Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK1902

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
24-001077-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van mishandeling, wederspannigheid en overtreding van art. 184 op 2 juli 2005 in uitgaanscentrum van Almere, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf. Verwerping beroep op noodweer. Strafvermindering vanwege overschrijding redelijke termijn met zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-001077-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-607298-05

Arrest van 3 november 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 april 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. H.W. Eeuwijk, advocaat te Den Haag.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen en heeft beslist op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte terzake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 140 uur, subsidiair 70 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2] niet-ontvankelijk zal verklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

zij op of omstreeks 02 juli 2005 in de te [Almere] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] bij de keel/nek heeft vastgepakt/beetgepakt en/of (vervolgens) de keel/nek (met beide handen) heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt en/of heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 02 juli 2005 in de gemeente [Almere] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), bij de keel/nek heeft vastgepakt/beetgepakt en/of (vervolgens) de keel/nek (met beide handen) heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt en/of heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

zij op of omstreeks 02 juli 2005 in de gemeente [Almere] opzettelijk toen de aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) [verbalisant 1] (bridadier van politie) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent van politie) een zekere [betrokkene] als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den), teneinde deze ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, met geweld (met kracht) voornoemde [verbalisant 2] bij de keel/nek heeft vastgepakt/beetgepakt (om te verijdelen, dat genoemd persoon werd opgebracht) en aldus het wegvoeren van genoemd persoon door eerstgenoemde politieambtena(a)r(en) heeft belet, belemmerd of verijdeld;

3.

zij op of omstreeks 02 juli 2005 in de gemeente [Almere] toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 2] (hoofdagent van politie) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde haar ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en haar daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht)

- te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die [verbalisant 2] haar, verdachte, trachtte te geleiden en/of

- slaande/zwaaiende bewegingen te maken en/of

- (met een elleboog) in de buikstreek/maag, in ieder geval op/tegen/in het lichaam, van voornoemde [verbalisant 2] te slaan/stompen.

Het hof beschouwt het in de derde regel van feit 2 vermelde "bridadier" als een kennelijke misslag en leest dit verbeterd als "brigadier". Hierdoor wordt verdachte niet in enig belang geschaad.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 1 primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof verklaart ten laste van verdachte bewezen dat:

1. subsidiair

zij op 02 juli 2005 in de gemeente [Almere] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), bij de keel heeft beetgepakt en (vervolgens) de keel (met beide handen) heeft dichtgedrukt, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.

zij op 02 juli 2005 in de gemeente [Almere] opzettelijk toen de aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren [verbalisant 1] (brigadier van politie) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie) een zekere [betrokkene] als verdacht van het gepleegd hebben van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit hadden vastgegrepen, teneinde deze ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, met geweld (met kracht) voornoemde [verbalisant 2] bij de keel heeft vastgepakt (om te verijdelen, dat genoemd persoon werd opgebracht) en aldus het wegvoeren van genoemd persoon door genoemde politieambtenaren heeft belet;

3.

zij op 02 juli 2005 in de gemeente [Almere] toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 2] (hoofdagent van politie) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, teneinde haar ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en haar daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig meermalen (met kracht)

- te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die [verbalisant 2] haar, verdachte, trachtte te geleiden en

- slaande bewegingen te maken en

- (met een elleboog) in de buikstreek van voornoemde [verbalisant 2] te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld 1 subsidiair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1 subsidiair:

mishandeling;

2:

opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, beletten;

3:

wederspannigheid.

Strafbaarheid

Ter terechtzitting heeft de raadsman namens verdachte aangevoerd dat verdachte met betrekking tot feit 1 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging aangezien er sprake is van noodweer, danwel putatief noodweer. De raadsman heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte een vrouw, naar later bleek [slachtoffer], op zich af zag stormen en ter verdediging van zichzelf zich heeft afgeweerd. Aldus is er naar het oordeel van de verdediging sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Subsidiair is door de raadsman aangevoerd dat verdachte in de veronderstelling verkeerde - en gelet op de omstandigheden ook in deze veronderstelling mocht verkeren - dat sprake was van een situatie van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen zij zich moest verdedigen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij als toilet/garderobe juffrouw werkzaam was bij café [naam]. Op het moment dat drie meisjes de toiletten verlieten zonder te betalen, is zij naar deze meisjes toegelopen en heeft zij hen hierop aangesproken. Hierop werd zij door verdachte bij de keel gegrepen. In deze verklaring, alsmede in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], kan het hof geen steun vinden voor het standpunt van de verdachte dat aangeefster op haar af kwam stormen en direct daaropvolgend fysiek geweld tegen haar heeft gebruikt. Naar het oordeel van het hof is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een situatie van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Met betrekking tot het door de raadsman opgeworpen putatief noodweer constateert het hof dat in het geheel niet is gesteld, noch is gebleken, op grond waarvan verdachte verontschuldigbaar zou hebben gedwaald dat zij onmiddellijk en wederrechtelijk werd aangerand.

Het hof verwerpt dan ook dit verweer.

Met betrekking tot het tenlastegelegde onder feit 2 heeft de raadsman eveneens een noodweer-verweer gevoerd, op grond waarvan verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat [betrokkene] door verbalisant [verbalisant 1] hardhandig aan haar haar werd getrokken, hetgeen een grensoverschrijdende gedraging was. Ter verdediging van deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van [betrokkene] heeft verdachte daarom aan de hand van [verbalisant 1] getrokken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent dat de onderbouwing van het beroep op noodweer klaarblijkelijk is gericht op de handelingen van verbalisant [verbalisant 1] jegens [betrokkene]. In het onder feit 2 tenlastegelegde wordt verdachte echter verweten dat zij verbalisant [verbalisant 2] bij de keel heeft vastgepakt, niet dat zij verbalisant [verbalisant 1] aan de hand zou hebben getrokken. Het verweer van de raadsman treft dan ook reeds hierom geen doel. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om in te gaan op de vraag of het optreden van verbalisant [verbalisant 1] jegens [betrokkene] al dan niet zou moeten worden aangemerkt als grensoverschrijdend gedrag.

Het hof acht verdachte strafbaar nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de nacht van 2 juli 2005 in het uitgaanscentrum van [plaats] schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten. Allereerst heeft zij een toiletjuffrouw, die een paar meisjes aansprak op het niet betalen voor toiletgebruik, hardhandig bij de keel beetgepakt. Nadat verdachte en enkele anderen het betreffende café waren uitgezet, probeerden twee ter plaatse gekomen verbalisanten [betrokkene] aan te houden. Verdachte heeft zich met deze aanhouding bemoeid en heeft hiertoe één van de verbalisanten bij de keel heeft vastgepakt. Toen deze politieagente verdachte vervolgens wilde aanhouden, heeft verdachte zich tegen deze aanhouding verzet, door te rukken, slaande bewegingen te maken en de agente met een elleboog in de buikstreek te slaan. Verdachte heeft door zo te handelen overlast veroorzaakt en verbalisanten belemmerd in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Daarnaast heeft verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers aangetast. Dergelijk gewelddadig optreden is in het algemeen zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Slachtoffers van het geweld kunnen daarvan nog langdurig psychische klachten ondervinden.

Het hof heeft kennis genomen van een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 juli 2009, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door haar en haar raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gepleegde feit zodanig ernstig is dat in beginsel een gevangenisstraf passend en geboden is. Alles afwegende is het hof echter met de advocaat-generaal en de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval gekozen dient te worden voor een combinatie van een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van honderdveertig uren, subsidiair zeventig dagen hechtenis.

In het onderhavige geval is de duur van de behandeling van de zaak in hoger beroep echter zodanig dat een inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM moet worden aangenomen. Verdachte heeft immers op 25 april 2007 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof eerst op 3 november 2009 - derhalve meer dan tweeëneenhalf jaar later - einduitspraak doet. Het hof zal bij de bepaling van de strafmaat rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden met zes maanden en negen dagen, maar stelt voorts vast dat een deel hiervan kan worden verklaard door de ingewikkeldheid van de zaak, de gelijktijdige berechting met de zaken van twee medeverdachten, de omstandigheid dat namens verdachte is verzocht tot het horen van 15 getuigen, om welke reden het hof een regiezitting heeft gehouden. Het hof zal derhalve op voormelde werkstraf vijf procent in mindering brengen. Aldus heeft voldoende compensatie plaatsgevonden voor overschrijding van de redelijke termijn.

Benadeelde partij [verbalisant 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard en dat zij zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vordering is van de zijde van verdachte onvoldoende weersproken, nu verdachte slechts heeft aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu er geen causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de ten laste gelegde feiten. Naar het oordeel van het hof is echter vast komen te staan dat de benadeelde partij als direct gevolg van de bewezenverklaarde feiten schade heeft geleden. Het hof is voorts van oordeel dat de hoogte van de immateriële schade genoegzaam is komen vast te staan tot een bedrag van

€ 1.500,-. Derhalve kan deze vordering worden toegewezen, één en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door één of meer van de mededaders geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal dit bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 180, 184 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van één maand;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderddrieëndertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zesenzestig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [verbalisant 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van duizend vijfhonderd euro;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van duizend vijfhonderd euro ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 2], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mr. W.F. van Zant en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. W. Landstra als griffier, zijnde mr. W.F. van Zant buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.