Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK4110

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
21-001486-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In deze zaak was door de verdediging betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard in zijn vervolging, omdat in verdachtes zaak zich in het dossier in strijd met de wettelijke bepalingen afgeluisterde telefoongesprekken van zgn ‘geheimhouders’, waaronder advocaten, hebben bevonden en deze pas in een laat stadium zijn ontdekt. Dit was volgens de verdediging een dusdanige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde dat het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht had verspeeld.

Het verweer is door het hof verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001486-09

Uitspraak d.d.: 16 november 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 30 maart 2009 in de strafzaak tegen

verdachte

geboren te Tanger (Marokko) in 1986,

gedetineerd.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 november 2009 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het door verdachte ingestelde hoger beroep omvat blijkens de appelakte tevens de in het vonnis, waarvan beroep, uitgesproken nietigverklaring van de dagvaarding, voor zover het betreft het onder 8 tenlastegelegde. Nu ter terechtzitting van het hof door de verdachte en zijn raadsman geen bezwaren tegen de beslissing aangaande dit feit zijn opgeworpen en de advocaat-generaal heeft doen blijken, dat behandeling van dat feit in hoger beroep wat het openbaar ministerie betreft niet meer behoeft plaats te vinden, komt het hof tot het oordeel dat verdachte geen belang heeft bij de behandeling van dat feit en ook overigens geen belang van strafvordering deze behandeling vordert.

Daarom zal verdachte ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de verdediging is betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging, omdat in verdachtes zaak zich in het dossier in strijd met de wettelijke bepalingen afgeluisterde telefoongesprekken van zgn ‘geheimhouders’, waaronder advocaten, hebben bevonden en deze blijkens het proces-verbaal op 9 oktober 2009 opgemaakt door de Teamleider Grootschalige Opsporing bij de Divisie Recherche van de politie Noord- en Oost Gelderland, in een laat stadium zijn ontdekt. Dit is een dusdanige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde dat het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld.

Het hof overweegt het volgende.

Artikel 126aa, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat voor zover processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, deze worden vernietigd.

Bij dat vernietigen dienen te worden nageleefd de voorschriften en aanwijzingen neergelegd in het Besluit bewaren en vernietigen niet gevoegde stukken (Besluit van 15-12-1999, Stb. 548, inwerkingtreding 01-02-2000) en de Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders van het College van procureurs-generaal (vastgesteld op 12-03-2002, inwerkingtreding 01-04-2002).

In casu gaat het om gegevens verkregen uit, op bevel van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris, opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken in de strafzaak die bekend is onder de naam ‘Anoda’, waaraan zogenaamde geheimhouders deelnamen.

In het onderhavige geval is ten aanzien van een aantal gesprekken niet conform de Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders gehandeld en zijn de voor de strafrechtspleging essentiële voorschriften dienaangaande geschonden.

De verdediging heeft niet aannemelijk gemaakt welk belangen van de verdachte door het verzuim zijn geschonden. De raadsman heeft desgevraagd uitsluitend gewezen op de omstandigheid dat verdachte door het niet vernietigen van de geheimhoudersgesprekken nadeel kan hebben ondervonden.

Uit het proces-verbaal van 9 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door de Teamleider Grootschalige Opsporing bij de Divisie Recherche van de politie Noord- en Oost Gelderland, staat onder vraag 3: Is de informatie op enigerlei wijze gebruikt in het onderzoek?, als antwoord vermeld: “Nee deze informatie is op geen enkele wijze gebruikt in het onderzoek”.

Op grond daarvan is het hof van oordeel dat door bedoeld verzuim geen strafvorderlijk relevant nadeel voor verdachte is veroorzaakt.

Het hof is, gelet op het hiervoor vermelde, van oordeel dat er geen sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Het verweer strekkende tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt verworpen.

Op grond van het bovenstaande is het hof tevens van oordeel dat bedoeld verzuim niet tot uitsluiting van bewijsmateriaal dient te leiden noch tot strafvermindering.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4, tweede tekstblok, 5, tweede tekstblok, en 6, eerste tekstblok, tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

en

Poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

en

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

Poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

en

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 14 jaar.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar dient te worden opgelegd.

Door en namens verdachte is bepleit een kortere gevangenisstraf op te leggen dan door de rechtbank is opgelegd.

Naar het oordeel van het hof is de hierna te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een reeks van overvallen die zich in een korte periode hebben voltrokken. Bij deze overvallen zijn aanvankelijk messen (en een hamer) gebruikt, maar later ook vuurwapens. Verdachte en zijn medeverdachte(n) zijn er niet voor teruggedeinsd om mensen in hun eigen woning onder bedreiging van vuurwapens en met toepassing van geweld te overvallen, waarbij soms ook kinderen aanwezig waren. Door verdachte en zijn medeverdachte(n) is gaandeweg in toenemende mate geweld toegepast. Bij een van die overvallen is zelfs een schot gevallen. Het toegepaste geweld is in een aantal gevallen buitensporig geweest. Daarbij zijn oudere mensen niet ontzien. Het letsel bij sommige slachtoffers is (zeer) ernstig. Hoewel niet bij elke bewezenverklaarde overval vaststaat wie het toegepaste geweld daadwerkelijk heeft gepleegd, is verdachte als medepleger daar wel verantwoordelijk voor.

Voor de slachtoffers zijn de overvallen zeer beangstigende ervaringen geweest. Sommigen hebben doodsangsten uitgestaan. Anderen hebben langdurig (blijvend) letsel aan het door verdachte en zijn medeverdachte(n) toegepaste geweld overgehouden. Daarnaast is het bekend dat slachtoffers van dergelijke overvallen veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen daarvan ondervinden en ook in de onderhavige zaak is daarvan gebleken. Deze traumatische ervaring en het gevoel nergens (ook niet in het eigen huis) meer veilig te zijn zal, naar de ervaring leert, het leven van het slachtoffer langdurig beïnvloeden. Deze gepleegde overvallen hebben daarnaast ook maatschappelijk voor grote gevoelens van onveiligheid en onrust gezorgd, mede door de hoeveelheid gepleegde overvallen binnen een kort tijdsbestek in dezelfde omgeving en het brute geweld waarmee de overvallen gepaard gingen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof rekening gehouden met de resultaten van het psychologisch onderzoek, zoals deze zijn neergelegd in het rapport van 11 februari 2009 van de klinisch psycholoog/psychotherapeut en met de voorlichtingsrapporten van de reclassering van 25 november 2008 en 16 september 2009.

Het hof heeft verder in zijn oordeel betrokken dat verdachte op 18 april 2005 is veroordeeld voor vergelijkbare gewelds- en vermogensdelicten tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden.

Op grond van het bovenstaande acht het hof met de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van twaalf jaar passend en geboden.

Het onder 5 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met de wet.

Vordering van na te melden benadeelde partijen

De benadeelde partij 1 heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde met een vordering tot schadevergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 750,00 gevoegd in het strafproces.

Voorts heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde de benadeelde partij 2 met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.297,68 gevoegd in het strafproces. Dit bedrag bestaat uit € 1.095,75 gestolen kasgeld, € 106,33 extra personeelskosten, € 85,00 administratie- en advocaatkosten en € 10,60 representatiekosten.

De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot € 500,00 respectievelijk € 1.095,75. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vorderingen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden tot na te melden bedragen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat telkens de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige zijn de vorderingen naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kunnen de benadeelde partijen daarom thans in hun vorderingen niet worden ontvangen en kunnen zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof telkens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De benadeelde partij 3 heeft zich ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 808,86 gevoegd in het strafproces. Voormeld bedrag ziet op het weggenomen kasgeld à € 550,00 en gestolen tabak à € 258,86.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot € 550,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De benadeelde partij 4 heeft zich ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 4.126,80 gevoegd in het strafproces. Voornoemd bedrag ziet op immateriële schade à € 4.000,00 en de eigen bijdrage aan persoonlijke verzorging en hulp in de huishouding à € 126,80.

Ook de benadeelde partij 5 heeft zich ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 6.568,23 gevoegd in het strafproces. Het gevorderde bedrag ziet op ziekenhuisdaggeldvergoeding à € 375,00, eigen risico ziektekosten à € 131,79, vervoerskosten € 61,44 en immateriële schade à € 6.000,00.

De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot € 4.568,23 respectievelijk € 2.126,80. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vorderingen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 6 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden tot na te melden bedragen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen tot die bedragen zullen worden toegewezen.

Voor het overige zijn de vorderingen naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kunnen de benadeelde partijen daarom thans in hun vorderingen niet worden ontvangen en kunnen zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof telkens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de slachtoffers

De benadeelde partij 6 heeft zich ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde met een vordering tot schadevergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 1.500,00 gevoegd in het strafproces.

Daarnaast heeft zich ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde de benadeelde partij 7 met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 52.208,00 gevoegd in het strafproces. Voormeld bedrag is opgebouwd uit de navolgende bedragen:

€ 1.500,00 immateriële schade, € 882,98 inbraakschade en de waarde van de gestolen sieraden, na aftrek van de uitkering van de verzekering, € 50.708,00.

De vorderingen zijn elk afzonderlijk bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot € 1.500,00. De benadeelde partijen hebben zich niet in hoger beroep opnieuw gevoegd maar meegedeeld dat zij willen afzien van hun vorderingen, omdat zij de maandelijkse confrontatie met de daders niet aandurven.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat door het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade aan de slachtoffers is toegebracht ieder voor een bedrag van € 1.500,--. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof is van oordeel dat – zij het niet langs de weg van de toewijzing van een civiele vordering benadeelde partij – compensatie van die schade moet worden geboden. Daarvoor is een publiekrechtelijke weg beschikbaar, die minder belastend is voor de slachtoffers. Daarom zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 45, 47, 57, 310, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen het onder 8 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 4, tweede tekstblok, 5, tweede tekstblok, en 6, eerste tekstblok, tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De in beslag genomen voorwerpen

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een patroon,

- een pistool merk Smith & Wesson, model 5906, 9 mm,

- een pistoolholster,

- 10 stuks patronen.

De vorderingen van na te melden benadeelde partijen

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden steeds begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij 1 (feit 1) te betalen € 500,00 (vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2008.

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij 2 (feit 1) te betalen € 1.095,75 (duizend vijfennegentig euro en vijfenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2008.

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij 3 (feit 4) te betalen € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2008.

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij 5 (feit 6) te betalen

€ 4.568,23 (vierduizend vijfhonderdachtenzestig euro en drieëntwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden.

Veroordeelt verdachte te betalen aan de benadeelde partij 4 (feit 6) € 2.126,80 (tweeduizend honderdzesentwintig euro en tachtig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden.

Verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders de betreffende schadebedragen aan de benadeelde partijen, 3, 4 en 5 zijn betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Verklaart de benadeelde partijen 1 tot en met 5 voor het overige niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat de benadeelde partijen hun vorderingen voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan veroordeelde tevens de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de navolgende slachtoffers na te melden bedragen te betalen:

aan slachtoffer 1 € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis;

aan slachtoffer 2 € 1.095,75 (duizend vijfennegentig euro en vijfenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis;

aan slachtoffer 7 € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;

aan slachtoffer 6 € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;

aan slachtoffer 3 € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis;

aan slachtoffer 5 € 4.568,23 (vierduizend vijfhonderdachtenzestig euro en drieëntwintig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 52 (tweeënvijftig) dagen hechtenis;

aan slachtoffer 4 € 2.126,80 (tweeduizend honderdzesentwintig euro en tachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen/slachtoffers 1 tot en met 5, in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan deze benadeelde partijen daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr R.C. van Houten en mr A.E. Harteveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw M.C.L. Roelofs, griffier,

en op 16 november 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.