Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK1755

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
02-11-2009
Zaaknummer
08-00425
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Successierecht.

Bezwaar tegen navorderingsaanslag successierecht terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2460 met annotatie van Barmentlo
FutD 2009-2401

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00425

uitspraakdatum: 20 oktober 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 10 juli 2008, nummer AWB 08/639, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is aanvankelijk ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van A een aanslag in het recht van successie opgelegd tot een bedrag van € 19.259.

1.2. Vervolgens is aan belanghebbende dienaangaande een navorderingsaanslag in het recht van successie, met dagtekening 29 juni 2007, opgelegd van € 60.520.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag bij brief van 15 augustus 2007, ingekomen bij de Inspecteur op 20 augustus 2007, bezwaar gemaakt.

1.4. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 december 2007 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.

1.5. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij uitspraak van 10 juli 2008, nummer AWB 08/639, heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.6. Belanghebbende heeft bij brief van 15 augustus 2008, ingekomen bij het Hof op 19 augustus 2008, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009 te Arnhem. Belanghebbende en de Inspecteur zijn daar verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De pleitnota moet als hier ingelast worden beschouwd. Het Hof heeft ter zitting het onderzoek gesloten.

1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1. Op 22 januari 2006 is de oom van belanghebbende (hierna: erflater) overleden. Belanghebbende en zijn zuster B (hierna: zuster) zijn de enige erfgenamen van erflater.

2.2. Blijkens de Verklaring van Erfrecht van 20 maart 2006 heeft belanghebbende aan zijn zuster volmacht gegeven om hem te vertegenwoordigen in alle opzichten ter zake van de nalatenschap van erflater.

2.3. Belanghebbende en zijn zuster hebben op 28 september 2006 aangifte voor het recht van successie gedaan van een verkrijging van in totaal € 233.865, voor elk van beiden € 116.932. In de aangifte is vermeld dat belanghebbende en zijn zuster respectievelijk neef en nicht van erflater zijn.

2.4. Belanghebbende en zijn zuster hebben in de aangifte ingevolge artikel 43, lid 1, Successiewet 1956, woonplaats gekozen op het adres van belanghebbendes zuster te Wierden. Verder is in de aangifte ervoor gekozen om per verkrijger afzonderlijk een aanslagbiljet te ontvangen.

2.5. Bij het opleggen van de aanslagen, gedagtekend 27 november 2006, waarbij de verkrijging van elk van de erfgenamen in afwijking van de aangifte is vastgesteld op € 161.679, is voor de tarieftoepassing van artikel 24 Successiewet 1956 belanghebbendes zuster ingedeeld in tariefgroep III, maar is belanghebbende ten onrechte ingedeeld in tariefgroep I, in plaats van in tariefgroep III. Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd van € 19.259, en aan zijn zuster van € 79.779. Deze fout is door middel van de navorderingsaanslag hersteld.

2.6. Bij brief van 10 mei 2007 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag aangekondigd. Deze brief is gezonden naar het adres van belanghebbendes zuster.

2.7. Het aanslagbiljet vermeldt de naam van belanghebbende en is tezamen met een zogenaamde geleidebrief - aan welke brief een acceptgirokaart is gehecht ten name van belanghebbendes zuster - verzonden naar het in de aangifte gekozen adres van belanghebbendes zuster. Het aanslagbiljet is gedagtekend 29 juni 2007.

2.8. Belanghebbendes zuster heeft de navorderingsaanslag alsmede de geleidebrief teruggestuurd, waarna de ontvanger deze stukken aan belanghebbende heeft gezonden. Daarbij is op de geleidebrief het adres van belanghebbendes zuster met behulp van “Tipp-Ex” weggehaald en is op de aangehechte acceptgirokaart een geel “post-it”-velletje geplakt met de handgeschreven tekst “De acceptgirokaart niet gebruiken i.v.m. verkeerde tenaamstelling, ons excuus hiervoor”. Belanghebbende heeft de navorderingsaanslag en de geleidebrief op 13 augustus 2007 ontvangen.

2.9. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag bij brief van 15 augustus 2007, ingekomen bij de Inspecteur op 20 augustus 2007, bezwaar gemaakt. Tevens trekt hij in deze brief de aan zijn zuster gegeven volmacht in en verzoekt hij de Inspecteur in het vervolg rechtstreeks met hem te communiceren.

2.10. De Inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.

3. Geschil

In geschil is of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. De dagtekening van de navorderingsaanslag is 29 juni 2007.

4.2. Belanghebbende stelt dat het aanslagbiljet dat aan zijn zuster was verzonden geen ten name van hem gestelde aanslag bevatte, omdat het ten name van zijn zuster was gesteld. De aanslag is, aldus belanghebbende, pas op zijn naam vastgesteld toen het aanslagbiljet aan hem werd toegezonden. Uit de kopie van het aanslagbiljet - door belanghebbende bij brief van 4 september 2009 aan het Hof gezonden - blijkt dat het aanslagbiljet met dagtekening 29 juni 2009 zijn naam vermeldt. Slechts de geleidebrief en de daaraan gehechte acceptgirokaart vermeldden naam en adres van de zuster. Naar het oordeel van het Hof is met het opmaken van dat aanslagbiljet de navorderingsaanslag ten name van belanghebbende vastgesteld.

4.3. Belanghebbende stelt voorts dat de navorderingsaanslag pas is bekendgemaakt toen deze kort voor 13 augustus 2007 aan hem is toegezonden. Ingevolge artikel 43, lid 1, Successiewet 1956 wordt het aanslagbiljet hetzij aan de gekozen woonplaats, hetzij aan de werkelijke woonplaats van de verkrijger gezonden. De ontvanger mocht de ten name van belanghebbende gestelde navorderingsaanslag op 29 juni 2007 toesturen aan belanghebbendes zuster, op wier adres in de aangifte woonplaats was gekozen. Daaraan doet niet af dat belanghebbende bij brief van 15 augustus 2007 aan de Inspecteur kenbaar heeft gemaakt dat zijn zuster niet langer als gemachtigde voor hem optreedt en dat in het vervolg rechtstreeks met hem moet worden gecommuniceerd, nu deze brief ruim na de toezending van het aanslagbiljet is opgesteld. Ook in het geval, zoals belanghebbende stelt, de primitieve aanslag naar belanghebbendes adres zou zijn gezonden, ontneemt dat de ontvanger niet de mogelijkheid nadien de navorderingsaanslag te verzenden naar de in de aangifte gekozen woonplaats van belanghebbendes zuster.

4.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat de met dagtekening 29 juni 2007 vastgestelde navorderingsaanslag op 29 juni 2007 is bekendgemaakt. De bezwaartermijn eindigt derhalve op 10 augustus 2007. Het bezwaarschrift, gedagtekend 15 augustus 2007, is op 20 augustus 2007 bij de Inspecteur ingekomen. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.

4.5. Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend bezwaarschrift blijft, ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 Awb, een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.6. Belanghebbende heeft betoogd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat de navorderingsaanslag naar het adres van zijn zuster is gezonden - terwijl naar hij zegt de primitieve aanslag nota bene naar zijn eigen adres was verzonden -, en zij belanghebbende niet op de hoogte heeft gesteld van de navorderingsaanslag, maar het biljet heeft teruggezonden naar de Belastingdienst met het verzoek het biljet rechtstreeks aan belanghebbende te sturen. Belanghebbende heeft eerst op 13 augustus 2007 kennis genomen van de navorderingsaanslag. Derhalve is belanghebbende van mening dat hij niet eerder dan per die datum bezwaar kon maken tegen de navorderingsaanslag.

4.7. Naar het oordeel van het Hof kan de door belanghebbende aangevoerde omstandigheid niet ertoe leiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Redengevend daarvoor is dat de omstandigheid dat hij niet door zijn als zijn gemachtigde optredende zuster op de hoogte is gesteld van de navorderingsaanslag, voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen. Gebreken in de communicatie tussen belanghebbende en zijn zuster leveren geen excuus op voor overschrijding door belanghebbende van de bezwaartermijn. Met betrekking tot de termijn van indiening van het bezwaarschrift is belanghebbende derhalve in verzuim.

4.8. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd. Het hoger beroep is ongegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. J.H. Lieber, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2009.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 22 oktober 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.