Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK3755

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
200.007.170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 19, 57 en 157 Pw, art. 2a Pachtnormenbesluit 1992, art. 8 Pachtnormenbesluit 1995 en art. 71 Overgangswet NBW. Verwijzing naar Pachthof Anrhem 24 februari 2004 (rolnummer 2002/914, ongepubliceerd).

Verplichting van de pachter aandeel in waterschapslasten te betalen? Indien in een bepaling van een pachtovereenkomst, gesloten onder de oude Pachtwet, wordt verwezen naar artikelen van die pachtwet, wordt vermoed dat de betreffende bepaling onder nieuwe pachtrecht de strekking heeft het nieuwe recht weer te geven. Waar onder het oude recht uitgesloten was de waterschapslasten aan de pachter door te berekenen, is dat door wijzigingen in de Pachtnormenbesluiten veranderd. De betreffende bepaling in de pachtovereenkomst wordt vermoed aan doorberekening niet in de weg te staan. De pachter wordt in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat partijen destijds hebben bedoeld dat zij, in het geval de publiekrechtelijke regeling van de pachtprijsbeheersing zou gaan voorzien in een doorberekening van de waterschapslasten aan de pachter, die doorberekening hebben willen uitsluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.007.170

(zaaknummer rechtbank 316490)

arrest van de pachtkamer van 13 oktober 2009

inzake

1. [appellant sub 1], wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonende te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], wonende te [woonplaats],

4. [appellante sub 4], wonende te [woonplaats],

5. [appellante sub 5], wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J.H. van Vliet,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonende [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. P.M. Wilmink.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 29 april 2008, dat de pachtkamer van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Winschoten, tussen appellanten (hierna: [appellanten]) als gedaagden en geïntimeerden (hierna: [geïntimeerden]) als eisers heeft gewezen. Van dit vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 28 mei 2008 [geïntimeerden] aangezegd van het vonnis van 29 april 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, een nieuwe productie in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof [het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende],

- de door [geïntimeerden] ingestelde vorderingen aan hen zal ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en met veroordeling van [geïntimeerden] tot terugbetaling aan [appellanten] van hetgeen door dezen aan [geïntimeerden] krachtens het bestreden vonnis is voldaan en met vergoeding van de wettelijke rente over deze som vanaf de dag der betaling tot aan de dag van terugbetaling;

- alsnog aan [appellanten] zal toewijzen een bedrag groot € 3.223,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2006 tot aan de dag der algehele betaling;

met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden en verweer gevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zonodig onder aanvulling en/of verbetering van de rechtsgronden zal bekrachtigen met veroordeling van [appellanten] in de kosten van [bedoeld zal zijn:] het hoger beroep.

2.4 Daarna hebben [appellanten] een akte genomen, waarna [geïntimeerden] een antwoordakte hebben genomen.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, staan vast de feiten die in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.4 zijn vermeld.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende. [geïntimeerden] hebben als pachters met [verpachter] als verpachter op 1 november 1982 een pachtovereenkomst gesloten voor de duur van 24 jaren ter zake van een hoeve te [.....] met bouw- en grasland te [.....] en [.....]. [verpachter] is op 24 maart 1999 overleden; zijn erfgenamen waren [erfgename sub 1] en [erfgename sub 2/appellante sub 5]. Tijdens de procedure in eerste aanleg is [erfgename sub 1] overleden. Haar erfgenamen zijn appellanten onder 1 tot en met 4.

4.2 Artikel 19 van de pachtovereenkomst bepaalt: "De ruilverkavelingsrente, waterschapslasten en alle andere zakelijke lasten en belastingen op het gepachte drukkende, zijn voor rekening van de verpachter." Vanaf 2001 hebben de erven [verpachter] aanspraak gemaakt op 50% van de waterschapslasten. [geïntimeerden] hebben dit deel tot en met 2005 aan [appellanten] betaald. De pachtovereenkomst is na afloop van de overeengekomen termijn geëindigd op 31 oktober 2006.

4.3 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. BW een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Waar het in dit geding gaat om een vóór 1 september 2007 beëindigde pachtovereenkomst, blijft de Pachtwet toepasselijk.

4.4 [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg terugbetaling van de door hen betaalde waterschapslasten gevorderd tot een bedrag van € 19.088,70 met rente en kosten. [appellanten] hebben in reconventie een bedrag van € 3.223,11 gevorderd, namelijk de helft van de waterschapslasten voor het jaar 2006. De pachtkamer in eerste aanleg heeft onder meer overwogen dat de bedoeling van partijen helder in artikel 19 van de pachtovereenkomst staat verwoord. Er zijn geen nadere afspraken gemaakt, aldus de pachtkamer. De vordering in conventie heeft de pachtkamer daarop toegewezen en die in reconventie afgewezen.

4.5 Aan het hoger beroep hebben [appellanten] het volgende ten grondslag gelegd. Artikel 19 van de indertijd gesloten pachtovereenkomst stemt overeen met de toen geldende, dwingendrechtelijke bepaling van artikel 14 van de Pachtwet (Pw). Ook andere bepalingen in de overeenkomst komen (vrijwel) overeen met dwingende bepalingen van de Pachtwet. [appellanten] verwijzen naar de overeenstemming tussen artikel 4 en artikel 19 lid 1 en 3 Pw, artikel 10 en artikelen 25 lid 1 en 32 Pw, artikel 15 en artikel 30 Pw, artikel 22 en artikel 26 lid 1 Pw. Hieruit volgt volgens [appellanten] de kennelijke bedoeling om - ten overvloede - te bepalen dat enkele dwingendrechtelijke bepalingen van de Pachtwet op de pachtverhouding van toepassing waren. De verpachter kan echter per 1 januari 1992 op grond van artikel 2a van het Pachtnormenbesluit 1992 en artikel 8 van het Pachtnormenbesluit 1995, 50% van de waterschapslasten aan de pachter doorberekenen. Het dwingendrechtelijke karakter is daardoor ten dele aan artikel 14 Pw ontvallen. Op de voet van het gewijzigde Pachtnormenbesluit is de helft van de waterschapslasten deel gaan uitmaken van de pachtprijs en dus invorderbaar. Subsidiair geldt dat [geïntimeerden] nooit bezwaar hebben gemaakt tegen de betaling van de helft van de waterschapslasten. Redelijkheid en billijkheid staan er aan in de weg dat [geïntimeerden] alsnog terugkomen op de eerder plaatsgevonden hebbende betalingen. [geïntimeerden] hebben nooit de bescherming van artikel 19 van de pachtakte ingeroepen. Zij hebben het vertrouwen gewekt dat zij geen verweer meer zouden voeren noch van hun standpunt zouden terugkomen.

4.6 [geïntimeerden] hebben daartegen het navolgende aangevoerd. Het oordeel van de pachtkamer dat partijen in 1982 de bedoeling hebben gehad het doorbelasten uit te sluiten is juist. Dit blijkt niet alleen uit de tekst van artikel 19 maar ook uit de omstandigheid dat de pachtovereenkomst bewust is aangegaan voor een langere duur, te weten de duur van 24 jaren. [verpachter] wilde zelf dat de lasten voor zijn rekening kwamen. Artikel 19 van de pachtakte en artikel 14 Pw verschillen daarbij ook nog. Het was bovendien niet de bedoeling om aan te sluiten bij artikel 14 Pw. Artikel 57 Pw laat afwijking van artikel 19 lid 5 van die wet uitdrukkelijk toe. De van voor de wetswijziging van 1995 daterende overeenkomst is op dit punt dus niet strijdig met het gewijzigde artikel 19 Pw. Artikel 19 Pw noch het Pachtnormenbesluit 1995 kunnen de pachtovereenkomst uit 1982 opzij zetten. Ook het subsidiaire standpunt moet falen. Bij de afwikkeling van de pachtovereenkomst in 2006 zijn er diverse zaken aan de orde geweest waaronder de waterschapslasten. Pas toen kwamen [geïntimeerden] erachter dat zij gedurende een aantal jaren ten onrechte waterschapslasten hadden betaald aan [appellanten] Niet valt in te zien dat zij die bedragen niet meer mogen terugvorderen.

4.7 Het subsidiaire standpunt - waarbij [appellanten] in feite bepleiten dat [geïntimeerden] hun rechten hebben verwerkt - faalt. Uitgangspunt is dat van rechtsverwerking slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking; daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Dit uitgangspunt geldt ook voor een vordering uit onverschuldigde betaling. Bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld zijn gesteld noch gebleken, temeer daar [appellanten] in hun akte van 2 juni 2009 niet (ook) hebben betwist dat [geïntimeerden] pas bij de afwikkeling van de pachtovereenkomst in 2006 ontdekten dat zij op grond van artikel 19 niet gehouden waren de waterschapslasten te voldoen. [appellanten] suggereren zelfs dat [geïntimeerden] bedoelde ontdekking pas deden ten tijde van de afwikkeling van de pachtovereenkomst (randnummer 24 memorie van grieven).

4.8 Het hof overweegt ten aanzien van het primaire standpunt als volgt. Ter ondersteuning van hun standpunt in eerste aanleg hebben [appellanten] verwezen naar een uitspraak van de pachtkamer van de rechtbank Leeuwarden van 21 augustus 2002. In hoger beroep hebben zij de motivering van die pachtkamer mede aan hun verweer ten grondslag gelegd. Van dat vonnis van 21 augustus 2002 is nadien hoger beroep ingesteld. In zijn arrest van 24 februari 2004 (rolnummer 2002/914) heeft dit hof overwogen wat rechtens is indien een bepaling omtrent waterschapslasten in een pachtovereenkomst, gesloten voor de wetswijziging van 1995, afwijkt van het nadien geldende recht. Dit arrest van het hof is niet gepubliceerd maar de inhoud ervan is wel kenbaar uit Asser/Snijders deel 7-III* 2009, nr. 57. Het hof heeft geen aanleiding om af te wijken van de destijds geformuleerde uitgangspunten en volgt deze dan ook in de onderhavige zaak.

4.9 Artikel 57 Pw biedt partijen de mogelijkheid bij overeenkomst van artikel 19 Pw af te wijken. Aangenomen moet worden dat hetzelfde geldt voor artikel 2a van het Pachtnormenbesluit 1992 en artikel 8 van het Pachtnormenbesluit 1995. De vraag die voorligt, is of het bepaalde in artikel 19 van de pachtovereenkomst moet gelden als een overeengekomen afwijking van de genoemde bepalingen met betrekking tot de mogelijke doorberekening van de waterschapslasten aan [geïntimeerden] Daarbij neemt het hof in overweging dat uit artikel 157 Pw voortvloeit dat de rechten en verplichtingen die voortspruiten uit een pachtovereenkomst die van kracht is op het tijdstip van het inwerkingtreden van (een wijziging van) de Pachtwet, vanaf dat tijdstip voor het vervolg beheerst worden door (de gewijzigde) bepalingen van de Pachtwet. Daarnaast slaat het hof acht op het beginsel zoals dat tot uitdrukking komt in artikel 71 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, welk beginsel meebrengt dat een beding dat naar een vóór de inwerkingtreding van een nieuwe wet geldend wetsartikel verwijst of de zakelijke inhoud van zo’n artikel weergeeft, geacht wordt een verwijzing naar of een weergave van de nieuwe wet in te houden, tenzij dat niet in overeenstemming zou zijn met de strekking van het beding.

4.10 Ten tijde van de totstandkoming van de pachtovereenkomst tussen partijen gold artikel 14 Pw ook voor waterschapslasten. Ingevolge dat artikel is elk beding in een pachtovereenkomst nietig, ingevolge hetwelk de geldelijke lasten, welke de verpachter door publiekrechtelijke lichamen zijn of zullen worden opgelegd, geheel of ten dele ten laste van de pachter komen. Er was toentertijd dus geen keuzemogelijkheid tussen wel of niet doorberekenen van waterschapslasten aan de pachter. Bij die stand van zaken is artikel 19 van de overeenkomst als een herhaling van de bepaling van artikel 14 Pw te beschouwen. Daaraan doet niet af dat in artikel 19 in tegenstelling tot artikel 14 Pw specifiek (ook) waterschapslasten zijn genoemd, nu artikel 19 tevens melding maakt van "alle andere zakelijke lasten en belastingen". Dat sprake is van een herhaling leidt het hof verder af uit het systeem van de pachtovereenkomst, waarin op diverse andere plaatsen een - weliswaar niet woordelijke, maar naar de strekking genomen - herhaling van wettelijke bepalingen voorkomt. Gewezen wordt op de hiervoor door [appellanten] genoemde artikelen 4, 10, 15 en 22 die verwant zijn aan artikelen van de Pachtwet, zoals die toentertijd luidden.

4.11 Gelet op het hiervoor onder 4.9 geschetste kader is het aan de pachter concrete feiten en omstandigheden te stellen - en bij betwisting te bewijzen - waaruit zou kunnen worden afgeleid, dat partijen bij de totstandkoming van de pachtovereenkomst en in het bijzonder artikel 19 hebben beoogd dat zij, in het geval de publiekrechtelijke regeling van de pachtprijsbeheersing wél zou gaan voorzien in een doorberekening van de waterschapslasten aan de pachter, die doorberekening hebben willen uitsluiten.

4.12 Naar het oordeel van het hof is er voldoende aanleiding [geïntimeerden] toe te laten tot bewijslevering. De pachtovereenkomst is voor 24 jaar aangegaan. Gelet op de leeftijden van [geïntimeerden] destijds (respectievelijk 45 en 43 jaar) was het kennelijk de bedoeling de pachtovereenkomst te laten doorlopen tot de datum van de vermoedelijke beëindiging van hun agrarische bedrijf, namelijk op de leeftijden van respectievelijk 69 en 67 jaar. Niet valt uit te sluiten dat partijen hebben beoogd hun rechtsverhouding uitputtend te regelen gedurende de looptijd van de pachtovereenkomst en dat zij daarmee ook wilden uitsluiten dat veranderingen in regelgeving wijzigingen in de verplichtingen van de pachter zouden brengen. Daarnaast geldt dat [verpachter], de oorspronkelijke wederpartij van [geïntimeerden], na de pachtprijswijziging en de wijziging van de wet in 1995 kennelijk nooit aanspraak heeft gemaakt op de helft van de waterschapslasten. Dat is pas door de erfgenamen gebeurd, vanaf 2001. Dat ondersteunt de stelling van [geïntimeerden] dat [verpachter] zelf wilde dat de lasten voor zijn rekening kwamen. [geïntimeerden] zullen overeenkomstig hun bewijsaanbod toegelaten worden tot het bewijs van hun stelling dat het de partijbedoeling was dat zij, in het geval de publiekrechtelijke regeling van de pachtprijsbeheersing wél zou gaan voorzien in een doorberekening van de waterschapslasten aan de pachter, die doorberekening hebben willen uitsluiten.

Slotsom

4.13 Er zal bewijslevering volgen. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [geïntimeerden] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat het de partijbedoeling van [verpachter] en [geïntimeerden] was dat zij, in het geval de publiekrechtelijke regeling van de pachtprijsbeheersing zou gaan voorzien in een doorberekening van de waterschapslasten aan de pachter, die doorberekening hebben willen uitsluiten;

bepaalt dat, indien [geïntimeerden] dat bewijs door middel van getuigen wensen te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. Th.C.M. Willemse, vergezeld van het deskundig lid ir. H. Rogaar, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [geïntimeerden] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden december 2009, januari en februari 2010 zullen opgeven op de roldatum 27 oktober 2009 , waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [geïntimeerden] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dienen op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof in zesvoud en de wederpartij in enkelvoud uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek en Th.C.M. Willemse en de raden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H. Rogaar, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2009.