Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK3855

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
K09/0241
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

12 Sv. Beslissing op beklag tegen de beslissing van het openbaar ministerie om geen strafvervolging in te stellen tegen twee leerkrachten werkzaam op een school gericht op kinderen met een gedragsstoornis en/of psychiatrische problemen. Tegen deze leerkrachten was aangifte gedaan van (zware) mishandeling omdat de zoon van klaagster bij een incident tussen hem en de twee keerkrachten zijn onderarm zou hebben gebroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K09/0241

Beschikking

inzake

[Klaagster],

wonende te [woonplaats klaagster]

klaagster,

namens haar minderjarige zoon [zoon klaagster],

in deze procedure vertegenwoordigd door mr. A.C.J. Nettenbreijers,

advocaat te Veenendaal

tegen

[Beklaagde 1],

wonende te [woonplaats beklaagde 1],

en

[Beklaagde 2],

wonende te [woonplaats beklaagde 2],

beklaagden.

Op 20 juli 2009 is ter griffie van het hof een klaagschrift binnengekomen van klager. Het klaagschrift richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Arnhem om tegen beklaagden geen strafvervolging in te stellen.

Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Arnhem, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.

Op 6 oktober 2009 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. Bij de behandeling waren klaagster en haar advocaat, beklaagde [beklaagde 1], alsmede de advocaat-generaal aanwezig. Zij zijn in raadkamer gehoord. Beklaagde [beklaagde 2] is -hoewel behoorlijk opgeroepen- niet verschenen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gegrondheid van de klacht.

Het beklag

Op 6 september 2007 heeft er op een locatie van scholencombinatie [school] te [plaats school], die specifiek is gericht op kinderen met een gedragsstoornis en/of psychiatrische problemen, een incident plaatsgevonden tussen de toen 13-jarige zoon van klaagster (hierna: [zoon klaagster]) en beklaagde [beklaagde 1] (hierna: [beklaagde 1]), die als leerkracht aan die school verbonden is. De aanleiding voor het incident vormde het uiten van verbaal agressief gedrag door [zoon klaagster] jegens [beklaagde 1] op het schoolplein, nadat [beklaagde 1] [zoon klaagster] had aangesproken omdat een andere leerling zich over [zoon klaagster] had beklaagd. [Zoon klaagster] werd vanwege zijn verbaal agressieve gedrag gevraagd naar binnen te gaan, maar wilde dat aanvankelijk niet. Toen [beklaagde 1] en diens toegesnelde collega (en mentor van [zoon klaagster]), beklaagde [beklaagde 2] (hierna: [beklaagde 2]), [zoon klaagster] probeerden beet te pakken is [zoon klaagster] hard de school in gerend. In school heeft [zoon klaagster] met gebalde vuisten tegen de stalen kluisjes geslagen. Hij heeft ook tegen de deur van een klaslokaal geschopt. Hierop hebben [beklaagde 1] en [beklaagde 2] [zoon klaagster] bij de polsen gepakt.

Volgens [zoon klaagster] werd hij hierdoor nog bozer en is hij toen begonnen te schoppen tegen de benen van [beklaagde 1] en [beklaagde 2]. Toen voelde hij dat [beklaagde 1] nog harder aan zijn rechterpols begon te drukken. “Ik zei dat het veel pijn deed maar hij stopte niet. Met mijn polsen in een polsklem hebben meester [beklaagde 2] en meester [beklaagde 1] mij naar het kantoortje van [directrice school], de directrice gebracht,” aldus [zoon klaagster].

De bij de politie door [beklaagde 1] en [beklaagde 2] afgelegde verklaring komt in grote lijnen overeen met deze lezing: [beklaagde 1] en [beklaagde 2] hebben [zoon klaagster] eerst elk bij een pols gepakt. Pas toen [zoon klaagster] begon te schelden, om zich heen begon te trappen en daarbij [beklaagde 1] en [beklaagde 2] raakte, is door [beklaagde 1], die de rechter pols vasthad, de polsklem aangelegd. Volgens [beklaagde 1] en [beklaagde 2] heeft [beklaagde 1] [zoon klaagster] maar heel even in de polsklem gehad op het moment dat hij [beklaagde 1] en [beklaagde 2] schopte. “Hierna heb ik de polsklem niet meer aangezet. De bedoeling was dat hij alleen een pijnprikkel kreeg zodat hij stopte met schoppen,”aldus [beklaagde 1].

Het na het incident kennelijk door [beklaagde 1] en [beklaagde 2] ingevuld “Meldingsformulier Fysiek Ingrijpen” lijkt van de later bij de politie afgelegde verklaringen van [beklaagde 1] en [beklaagde 2] af te wijken. Daarin valt namelijk het volgende te lezen: “[Zoon klaagster] wordt door ons tegelijkertijd bij de pols gepakt. [Beklaagde 1] gebruikt hierbij gecontroleerd de polsklem. Hierbij verzet [zoon klaagster] zich hevig, en begint de leerkrachten te schoppen. [Beklaagde 1] besluit hierbij de polsklem iets aan te zetten, waardoor [zoon klaagster] zich overgeeft en stopt met schoppen”. Volgens dit formulier zou de polsklem dus reeds zijn aangelegd voordat [zoon klaagster] begon te schoppen. Anderzijds volgt uit het formulier dat er gradaties kunnen zijn in de kracht waarmee de polsklem wordt toegepast. Aanvankelijk was dat slechts met beperkte kracht, die werd opgevoerd nadat [zoon klaagster] begon te schoppen.

Een dag later bleek [zoon klaagster]’s rechter onderarm gebroken te zijn, waarop de moeder van [zoon klaagster] aangifte heeft gedaan van (zware) mishandeling. De officier van justitie heeft besloten de zaak, na het doen van nader onderzoek, te seponeren. Hiertoe wordt aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat de breuk ook zelf kan zijn veroorzaakt door met gebalde vuisten tegen de kluisjes te slaan. Ten overvloede overweegt de officier van justitie dat het handelen van [beklaagde 1], gelet op het gedrag van [zoon klaagster] en in aanmerking genomen dat gehandeld is volgens het door de school gehanteerde protocol, fysiek ingrijpen noodzakelijk en gerechtvaardigd was. “Indien het al zo zou zijn dat het letsel is veroorzaakt door het aanzetten van de polsklem levert dit onder de gegeven omstandigheden geen strafbaar feit op,” aldus de officier van justitie.

Omdat klaagster zich niet met deze wijze van afdoening kan verenigen, heeft zij op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering bij het hof beklag gedaan tegen de sepotbeslissing van het openbaar ministerie. In het klaagschrift wordt betoogd (1) dat sprake is van een premature beslissing van het openbaar ministerie omtrent het causaal verband, (2) dat op de school waarop zich het incident heeft voorgedaan behoudens noodweersituaties géén geweld mag worden aangewend, (3) dat in casu geen sprake was van een noodweersituatie en (4) dat beklaagden op zijn minst voorwaardelijk opzet moeten hebben gehad op het toebrengen van de breuk.

Het openbaar ministerie (zowel in eerste lijn als in hoger beroep) heeft het hof te kennen gegeven thans van oordeel te zijn dat de beslissing tot niet vervolging enigszins lichtvaardig is genomen. Afgevraagd wordt of het optreden door beklaagden in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is geweest en in het licht daarvan wordt het noodzakelijk geacht nader medisch onderzoek te laten verrichten naar de oorzaak van de breuk.

In raadkamer is zowel zijdens klaagster, als zijdens het openbaar ministerie gepersisteerd in dit standpunt, strekkende tot strafvervolging in de vorm van een gerechtelijk vooronderzoek.

De beoordeling van het beklag

Ter beoordeling van het beklag maakt het hof onderscheid tussen het vastpakken door beklaagden en de uiteindelijk door [beklaagde 1] toegepaste polsklem. Ten aanzien van het vastpakken ziet het hof geen aanleiding om alsnog de strafvervolging te bevelen, nu tussen het vastpakken en het bij [zoon klaagster] veroorzaakte letsel het causale verband ontbreekt. Aangezien [beklaagde 2], anders dan [beklaagde 1], geen polsklem heeft gezet, dient het beklag voorzover het zich richt tegen het niet vervolgen van [beklaagde 2] reeds daarom te worden afgewezen. Dit wordt slechts anders wanneer [beklaagde 2] als medepleger van een eventueel door [beklaagde 1] gepleegd strafbaar feit kan worden aangemerkt. Dat is echter pas aan de orde wanneer het hof het gerechtvaardigd acht dat [beklaagde 1] zelf ook strafrechtelijk zal worden vervolgd.

Die vraag, te weten of het gerechtvaardigd is om de strafvervolging van [beklaagde 1] terzake (zware) mishandeling te gelasten, wordt beheerst door twee kwesties. De eerste kwestie betreft de causaliteitsvraag of de door [zoon klaagster] opgelopen breuk is toegebracht door het handelen van [beklaagde 1]. De tweede kwestie betreft de vraag of het handelen van [beklaagde 1] in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is geweest.

Ten aanzien van de eerste kwestie (de causaliteitsvraag) stelt het hof vast dat daaromtrent nog onvoldoende duidelijkheid bestaat. Het hof acht niet onaannemelijk dat nader onderzoek door een terzake medisch deskundige de benodigde duidelijkheid kan opleveren. Dergelijk onderzoek is echter slechts dan aangewezen wanneer, verondersteld dat sprake is van dat causaal verband, het hof voldoende aanwijzingen aanwezig acht dat het handelen van [beklaagde 1] in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd (en mogelijk dus strafbaar) was.

Deze tweede kwestie hangt samen met de vraag of in casu sprake is geweest van noodweer en dus van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de zijde van [zoon klaagster] waarin de verdedigende reactie van [beklaagde 1] geboden en noodzakelijk is geweest. Deze vraag wordt enerzijds beheerst door de feiten, anderzijds door het beroepsmatige en juridische kader waarin [beklaagde 1] ten tijde van het incident functioneerde.

Voor wat betreft de feiten stelt het hof vast dat als een breuk in de onderarm is veroorzaakt door het handelen van [beklaagde 1], dit (wanneer we de verklaring van [zoon klaagster] en de bij de politie afgelegde verklaringen van [beklaagde 1] en [beklaagde 2] volgen) moet zijn gebeurd op het moment dat [beklaagde 1] [zoon klaagster] de polsklem aanzette, dan wel (wanneer het meldingsformulier wordt gevolgd) op het moment dat [beklaagde 1] de reeds aangezette polsklem in kracht doet toenemen. In die zin is de inconsistentie tussen beide lezingen weinig relevant. Het aanzetten van de polsklem dan wel het in kracht doen toenemen van de polsklem volgt in beide lezingen op het trappen door [zoon klaagster] tegen [beklaagde 1] en [beklaagde 2]. Hiermee is naar het oordeel van het hof, voorzover het zich thans in het kader van onderhavige procedure laat aanzien, komen vast te staan dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

De vraag is vervolgens (en daarmee komt het hof bij de beroepsmatige en juridische kaders) of de verdedigende reactie van [beklaagde 1] (het zetten van een polsklem die in dit specifieke geval wellicht geleid heeft tot een onderarmbreuk) geboden en noodzakelijk is geweest. Ter beantwoording van die vraag moet voorop worden gesteld dat sprake was van een pedagogische situatie waarin gewerkt wordt met moeilijke kinderen die niet altijd even handelbaar zijn. In zulke situaties kunnen leerkrachten, zoals beklaagden, geconfronteerd worden met fysiek agressieve leerlingen. In die gevallen wordt van de leerkrachten veel gevraagd: hun reactie dient afgemeten en terughoudend te zijn maar tegelijkertijd voldoende effectief om snel de orde en rust te herstellen. Dit is ook de reden dat binnen de instelling een protocol “fysiek ingrijpen” is opgesteld, waarmee zowel de leerlingen als leerkrachten bekend zijn. Volgens dat protocol is fysiek ingrijpen onder meer toegestaan indien een leerling personeel letsel toe brengt of letsel dreigt toe te brengen. In zekere zin geeft de tekst van het protocol een materiële beschrijving van een noodweersituatie. Dit fysiek ingrijpen dient met twee personen te gebeuren, waarbij de leerling mag worden vastgehouden en waarbij “indien nodig” door beiden een polsklem mag worden gezet. De leerkrachten zijn getraind in het omgaan met fysiek agressieve leerlingen en bij die opleiding is ook geleerd op welke wijze een polsklem dient te worden aangelegd. [Beklaagde 1] heeft deze opleiding gevolgd en was dus getraind in het aanleggen van een polsklem. Het lijkt er voorts op dat aan de in het protocol gestelde voorwaarden is voldaan en dat het fysiek ingrijpen van [beklaagde 1] dus is geschied conform de door zijn werkgever en bij iedere betrokkene bekende voorschriften. Meer in het bijzonder blijkt uit de stukken ten aanzien van [zoon klaagster] dat bij hem in het verleden al twee keer eerder een polsklem gezet was. Klaagster zou hier toen ook van op de hoogte zijn gesteld. Het gegeven dat in dit geval door het aanzetten van een polsklem mogelijk de pols van [zoon klaagster] gebroken is, hoeft aan het oordeel dat gehandeld is conform de voorschriften niets af te doen. Een polsklem betreft een ingrijpend fysiek middel waarbij, als sprake is van hevige weerstand, letsel niet uit te sluiten valt. Dat aan de voorschriften is voldaan wil echter nog niet zeggen dat daarmee ook de rechtvaardiging voor het optreden is gegeven. Een ieder (en misschien wel juist mensen werkzaam in een hulpverlenend beroep als dat van [beklaagde 1]) heeft ook nog een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de vraag of het handelen volgens voorschriften in de concrete situatie gerechtvaardigd is. Om het ingrijpen achteraf als ongerechtvaardigd aan te kunnen merken moeten er echter wel zwaarwegende omstandigheden zijn, nu [beklaagde 1] zich als werknemer in beginsel te houden heeft aan de hem van hogerhand opgelegde instructies. Die zwaarwegende omstandigheden vindt de gemachtigde van klaagster in de Wet op de Jeugdzorg en een uitlating van de minister van jeugdzaken, die ertoe zouden strekken dat het vasthouden en vastpakken (laat staan het aanzetten van een polsklem) van minderjarigen in een instelling als waarbinnen het incident zich heeft voorgedaan, niet is toegestaan. Het hof acht deze omstandigheid echter niet van dien aard dat dit zou inhouden dat [beklaagde 1] in dit geval anders dan de voorschriften had moeten handelen. Hogere regelgeving en signalen van de minister die er op wijzen dat het handelen volgens de voorschriften niet is toegestaan, zijn wellicht reden om die voorschriften aan te passen. Dit betreft echter een (niet onbelangrijke) maatschappelijke vraag die naar het oordeel van het hof ook in het maatschappelijke politieke debat dient te worden beslecht en niet over het hoofd van een of meer individuele verdachten in een strafzaak. Daarvoor is alleen plaats indien evident sprake is geweest van grensoverschrijvend handelen. Nu daar in dit geval geen sprake van is, zal het hof dan ook afzien van een bevel vervolging jegens [beklaagde 1] en, gelet op hetgeen het hof hiervoor ten aanzien van [beklaagde 2] heeft overwogen, ook jegens [beklaagde 2]. Het tegen de beslissing van het openbaar ministerie gerichte beklag zal dan ook worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

Wijst het beklag af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Otte, voorzitter, mrs. Abbink en Gillissen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Robroek, griffier, op 17 november 2009 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.