Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK4245

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
104.004.079
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BW 7:364. Criteria voor medepacht. Tekort aan recente agrarische scholing kan worden gecompenseerd door praktische ervaring in de agrarische sector. Leeftijd van de medepachter, deeltijdbaan elders en financiële omstandigheden van het bedrijf brengen niet mee dat de vordering van medepacht wordt afgewezen. Het belang van de pachter bij voortzetting van de pacht dient bij uitstek in een verlengingsprocedure te worden beoordeeld en niet in een procedure tot medepacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2009/86

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 104.004.079

(zaaknummer rechtbank: 150795)

arrest van de pachtkamer van 20 oktober 2009

inzake

de naamloze vennootschap

Fortis ASR Levensverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

advocaat: mr. D.M.H.M. van Dijk,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. N.L.J.M. Rijssenbeek.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Voor het verloop van deze procedure tot 7 april 2009 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. In dat arrest is een comparitie van partijen bepaald die op 21 september 2009 is gehouden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken, evenals de naar aanleiding daarvan aan het hof en de wederpartij verzonden brief van 24 september 2009 van mr. van Dijk.

1.2 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Naar aanleiding van de grieven van Fortis, die betogen dat [geïntimeerde] onvoldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering, althans dat de vordering tot medepacht naar billijkheid moet worden afgewezen, heeft het hof [geïntimeerde] verzocht een verslag van zijn werkzaamheden op het bedrijf van zijn vader op te stellen en hem ter zitting ondervraagd.

2.2 [geïntimeerde] heeft na 1988 geen opleidingen meer gevolgd in de agrarische bedrijfstak. Het hoogst behaalde scholingsniveau is de middelbare landbouwschool. Dit alleen brengt echter niet mee dat [geïntimeerde] onvoldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Het tekort aan (recente) scholing kan immers worden gecompenseerd door praktische ervaring in de agrarische sector en ervaring elders die samen tot een voldoende adequaat werk- en denkniveau leiden.

2.3 [geïntimeerde] is logistiek medewerker en werkt in ploegendienst bij Total Raffinaderij Nederland NV te Vlissingen. Uit zijn verslag en zijn verklaring ter zitting volgt dat hij bovendien vanaf zijn vroege jeugd meewerkt op het bedrijf van zijn vader en daar alle voorkomende werkzaamheden verricht. Het is voorts de bedoeling dat [geïntimeerde] in de periode tot 2011/2012 geleidelijk aan het bedrijf zal gaan overnemen. Voor zover [geïntimeerde] op dit moment theoretische en praktische scholing tekort komt zal hij deze in de genoemde periode alsnog kunnen opdoen. Het hof acht hem daartoe gelet op zijn opleiding, zijn huidige functie, zijn toelichting op de overgelegde stukken en beantwoording van vragen ter zitting ook in staat. Er bestaat in elk geval onvoldoende aanleiding tot een zodanige twijfel omtrent het (toekomstig) opleidingsniveau van [geïntimeerde] dat dit aan medepacht in de weg behoort te staan.

2.4 Ook de suggestie van Fortis dat de vordering tot medepacht niet serieus is gemeend maar slechts is ingesteld om verlenging van de pachtovereenkomst in de toekomst mogelijk te maken, passeert het hof. Voorop staat dat zolang [vader van geïntimeerde] pachter is, het hem is toegestaan een vordering tot medepacht in te stellen. Dat deze vordering louter is ingesteld om het voor [vader van geïntimeerde] mogelijk te maken tot na zijn 65e levensjaar het bedrijf voort te zetten, heeft Fortis onvoldoende aannemelijk gemaakt. [geïntimeerde] werkt 32 uren per week in ploegendienst. Dat laat hem voldoende tijd en geeft ook voldoende flexibiliteit om zijn vader bij te staan in het bedrijf. Het verslag van [geïntimeerde] maakt melding van typische werkzaamheden op een akkerbouwbedrijf als het onderhavige, het hele jaar rond. Ter zitting heeft [geïntimeerde] bovendien zijn toekomstvisie voor het bedrijf ontvouwd. Dat [geïntimeerde] niet serieus van plan is het bedrijf op termijn over te nemen is in het licht hiervan niet voldoende gemotiveerd. De leeftijd van [geïntimeerde], de omstandigheid dat zijn vrouw parttime werkt en het feit hij twee kinderen heeft, zijn daartoe niet voldoende. Vorenstaand oordeel wordt niet anders doordat het hof met Fortis constateert dat de hoogte van het aantal door [geïntimeerde] geschatte uren dat hij op het bedrijf zou werken (in de zomer 180 uren per maand en in de winter en herfst 100 uren per maand) wellicht overdreven is.

2.5 Daarnaast zet Fortis vraagtekens bij de daadwerkelijke betrokkenheid van [geïntimeerde] bij het bedrijf. Zo wijst zij op het ontbreken van financiële kennis bij [geïntimeerde], het - tot voor kort - ontbreken van een maatschapscontract en het feit dat [geïntimeerde] niet in de landbouwtellingsgegevens voorkomt. Ter zitting heeft zij aangevoerd dat haar rentmeester [geïntimeerde] nimmer op het bedrijf heeft aangetroffen.

2.6 Het hof begrijpt dat vader en zoon het tot nu toe zo hebben geregeld dat de zoon meewerkt in het bedrijf zonder dat hij daarvoor een vergoeding krijgt met het oog op de toekomstige overname van het bedrijf. Na zijn 65ste zal [vader van geïntimeerde] op zijn beurt in het bedrijf van zijn zoon meewerken zonder dat hij daarvoor een vergoeding krijgt. Tot heden heeft de zoon dus geen inkomsten uit zijn werkzaamheden voor het landbouwbedrijf en dat zal ook de achtergrond zijn dat hij niet is opgenomen in de landbouwtellingsgegevens. Op 28 juni 2008 hebben [vader van geïntimeerde] en [geïntimeerde] voorts een maatschapsovereenkomst gesloten (productie 3 bij memorie van antwoord). Ter zitting is toegelicht dat de winstdeling in het eerste jaar 80% voor [vader van geïntimeerde] en 20% voor [geïntimeerde] zal zijn en dat het aandeel van de zoon in vijf jaren zal groeien naar 100%. Daarnaast is aangevoerd dat vader en zoon beleidsbeslissingen steeds samen nemen. Als voorbeeld is een bouwplan overgelegd voor 2009. In het licht van dit alles komt aan de omstandigheid dat niet eerder een maatschapsovereenkomst is gesloten en de vordering tot medepacht niet eerder is ingesteld onvoldoende gewicht toe. Hetzelfde geldt voor de ter zitting gebleken onzekerheid van [geïntimeerde] over de toekomstige financiële afwikkeling. Het hof gaat er vanuit dat [vader van geïntimeerde] en [geïntimeerde] in de komende jaren tot afspraken over de (overname van de) opstallen en de uitkoop van vader zullen komen. Verder geldt als niet (meer) weersproken dat [geïntimeerde] door zijn werkgever in staat gesteld zal worden om zo nodig zijn werkzaamheden voor Total geleidelijk te verminderen, dat [geïntimeerde] beschikt over eigen vermogen uit een eigen woning en dat hij enig kind is. In zoverre is er onvoldoende aanleiding te verwachten dat [geïntimeerde] de zaken in de toekomst financieel niet op orde zal krijgen. Wat de bedrijfsbezoeken van de rentmeester betreft, overweegt het hof dat Fortis niet nader heeft onderbouwd dat de voormalige rentmeester in de jaren 2001-2005 regelmatig op het bedrijf is geweest. Dit had wel op haar weg gelegen nu [vader van geïntimeerde] in eerste aanleg al heeft aangevoerd dat de rentmeester zich de afgelopen 15 jaren nooit op het bedrijf heeft laten zien. Een en ander leidt het hof tot het oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat [geïntimeerde] onvoldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt. Grief 1 faalt.

2.7 In het kader van de billijkheidsafweging voert Fortis naast het hiervoor besprokene aan dat het bedrijf van [vader van geïntimeerde] niet winstgevend is zodat [geïntimeerde] geen belang heeft bij voortzetting of overneming van het landbouwbedrijf. Een bedrijfsmatige exploitatie ligt volgens haar niet voor de hand.

2.8 Het hof stelt voorop dat een beoordeling van het belang van de pachter bij voortzetting van de pacht bij uitstek in een een beëindigingsprocedure aan de orde is. In een procedure tot medepacht is dat belang slechts in zoverre aan de orde, dat bijvoorbeeld een zeer gering economisch belang van de pachter bij voortzetting van de pacht of een binnen afzienbare tijd te verwachten beëindiging van de onderneming van de pachter kan meebrengen dat naar billijkheid medepacht achterwege dient te blijven. Dat geval doet zich hier niet voor. Uit de jaarstukken leidt het hof voorts af dat het landbouwbedrijf geen (hoge) schulden heeft en een bescheiden jaarinkomen genereert van ruim € 20.000. De herinvesteringreserve is deels ten goede gekomen aan het resultaat van 2006 en deels geïnvesteerd in een nieuwe machine à € 10.000 (2007). Als onweersproken geldt tot slot dat het bouwplan voor 2009 44,1 ha omvat en dat het ook nog mogelijk is om gronden in de omgeving van het landbouwbedrijf bij te pachten. De tweede grief faalt dus.

2.9 Nu de grieven falen, moet het bestreden vonnis waarbij [geïntimeerde] is aangemerkt als medepachter worden bekrachtigd. Fortis zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, van 29 juni 2007;

veroordeelt Fortis in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [vader van geïntimeerde] begroot op € 1788 voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 251 voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, J.K.B. van Daalen en Th.C.M. Willemse en de raden mr.ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2009.