Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK2257

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
08-00222
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Winstcorrectie bij taxi-ondernemer met ondeugdelijke administratie is terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2513 met annotatie van Zandee-Dingemanse
FutD 2009-2425

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00222

uitspraakdatum: 20 oktober 2009

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 mei 2008, nummer AWB 07/4060, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 1999 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedagtekend 19 mei 2004 opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 154.651 (ƒ 340.806). Aan heffingsrente is een bedrag berekend van € 11.746 (ƒ 25.886).

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende, bij de Inspecteur ingekomen op 21 oktober 2006, heeft de Inspecteur bij uitspraak van 12 september 2007 belanghebbende wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar en het bezwaar aangemerkt als een verzoek om ambtshalve herziening van de navorderingsaanslag. De Inspecteur heeft dit verzoek afgewezen en de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij haar uitspraak van 6 mei 2008 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, het bezwaar ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.4. Belanghebbendes echtgenote, Y, en zijn gemachtigde, A, hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank in afzonderlijke geschriften hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd en waarvan door de griffier van het Hof afschriften zijn verzonden aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2009 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en zijn echtgenote, alsmede de Inspecteur. De gemachtigde van belanghebbende is met kennisgeving vooraf niet ter zitting verschenen.

1.7. Belanghebbende heeft ter zitting een brief van 13 december 2007 aan het Hof en de Inspecteur overgelegd. Deze brief, die zich al in het van de Rechtbank ontvangen dossier bevond, heeft het Hof zonder bezwaar van de Inspecteur tot de stukken van het geding gerekend.

1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is gehuwd met Y. Hij exploiteert in de vorm van een eenmanszaak een taxionderneming genaamd “B”, waarvan de taxi’s in en rondom Q en R personen vervoeren. De eenmanszaak bezit een taxivergunning met nummer 01. Naast de eenmanszaak bestaat er een coöperatieve vereniging genaamd “C” (hierna: de coöperatieve vereniging). Van deze coöperatieve vereniging is belanghebbende voorzitter van het bestuur en zijn echtgenote algemeen bestuurder. De coöperatieve vereniging heeft een taxivergunning met nummer 02 op haar naam staan en is aangesloten bij D (D). De resultaten van de exploitatie van beide taxivergunningen geeft belanghebbende in zijn aangifte in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aan als winst uit onderneming. In het jaar 1999 zijn 14 personen binnen belanghebbendes onderneming werkzaam, welke personen in dienstbetrekking zijn van belanghebbende dan wel de coöperatieve vereniging. Op 1 januari 1999 rekende belanghebbende vijf bedrijfsauto’s tot zijn ondernemingsvermogen. Op 31 december 1999 waren dit zeven bedrijfsauto’s.

2.2. Belanghebbende verzorgt samen met zijn echtgenote de dagelijkse administratie van de eenmanszaak. De chauffeurs maken per dienst een rittenstaat en een omzetstaat op. Op de rittenstaat vermeldt de chauffeur elke rit afzonderlijk met daarbij de opbrengst en de kilometerstanden. Aan het einde van de dienst maakt hij aan de hand van de rittenstaat een omzetstaat op, waarop de totale opbrengst van die dag staat vermeld. De rittenstaten en omzetstaten geeft de chauffeur aan belanghebbende en zijn echtgenote, waarna de echtgenote deze op de computer verwerkt in de administratie.

2.3. De Inspecteur heeft in het voorjaar van het jaar 2000 van E (hierna: E), een tip ontvangen dat belanghebbende niet al zijn omzet verantwoordt en zijn werknemers deels zwart loon betaalt. E was de voormalige vriendin van F (hierna: F). F was in 1999 bij belanghebbende in loondienst. E heeft aan de Inspecteur F’s agenda, twee van zijn rittenstaten en bekeuringen overhandigd, die bij haar waren achtergebleven na het vertrek van F uit de gemeenschappelijke woning. Naar aanleiding van deze tip heeft de Inspecteur bij belanghebbende in januari 2001 een boekenonderzoek over het jaar 1999 ingesteld.

2.4. Dit onderzoek over het jaar 1999 heeft geleid tot de volgende bevindingen:

- de taxi met vergunning 02 haalt niet de minimale opbrengsten per kilometer;

- de kilometerstanden van de taxi’s corresponderen stelselmatig niet met garagenota’s;

- er is sprake van een negatief netto privé-vermogen van ƒ 25.000;

- aan de hand van in de administratie verwerkte bekeuringen is vastgesteld, dat er op dagen vermoedelijk is gereden zonder dat hiervan rittenstaten zijn opgemaakt, en

- de gegevens uit de door E overgelegde bescheiden sluiten niet aan bij de rittenstaten die in belanghebbendes administratie over het jaar 1999 aanwezig waren.

2.5. In verband met het vermoeden dat een gedeelte van de omzet niet in de boekhouding en de belastingaangiften is verantwoord, heeft de Inspecteur het boekenonderzoek stopgezet en de zaak aangemeld voor een strafrechtelijk onderzoek.

2.6. Op 26 oktober 2001 is in het tripartiete overleg besloten tot een strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode januari 2002 tot en met 15 juli 2002. De resultaten van het strafrechtelijke onderzoek zijn opgenomen in een overzichtsproces-verbaal van de FIOD dat tot de stukken van het geding behoort.

2.7. Op 3 december 2001 is bij de Inspecteur een nadere telefonische tip binnengekomen van G (hierna: G) die ongeveer één maand als chauffeur in loondienst heeft gewerkt bij belanghebbende. G verklaart onder andere:

- dat de omzet die hij als voormalig werknemer van belanghebbende verdiende door twee werd gedeeld, waarvan één deel door hem en het andere deel door belanghebbende werd behouden;

- dat de per dag bijgehouden rittenstaten na afloop van de dienst werden vervangen door nieuwe rittenstaten waarop voor ongeveer de helft van het in werkelijkheid gereden bedrag andere ritten werden vermeld;

- dat de originele rittenstaten werden vernietigd in de papierversnipperaar op het kantoor van de eenmanszaak;

- dat de andere chauffeurs op dezelfde wijze te werk gingen, en

- dat belanghebbendes echtgenote hem heeft benaderd om de originele rittenstaten die nog in zijn bezit waren, te verkrijgen en dat zij hem hiervoor geld heeft geboden.

Ter ondersteuning van zijn verklaring heeft hij zeven originele rittenstaten overgelegd. Uit het strafrechtelijke onderzoek is naar voren gekomen, dat de door G overgelegde rittenstaten niet waren opgenomen in belanghebbendes administratie.

2.8. Het onder 2.6. genoemde overzichtsproces-verbaal van de FIOD vermeldt, dat op 8 april 2002 onder leiding van een rechter-commissaris doorzoekingen hebben plaatsgevonden op onder meer het woon- en bedrijfsadres van belanghebbende en diens onderneming. Tijdens de doorzoeking van het kantoor van belanghebbendes onderneming is in de papierversnipperaar een groot aantal versnipperde rittenstaten aangetroffen, waarvan er diverse door FIOD-medewerkers zijn gereconstrueerd en vergeleken met de door belanghebbende in zijn administratie verwerkte gegevens.

2.9. Over de gereconstrueerde rittenstaten zijn de desbetreffende chauffeurs gehoord. Deze chauffeurs hebben tegenover medewerkers van de FIOD onder andere het volgende verklaard:

“Ik moest dit zo doen in opdracht van X. Ik denk dat hij op deze manier de belasting wilde ontduiken. Ik moest altijd de rittenstaten inleveren bij X. (…) Ik herinner mij nu dat ik bij het afrekenen wel eens gezien heb dat X de originele rittenstaten in de papierversnipperaar deed (…) X heeft mij uitgelegd dat het aantal kilometers altijd gelijk moest zijn en dat de omzet gehalveerd moest worden. Ik moest dan een originele en een valse rittenstaat inleveren bij hem”. H V05/01, pag. 2 en 3

“Deze [Hof: rittenstaat] is vals. (…) De kilometers die gereden worden zijn zowel op de valse rittenstaten als op de originele rittenstaten hetzelfde (…). Het enige wat ik moet doen is ritten verzinnen op een zodanige manier dat de helft van de daadwerkelijk gereden omzet overblijft. (…) Echter met X heb ik de afspraak dat ik de helft van de omzet in mijn eigen zak steek. (…) Volgens mijn loonstrook verdien ik € 980. Daadwerkelijk vang ik per maand zo’n € 1700. (…) Het aanpassen van de rittenstaten doe ik al sinds 1 februari 2000. Dus vanaf de dag dat ik in dienst ben getreden van B.” H V05/02, pag. 2 en 3

“De verschreven ritstaat is bij mij thuis gemaakt. De beide staten met de kasbon [Hof: synoniem voor omzetstaat] wordt ingeleverd bij X, met het contant ontvangen geld en afschriften van creditcards.” I, V12/01, pag. 3

“Deze rittenstaten heb ik opgemaakt op verzoek van X. De ritten die X op de vorige rittenstaat die u mij toonde met een kruisje had gemerkt moet ik over nemen op een nieuwe rittenstaat, degene die u mij nu toont. De ritten die X niet had gemerkt staan dus niet op deze staat. (…) Ik kreeg mijn aandeel ook betaald op basis van de juiste rittenstaat.” J, V06/01, pag. 6 en 9

“Ik werk als oproepkracht vanaf 1 oktober 1999 bij B. (…) Ik bedoel hiermee dat bijvoorbeeld drie stadsritten zijn veranderd in één Rrit. Stadsritten zijn op zich niet verboden. X wil echter zoveel mogelijk werk op R ritten geboekt zien. (…) Ik begrijp dat als ik een Rrit boek die ik in feite niet gemaakt heb, dat ik dan iets opschrijf wat niet is gebeurd. Ik doe wat X graag op zijn papieren wil zien. (…) Het aanpassen van rittenstaten doe ik al vanaf dat ik daar in 1999 ben gaan werken. (…) De omzet wordt in principe tussen mij en X fifty fifty gedeeld.” K, V08/01, pag. 3 tot en met 5

“Op de verschreven ritstaat worden de werkelijk gereden kilometers vermeld en de ritten op deze verschreven ritstaten worden dan ongeveer in overeenstemming gebracht met de werkelijk gereden kilometers.” L, V11/01, pag. 3 en 4

“Ik moest van X elke dag drie staten inleveren. 1 rittenstaat met daarop de daadwerkelijke gereden ritten, 1 rittenstaat met daarop de helft van de ritten en de helft van de omzet en een omzetstaat. (…) X heeft mij verteld dat hij de omzetstaat en de bon met daarop de helft van de ritten en de helft van de omzet gebruikte voor in zijn administratie.” M, V14, pag. 2

“Ik maakte de originele rittenstaat op en als later de aangepaste rittenstaat was gemaakt ging de originele rittenstaat in opdracht van X in de papierversnipperaar. (…) Het bedrag op de nieuwe rittenstaat werd dan gehalveerd in vergelijking met de originele rittenstaat.” N, G07/01, pag. 3

2.10. Tevens zijn tijdens de doorzoekingen originele rittenstaten met de daarbij behorende vermoedelijk valse rittenstaten aangetroffen die nog niet in de administratie waren verwerkt.

2.11. De FIOD heeft de rittenstaat van F van 18 december 1999, waarop een omzet van ƒ 545,50 is vermeld, vergeleken met de administratie van belanghebbende. In de administratie werd een rittenstaat van F met dezelfde datum aangetroffen, waarop een omzet van ƒ 263 was vermeld.

2.12. Bij het overzichtsproces-verbaal van de FIOD is een belastingnadeelberekening gevoegd, waarin het belastbare inkomen als volgt is berekend:

“ ƒ ƒ ƒ

Aangegeven/vastgesteld belastbaar inkomen 45.890

Winstcorrectie

Meer omzet 590.582

Af: Netto uitbetaald loon 147.110

Nog verschuldigde loonbelasting 115.127

Nog verschuldigde omzetbelasting 33.429

295.666

Winstcorrectie 294.916

Belastbaar inkomen na winstcorrectie 340.806

Correctie zelfstandigenaftrek 4.300

Af: Correctie meewerkaftrek - 7.567

Af: Correctie FOR-dotatie - 10.999

belastbaar bedrag 326.540 ”

2.13. Belanghebbende is door de rechtbank, de strafkamer van het Hof en de Hoge Raad strafrechtelijk veroordeeld wegens ondermeer het opzettelijk onjuist doen van aangifte in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

2.14. De Inspecteur heeft in verband met de geconstateerde fraude en de betrokkenheid van belanghebbende daarbij de in geschil zijnde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999 aangekondigd. De navorderingsaanslag is met dagtekening 19 mei 2004 opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur het gecorrigeerd belastbare inkomen vastgesteld op € 154.651 (ƒ 340.806).

2.15. Met dagtekening 14 oktober 2006 heeft de ontvanger aan belanghebbende een “Mededeling inkomstenbelasting/premie volksverz.” verzonden betreffende de navorderingsaanslag.

2.16. Belanghebbende heeft in zijn brief van 20 oktober 2006, die door de Inspecteur is ontvangen op 21 oktober 2006, bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag.

2.17. Bij uitspraak op bezwaar van 12 september 2007 heeft de Inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. De Inspecteur heeft het bezwaar wel ambtshalve beoordeeld. Dit heeft niet geleid tot een verlaging van de navorderingsaanslag.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of aan belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag de navorderingsaanslag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Belanghebbende stelt – kort samengevat – dat de uitspraak van de Rechtbank is gestoeld op onjuiste feiten. Belanghebbende stelt dat de rittenstaten niet zijn vernietigd en dat hij beschikt over alle 4800 originele rittenstaten, weekstaten, balansen en winst- en verliesrekeningen op grond waarvan belanghebbendes (ritten-)administratie is opgemaakt en dat hij die te allen tijde kan overleggen. Daarnaast stelt belanghebbende dat de helft van de dagomzetten, nadat deze verminderd waren met brandstofkosten en betaalde tipgelden, aan de chauffeurs werden uitbetaald als voorschotten op hun loon.

3.3. De Inspecteur stelt – kort samengevat – dat nu vaststaat dat belanghebbende fiscale fraude heeft gepleegd en dus niet de vereiste aangifte heeft gedaan en voorts niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard. Met hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft bijgebracht, heeft hij niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

3.4. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de navorderingsaanslag.

3.6. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

4.1. Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil, dat de Inspecteur de navorderingsaanslag naar het juiste adres heeft verzonden, dat belanghebbende deze niet heeft ontvangen en dat belanghebbende zo spoedig mogelijk nadat hem bekend was geworden dat hem een navorderingsaanslag was opgelegd, hiertegen bezwaar heeft gemaakt. Dan is het Hof met de Rechtbank van oordeel, dat belanghebbende met het na afloop van de wettelijke bezwaartermijn ingediende bezwaarschrift niet in verzuim is geweest. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

4.2. De Rechtbank heeft de Inspecteur niet opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, omdat zij uit de brieven van belanghebbende heeft begrepen dat hij nadrukkelijk de Rechtbank heeft verzocht de zaak verder af te doen. Belanghebbende heeft tegen deze beslissing in hoger beroep geen grieven aangedragen. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende bevestigd, dat hij een inhoudelijke beoordeling van het geschil door het Hof wenst. Het Hof zal de zaak daarom niet terugwijzen naar de Inspecteur.

Bewijslast

4.3. Belanghebbende is administratieplichtig in de zin van artikel 52, tweede lid, onderdeel b, van de AWR, nu hij als natuurlijk persoon een bedrijf uitoefent. Ingevolge het eerste lid van voornoemd artikel is een administratieplichtige gehouden van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit blijken. Ingevolge het vierde lid zijn administratieplichtigen verplicht de gegevensdragers gedurende zeven jaren te bewaren.

4.4. De Inspecteur stelt dat belanghebbende de originele rittenstaten niet in de administratie heeft verwerkt en deze heeft vernietigd. Hij stelt dat niet is voldaan aan de verplichtingen van artikel 52 van de AWR en dat hij daarom bij het vaststellen van de navorderingsaanslag terecht de sanctie van de omkering van de bewijslast ingevolge artikel 25, zesde lid, van de AWR (wettekst geldend van 01-01-1999 t/m 31-08-1999; vanaf 01 09 1999 artikel 27e AWR) heeft toegepast.

4.5. Belanghebbende bestrijdt dit en stelt dat de in zijn administratie aangetroffen rittenstaten de originele rittenstaten waren. Slechts incidenteel zijn rittenstaten overgeschreven door chauffeurs, als de originele rittenstaat niet leesbaar, onjuist of onvolledig was ingevuld. De door de FIOD in de papiervernietiger aangetroffen rittenstaten waren kladstaten. De herkomst van de rittenstaten die in het bezit van E en G waren, is belanghebbende en zijn echtgenote niet bekend. Zij hebben andere rittenstaten in hun administratie opgenomen. De verklaringen die de chauffeurs bij de FIOD hebben afgelegd, zijn niet betrouwbaar, omdat deze onder dwang tot stand zijn gekomen.

4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de rittenstaten gegevensdragers zijn die een essentieel onderdeel vormen van de administratie. Naar het oordeel van het Hof volgt uit onder meer de verklaringen van E, de chauffeurs en dan in het bijzonder die van K, alsmede de door E overgelegde bescheiden en de discrepantie tussen deze stukken en de administratie van belanghebbende, dat aannemelijk is dat originele rittenstaten in het jaar 1999 werden overgeschreven, waarna enkel de overgeschreven rittenstaten en niet de originele rittenstaten in de administratie werden verwerkt. Belanghebbendes verklaring dat slechts incidenteel rittenkaarten werden overgeschreven, wordt weerlegd door de door de chauffeurs tegenover de FIOD afgelegde verklaringen. Deze verklaringen van de chauffeurs stroken met elkaar en met de overige bevindingen van de Belastingdienst en de FIOD, zodat het Hof deze verklaringen betrouwbaar acht. Evenmin heeft belanghebbende een afdoende verklaring gegeven voor het feit dat de FIOD een rittenkaart van F gedateerd 18 december 1999 in zijn bezit heeft, terwijl eenzelfde rittenkaart maar dan met een lagere omzet in de administratie van belanghebbende is verwerkt. De conclusie van het Hof is daarom dat belanghebbende niet aan zijn administratieplicht heeft voldaan. Deze schending van de administratieplicht is dusdanig, dat deze de sanctie van de omkering van de bewijslast rechtvaardigt.

4.7. Evenmin heeft belanghebbende aan zijn bewaarplicht voldaan, nu het Hof het op grond van de overlegde verklaringen en de bevindingen van de FIOD en de Belastingdienst aannemelijk acht, dat hij in het jaar 1999 originele rittenstaten heeft vernietigd. Ook deze schending van de bewaarplicht is dusdanig, dat deze op zich al voldoende is de sanctie van de omkering van de bewijslast te rechtvaardigen.

Redelijke schatting

4.8. Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.6. en 4.7. is overwogen, dient het Hof het beroep ongegrond te verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar c.q. de navorderingsaanslag onjuist is.

4.9. De Inspecteur heeft de winst van belanghebbendes onderneming opnieuw berekend. Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat het exploitatieresultaat van beide taxivergunningen tot belanghebbendes winst uit onderneming behoren. De Inspecteur heeft de met de beide taxivergunningen behaalde omzet verdubbeld, omdat uit de verschillende verklaringen volgt dat slechts de helft van de omzet op de overgeschreven rittenstaten werd vermeld. Hij is er daarbij klaarblijkelijk vanuit gegaan dat in het jaar 1999 alle rittenstaten overgeschreven werden. Van de omzetverhoging heeft hij, na aftrek van de door de chauffeurs gemaakte kosten, de helft als loonkosten aangemerkt. Daarnaast is de over de extra omzet verschuldigde omzetbelasting uit de bij belanghebbende te belasten winst geëlimineerd.

4.10. Belanghebbende brengt hier tegen in dat de bijgetelde omzet zo hoog is, dat deze niet door zijn onderneming behaald had kunnen worden. De onderneming zou dan in de taxibranche de hoogste omzet hebben in het land of zelfs in Europa.

4.11. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, tegenover de niet nader onderbouwde stelling van belanghebbende, een redelijke schatting van de verzwegen winst uit onderneming gemaakt. Uit de door de chauffeurs afgelegde verklaringen heeft de Inspecteur in redelijkheid kunnen concluderen, dat alle rittenstaten werden overgeschreven. Het Hof komt de door de Inspecteur berekende omzet ook niet onredelijk hoog voor, voor een onderneming waarin 14 werknemers werkzaam zijn en waarin gemiddeld zes bedrijfsauto’s geëxploiteerd worden. Gelet op de eerdergenoemde verklaringen acht het Hof belanghebbendes stelling, dat de verzwegen omzet volledig ten goede is gekomen aan de chauffeurs, niet aannemelijk en zal daar dan ook aan voorbij gaan.

4.12. De berekening van het belastbare inkomen luidt dan als volgt:

ƒ ƒ

Aangegeven winst uit onderneming 83.411

Winstcorrectie (zie onder 2.12.) 294.916

Gecorrigeerde winst uit onderneming 378.327

Huurwaarde forfait 6.587

Rente-inkomsten 546

Af: Rentevrijstelling 407

139

385.053

Af: Aftrekposten eigen woning 9.790

Onzuiver inkomen 375.263

Af: Premies particuliere verzekeringen 1.529

Rente van schulden 139

Zelfstandigenaftrek 7.515

Meewerkaftrek 7.567

Dotatie fiscale oudedagsreserve 21.009

37.759

Inkomen 337.504

Af: Verliesverrekening 9.295

Belastbaar inkomen 328.209

4.13. Nu het aldus berekende belastbare inkomen lager is dan het belastbare inkomen dat de Inspecteur bij de navorderingsaanslag heeft vastgesteld en dit tot een navenant lagere belastingheffing leidt, dient de navorderingaanslag te worden verminderd. De Inspecteur heeft ter zitting aangegeven in te stemmen met de verlaging van het belastbare inkomen, zoals opgenomen onder 4.12.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Kosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op (1 procespunt voor het hoger beroepschrift ? € 322 ? wegingsfactor 1 =) € 322 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 30 op de begrote reis en verblijfkosten in hoger beroep, ofwel in totaal op € 352.

6. Beslissing

Het Gerechtshof

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van € 148.935 (ƒ 328.209);

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 352, en

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 39 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 107 in verband met het hoger beroep bij het Gerechtshof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. J.B.H. Röben, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 20 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 oktober 2009

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.