Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK2259

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
08/00559
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemeen.

Griffierecht behoeft niet in een redelijke verhouding te staan tot het financiële belang van de zaak. Toegang tot de rechter dient wel te zijn gewaarborgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2459 met annotatie van Thomas
FutD 2009-2422

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00559

uitspraakdatum: 20 oktober 2009

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het verzet van

X, wonende te Z (hierna: belanghebbende)

1. Uitspraak waarvan verzet

Het verzetschrift van belanghebbende is ter griffie van het Hof ontvangen op 29 mei 2009. Het richt zich tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 28 april 2009 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 oktober 2008, nr. 08/2559 (hierna: de Rechtbank). Een fotokopie van de uitspraak, waarbij het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard, is aan deze uitspraak gehecht.

2. Behandeling van het verzet

2.1. Tot de stukken waarop het Hof bij de beoordeling van het verzet acht slaat behoren het hogerberoepschrift, de op 4 maart 2009 ontvangen aanvulling van het hoger beroepschrift, de uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 28 april 2009, het verzetschrift van belanghebbende en de reactie daarop van de heffingsambtenaar (hierna: de Ambtenaar)

2.2. De Ambtenaar is ter zitting verschenen. Belanghebbende is, hoewel hij aanvankelijk had gevraagd op het verzet te worden gehoord, met een gemotiveerde kennisgeving niet verschenen ter zitting. Tegelijkertijd heeft hij het Hof de suggestie gedaan de zaak voor te leggen aan een mediator. De Ambtenaar heeft, daarnaar door de griffier nog voor de zitting gevraagd, meegedeeld daaraan niet te willen meewerken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

3. Vaststaande feiten en gronden van het verzet

3.1. Nadat de Rechtbank de voornoemde uitspraak had gedaan heeft de Ambtenaar op 17 november 2008 dienaangaande een brief ontvangen welke brief hij heeft aangemerkt als een hogerberoepschrift en doorgezonden naar het Hof. In zijn brief van 4 december 2008 die is gericht aan het bij het Hof bekende adres van belanghebbende, heeft de griffier van het Hof belanghebbende gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. Hij heeft daarbij meegedeeld dat het verschuldigde bedrag uiterlijk op 1 januari 2009 dient te zijn bijgeschreven op de in de brief vermelde bankrekening dan wel contant te zijn betaald op het in die brief vermelde bezoekadres, en bericht dat bij niet tijdige betaling het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

3.2. Op 3 februari 2009 heeft de griffier van het Hof een aangetekende brief aan belanghebbende verzonden. Hierin is belanghebbende meegedeeld, dat het verschuldigde bedrag uiterlijk op 3 maart 2009 dient te zijn bijgeschreven. De brief van 3 februari 2009 is, volgens informatie afkomstig van TNT Post, op 4 februari 2009 op het postadres van belanghebbende afgeleverd.

3.3. De gerechtelijke boekhoudafdeling heeft het Hof een schriftelijk overzicht van openstaande vorderingen verstrekt waaruit blijkt dat het door belanghebbende verschuldigde griffierecht niet uiterlijk op 3 maart 2009 op de in de voornoemde brief vermelde rekening is bijgeschreven of contant is betaald. Ook na de genoemde datum is betaling uitgebleven.

3.4. Met toepassing van artikel 8:54 van de Awb heeft de negende enkelvoudige belastingkamer van dit Hof in zijn uitspraak van 28 april 2009 het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende kennelijk het verschuldigde griffierecht niet heeft betaald. Het afschrift van deze uitspraak is door de griffie van dit Hof op dezelfde datum per aangetekende post aan belanghebbende verzonden.

3.6. Belanghebbendes daartegen gerichte, op 27 mei 2009 gedagtekende, verzetschrift is ter griffie van het Hof ontvangen op 29 mei 2009. Belanghebbende stelt in zijn verzetschrift dat hij bewust het griffierecht niet heeft betaald. Als redenen hiervoor draagt hij aan, dat hij niet in staat is om het bedrag van het griffierecht te betalen en dat het bedrag van het griffierecht (€ 107) niet in redelijke verhouding staat tot het geldelijke belang van de zaak (€ 51,15). Belanghebbende beroept zich voorts op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), opdat de zaak eerlijk en onafhankelijk wordt behandeld.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzet

4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 27l, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 8:41, tweede lid, van de Awb, dient het verschuldigde griffierecht, binnen vier weken nadat de griffier van het Hof de indiener van het hoger beroepschrift daarop heeft gewezen, te zijn bijgeschreven op de rekening van het Hof dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

4.2. De termijn voor de betaling van het griffierecht eindigde in dit geval op 3 maart 2009. Uit een onderzoek dat het Hof heeft ingesteld bij de centrale boekhouding van de gerechten in het arrondissement Arnhem, is gebleken dat het verschuldigde griffierecht niet op 3 maart 2009 op de rekening van de gerechten is bijgeschreven. Het griffierecht is derhalve niet tijdig betaald. Niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

4.3. Belanghebbende voert allereerst aan dat hij niet in staat is het verschuldigde griffierecht te betalen. Indien het Hof in een individueel geval van oordeel is dat het heffen van het griffierecht de toegang tot de rechter belemmert, kan hij bepalen dat van de belanghebbende een zodanig recht wordt geheven dat de rechtsgang in die zaak is verzekerd (Nota naar aanleiding van het verslag, TK 1997-1998, 25175, nr. 5, blz. 20-21). Belanghebbende, op wie in dit geval de bewijslast rust, heeft evenwel geen feiten en omstandigheden aangevoerd met betrekking tot zijn financiële positie in de periode februari-maart 2009. Belanghebbende heeft dusdoende niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is tot betaling van het verschuldigde griffierecht.

4.4. Voorts acht belanghebbende het in zijn zaak verschuldigde griffierecht disproportioneel en, zo begrijpt het hof, een belemmering van de toegang tot de rechter, welke belemmering in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Geen rechtsregel gebiedt evenwel dat het bedrag van het griffierecht in een redelijke verhouding moet staan tot het financiële belang van de zaak. Het bedrag van het griffierecht mag echter niet zodanig hoog zijn dat dit, objectief gezien, een wezenlijke belemmering vormt voor de vrije toegang tot de rechter. Het griffierecht voor het hoger beroep van € 107 vormt niet een dusdanige belemmering.

4.5. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt of geworden dat in casu sprake is van een verschoonbaar verzuim. Het verzet is mitsdien ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lamens, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2009.

De griffier, De raadsheer,

(A. Vellema) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.