2], een anonieme melding gekregen van een onbekend gebleven vrouwspersoon die haar mededeelde dat in een perceel aan de [straat, nummer], 3 hoog te Arnhem, twee mannen zouden verblijven. Deze mannen, vermoedelijk van Somalische afkomst, zouden in het bezit zijn van valse Italiaanse identiteitsbewijzen en al enkele dagen op genoemd adres verblijven. Degene die dit verzorgd had was een zekere [naam persoon B], geboren op [geboortedatum]. Hij zou wonen op het asielcentrum aan de Keijenbergseweg te Wageningen en soms verblijven op het adres [straat, nummer], 3 hoog te Arnhem. Naar aanleiding van die melding zijn [verbalisant 2] en [verbalisant 1] naar het adres [straat, nummer], 3 hoog te Arnhem gegaan. Er werd opengedaan door een hen onbekende vrouw. Zij bleek later de hoofdbewoonster te zijn. De verbalisanten hebben zich gelegitimeerd als politieagenten, werkzaam bij de vreemdelingenpolitie te Arnhem. Zij hebben de bewoonster het doel van hun komst meegedeeld en hebben gevraagd of zij in haar woning een controle mochten doen. De vrouw heeft de verbalisanten vrijwillig in de woning gelaten. Op de vraag of er twee mannen aanwezig waren, heeft zij een slaapkamer aangewezen.

In de slaapkamer hebben verbalisanten twee mannen aangetroffen. De mannen lagen te slapen op afzonderlijke bedden. Verbalisanten hebben de mannen wakker gemaakt en zich gelegitimeerd als politieagenten, werkzaam bij de vreemdelingenpolitie te Arnhem. Zij hebben de mannen het doel van hun komst medegedeeld en hebben de mannen gevraagd om een identiteitsbewijs. De man op het linker bed legitimeerde zich met een Italiaans vreemdelingenpaspoort en een Italiaans vreemdelingendocument op naam van [naam persoon A], geboren op [geboortedatum]. [Verbalisant 2] zag dat op de foto van het Italiaanse verblijfsdocument een vreemde streep zat, alsof het laminaat los was geweest. Verbalisanten konden echter niet direct vaststellen of de documenten vals dan wel vervalst waren. Gezien de inhoud van de melding en het vermoeden van een vals danwel vervalst Italiaanse vreemdelingendocument is de man omstreeks 10.30 uur op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (vaststelling identiteit) staande gehouden. Op het politiebureau te Arnhem zou het aangeboden paspoort en verblijfsvergunning door een deskundige nader beoordeeld worden.(4)

Verdachte is op 6 januari 2009 om 11:45 uur aangehouden.(5)

Het aangetroffen paspoort en de verblijfsvergunning zijn op het politiebureau onderzocht door technisch rechercheur [naam rechercheur A]. Het paspoort en de verblijfsvergunning waren beiden voorzien van de [naam persoon A], geboren op [geboortedatum] en een foto. [Naam rechercheur A] heeft geconcludeerd dat zowel het Italiaanse paspoort als de Italiaanse verblijfsvergunning vervalst waren.(6)

Verdachte heeft ter terechtzitting bij de politierechter verklaard dat hij het paspoort en de verblijfsvergunning van een reisagent heeft ontvangen. Zijn foto stond in de documenten, maar de naam klopte niet met zijn eigenlijke naam. Hij wist daarom dat de documenten niet van hem waren.(7)

Verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof verklaard dat hij drie dagen in Arnhem was voordat de politie het pand waar hij verbleef, binnentrad. Hij is met de trein van Schiphol naar Arnhem gereisd. Verdachte heeft nogmaals bevestigd dat hij wist dat de documenten vals waren. Direct nadat hij de documenten kreeg, wist hij dat ze vals waren. Verdachte heeft voorts aangegeven dat hij, op het moment dat hij was aangehouden door de politie, kenbaar heeft gemaakt dat zijn documenten niet echt waren en dat hij asiel in Nederland wilde aanvragen.(8)

Op grond van de hierboven weergegeven feiten omstandigheden acht het hof het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen als hierna te melden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op of omstreeks 06 januari 2009 te Arnhem, opzettelijk gebruik heeft

gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een paspoort,

welk gebruik hierin bestond dat verdachte (nadat hem door een

opsporingsambtenaar werd gevraagd zijn identiteitsdocument te tonen) een

Italiaans vreemdelingen paspoort en/of een Italiaanse verblijfsvergunning, op

naam van [naam persoon A], geboren op [geboortedatum] te Luogo Nascita,

voorzien van een pasfoto welke gelijkenis vertoonde met verdachte

overhandigde, terwijl verdachte wist dat hij niet de voornoemde [naam persoon A] is;

2.

hij op of omstreeks 06 januari 2009 te Arnhem opzettelijk gebruik heeft

gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) Italiaans vreemdelingenpaspoort en/of

(een) vals(e) of vervalst(e) Italiaanse verblijfsvergunning op naam van

[naam persoon A], geboren te Luogo Nascita op [naam persoon A],

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was

om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) echt en

onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte (toen aldaar) een

Italiaans vreemdelingenpaspoort en/of een Italiaanse verblijfsvergunning op

naam van [naam persoon A], geboren te Luogo Nascita op [geboortedatum], heeft

getoond aan een opsporingsambtenaar teneinde aan te tonen dat hij legaal in

Nederland zou verblijven, terwijl hij wist dat hij niet de voornoemde [naam persoon A]

is en/of bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat dit/deze

document(en) na onderzoek niet overeenkom(t)(en) met een/de origine(e)l(e) die door

de Italiaanse bevoegde autoriteiten afgegeven worden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot 84 dagen gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest.

De politierechter in de rechtbank Arnhem heeft de verdachte veroordeeld wegens het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot 78 dagen gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot 78 dagen gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte opzettelijk een vals paspoort en een valse verblijfsvergunning heeft gebruikt. Hiermee heeft de verdachte het openbaar vertrouwen ondergraven dat in documenten waarmee de identiteit van een persoon kan worden vastgesteld moet kunnen worden gesteld. Het hof zal dezelfde straf opleggen als door de advocaat-generaal is gevorderd, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van verdachte.

De hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn tot het begaan van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde vervaardigd of bestemd. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 57, 231 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

ten aanzien van het onder onder 1 en 2 bewezenverklaarde

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 78 (achtenzeventig) dagen.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De in beslag genomen voorwerpen

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

één Italiaans vreemdelingenpaspoort en één Italiaanse verblijsvergunning.

Aldus gewezen door

mr G. Mintjes, voorzitter,

mr A.E. Harteveld en mr C. Caminada, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr S.M.A. Lestrade, griffier,

en op 12 november 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Verwijzingen:

In de hierna te melden bewijsmiddelen [onder 3, 4 en 5 ] wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL075D/09-000385, gesloten en getekend op 16 januari 2009 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], verbalisanten politieregio Gelderland Midden, divisie Justitiële Zaken, Unit Vreemdelingendienst.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 29 oktober 2009, zakelijk weergegeven.

3 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 17 en verder van het proces-verbaal, genummerd PL075D/09-000385) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

4 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 17 en verder van het proces-verbaal, genummerd PL075D/09-000385) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

5 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding (als bijlage op pagina’s 9 en 10 van het proces-verbaal, genummerd PL075D/09-000385) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van verbalisant [verbalisant 1].

6 De in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 19 en 25 van het proces-verbaal, genummerd PL075D/09-000385) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van verbalisant [naam rechtercheur A].

7 Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 28 april 2009 van de politierechter in de rechtbank Arnhem, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van verdachte.

8 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 29 oktober 2009, zakelijk weergegeven.