Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK3226

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
07-00399
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BO2027, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete.

Rechtbank heeft fictiebepaling dat beroep ook ziet op boete-beschikking over het hoofd gezien. Terugwijzing naar rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2570 met annotatie van van derVegt
FutD 2009-2486

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 07/00399

uitspraakdatum: 27 oktober 2009

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 5 juli 2007, nummer AWB 06/2210, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 met dagtekening 21 oktober 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd (aanslagnummer 1.H26), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.883. Voorts is bij beschikking een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 113.

1.2. Het door belanghebbende tegen deze aanslag en beschikking gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Het door belanghebbende tegen deze uitspraken op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de op de aanslag betrekking hebbende uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken – behoudens het in onderdeel 1.9 bedoelde stuk – die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd en waarvan door de griffier van het Hof afschriften zijn verzonden aan de wederpartij.

1.6. Het eerste onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 14 januari 2009 te Arnhem. Aldaar is verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbende is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan partijen verzonden.

1.7. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. In het kader van dat hervatte vooronderzoek hebben partijen nadere stukken ingediend.

1.8. Het tweede onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 8 oktober 2009. Aldaar is verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbende is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

1.9. Belanghebbende heeft op 8 oktober 2009, vóór de aanvang van de zitting, per fax nog een nader stuk ingediend. Nu dit stuk niet is ingediend binnen de tiendagentermijn als bedoeld in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht, zal het Hof – om een behoorlijk verloop van de procedure niet te verstoren - daarop geen acht slaan. De inhoud ervan vormt geen aanleiding het vooronderzoek te heropenen.

1.10. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende, genoot in het onderhavige jaar een AOW-uitkering en een pensioen. Zij is door de Inspecteur op 28 februari 2003 uitgenodigd om vóór 1 april 2003 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 te doen. Omdat belanghebbende hieraan geen gehoor heeft gegeven, heeft de Inspecteur belanghebbende op 3 november 2003 gemaand vóór 24 november 2003 de betreffende aangifte te doen.

2.2. Belanghebbende heeft op 7 januari 2004 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 gedaan. Zij heeft daarin onder meer aanspraak gemaakt op toepassing van de arbeidskorting.

2.3. Met dagtekening 21 oktober 2004 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de onderhavige (definitieve) aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer: 1.H26) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.883. Bij het vaststellen van deze aanslag heeft de Inspecteur geen arbeidskorting aan belanghebbende toegekend. Voorts heeft de Inspecteur aan belanghebbende wegens het niet tijdig doen van de aangifte een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 113.

2.4. Het tegen de aanslag en boetebeschikking gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2.5. Het door belanghebbende tegen deze uitspraken op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de op de aanslag betrekking hebbende uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag gehandhaafd. Met betrekking tot de boetebeschikking heeft de Rechtbank geen beslissing gegeven.

2.6. Belanghebbende heeft voor het jaar 2002 voorts aanspraak gemaakt op een aftrek wegens verliezen (rente) op beleggingen uit durfkapitaal.

3. Geschil, conclusies en standpunten van partijen

3.1 In geschil is of de onderhavige belastingaanslag tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende recht heeft op de arbeidskorting en op de geclaimde aftrek wegens verliezen (rente) op beleggingen uit durfkapitaal. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen de Inspecteur daaraan ter zitting heeft toegevoegd, wordt verwezen naar de processen-verbaal van de zittingen.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In hoger beroep is niet in geschil dat, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de onderhavige aanslag en boetebeschikking ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voorts is de beslissing van de Rechtbank om de zaak niet terug te wijzen naar de Inspecteur maar zelf in de zaak te voorzien in appel niet bestreden. Belanghebbende bepleit wel de terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank.

4.2. De Rechtbank heeft geen beslissing met betrekking tot de verzuimboete gegeven. Kennelijk heeft de Rechtbank uit het oog verloren dat het beroep van belanghebbende, nu de aanslag en boetebeschikking op één biljet zijn vermeld en het tegendeel ervan niet is gebleken, mede wordt geacht te zijn gericht tegen de boetebeschikking (artikel 24a, tweede lid in verbinding met artikel 26b, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). In aanmerking genomen dat de invoering van de tweede feitelijke instantie in belastingzaken haar grond vindt in de behandeling van boetezaken, moet worden geconcludeerd dat de zaak voor wat betreft de boete dient te worden teruggewezen naar de Rechtbank. In zoverre treft het hoger beroep van belanghebbende doel.

4.3. In de kern gaat de procedure om de vraag of belanghebbende recht heeft op toepassing van de arbeidskorting en op een aftrek wegens verliezen (rente) op beleggingen uit durfkapitaal.

4.4. In dit verband dient te worden vooropgesteld dat indien een belastingplichtige aanspraak maakt op een zogenoemde aftrekpost hij, ingeval de inspecteur die aftrekpost betwist, de gegrondheid van zijn aanspraak aannemelijk dient te maken.

4.5. Te dezen is belanghebbende naar het oordeel van het Hof hierin niet geslaagd. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, heeft belanghebbende immers op geen enkele wijze gestaafd dat zij recht heeft op een aftrek wegens verliezen (rente) op beleggingen in durfkapitaal. Opgemerkt hierbij zij nog dat belanghebbende in de fase van bezwaar, beroep en hoger beroep – tot tien dagen voor de zitting was zij gerechtigd nadere stukken in te dienen – alle gelegenheid heeft gekregen haar aanspraken met bewijs te staven. Zij heeft van die gelegenheden geen gebruik gemaakt. Gelet hierop, ziet het Hof geen grond om het verzoek van belanghebbende om de zaak wederom aan te houden om haar in de gelegenheid te stellen nadere (bewijs)stukken in te dienen, in te willigen.

4.6. Met betrekking tot de arbeidskorting heeft te gelden dat, nu belanghebbende geen inkomsten uit tegenwoordige arbeid geniet (doch een AOW-uitkering en een pensioen), belanghebbende, gelet op het bepaalde in artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001, geen recht op de arbeidskorting kan doen gelden.

4.7. Het hoger beroep is voor wat betreft de enkelvoudige belasting ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht, nu van zodanige kosten niet is gebleken, geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

- verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- handhaaft de belastingaanslag;

- wijst de zaak voor wat betreft de boetebeschikking terug naar de Rechtbank;

- gelast de Staat aan belanghebbende te vergoeden het door haar voor deze hogerberoepsprocedure betaalde griffierecht van € 106.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2009.

De griffier, De voorzitter,

(N. ten Broek) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 27 oktober 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.