Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK1752

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
02-11-2009
Zaaknummer
07-00538
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onroerendezaakbelastingen.

Verwijzingsprocdure HR 16 november 2007, nr. 40847. Waarde onroerende zaak niet voor meer dan 70% toerekenbaar aan woondoeleinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2387
FutD 2009-2413
Belastingblad 2009/1599

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 07/00538

U i t s p r a a k

op het beroep van Stichting X (voorheen: Stichting Y) te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Smallingerland (hierna: de heffingsambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2001 wegens het gebruik en wegens het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak a-straat 1 te Q twee op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Smallingerland opgelegd ten bedrage van ƒ 35.998 (gebruikersbelasting) en ƒ 44.977 (eigenarenbelasting), in totaal ƒ 80.975 (€ 36.744,85), berekend naar de tarieven voor niet-woningen.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. De heffings-ambtenaar heeft de aanslagen bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het gerechts-hof te Leeuwarden, dat het beroep ongegrond heeft verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof te Leeuwar-den beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 16 november 2007, nr. 40 847 (hierna: het arrest) de uitspraak van het gerechtshof te Leeu-warden vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem (hier-na: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.5. Belanghebbende heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, naar aanleiding van het arrest een conclusie na verwijzing ingediend. De hef-fingsambtenaar heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, op de inhoud van die conclusie gereageerd.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 september 2009 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende alsmede de heffingsambtenaar.

1.7. Partijen hebben bij deze mondelinge behandeling elk een pleitnota voor-gedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota’s wordt als hier ingelast aangemerkt.

1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar onderdeel 2 van de uitspraak van het Ge-rechtshof te Leeuwarden.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Na verwijzing is tussen partijen uitsluitend in geschil of de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q in hoofdzaak – dat wil zeggen voor 70% of meer – kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag positief, zodat het (lagere) tarief voor woningen toepassing moet vinden. Belanghebbende concludeert tot vernie-tiging van de bestreden uitspraak op bezwaar en, naar het Hof verstaat, tot ver-mindering van de aanslag in de gebruikersbelasting tot ƒ 28.372 (€ 12.874) en van de aanslag in de eigenarenbelasting tot ƒ 35.465 (€ 16.093).

3.3. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak op be-zwaar en handhaving van de bestreden aanslagen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De voor het onderhavige belastingjaar geldende waarde die ingevolge de Wet waardering onroerende zaken aan de onroerende zaak a-straat 1 te Q is toegekend bedraagt ƒ 20.501.000 (€ 9.302.948). Deze waarde is tussen partijen niet in geschil.

4.2. In haar conclusie na verwijzing heeft belanghebbende ter beantwoording van de bij 3.1 vermelde vraag het standpunt ingenomen dat van deze waarde 82,5 percent kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

4.3. Belanghebbende berekent dit percentage als volgt.

Waarde woningdelen: ƒ 9.504.016

Waarde aan wonen dienstbare delen: ƒ 1.276.950

Waarde grond woningdelen ƒ 5.574.028

Waarde grond aan wonen dienstbare delen: ƒ 565.633

Totaal: ƒ 16.921.527

De waarde van de aan wonen toe te rekenen delen van de onroerende zaak be-draagt in deze visie (16.921.527/20.501.000, ofwel) 82,5 percent van de waarde van de onroerende zaak.

4.4. Belanghebbende neemt in het kader van deze toerekening het standpunt in dat onder meer de (gebouwde) onderdelen van de onroerende zaak die door partijen worden aangeduid als dagactiviteit, berging, warmtekrachtkoppeling, overkapping, keuken en wasserij volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De aan de woningdelen en de aan wonen dienstbare gebouwde delen van de onroerende zaak toegerekende grond omvat in de visie van belanghebbende zowel de ondergrond van die delen (respectievelijk 21.751 m² en 2.207 m², in totaal derhalve 23.958 m²) als 76,76 percent van alle overige tot de onroerende zaak behorende grond (hierna: de extra grond). Het bedoelde percentage van 76,76 berekent belanghebbende door de genoemde oppervlakten te delen door de totale bebouwde oppervlakte van de onroerende zaak (31.208 m²).

4.5. De heffingsambtenaar neemt het standpunt in dat circa 54,5 percent, al-thans minder dan 70%, van de hiervoor vermelde waarde van de onroerende zaak kan worden toegerekend aan delen van de zaak die tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Hieruit trekt de heffingsamb-tenaar de conclusie dat de onroerende zaak door hem bij de vaststelling van de onderhavige aanslagen voor de tariefindeling terecht als niet-woning is aange-merkt.

4.6. De heffingsambtenaar berekent dit percentage als volgt.

Waarde woningdelen ƒ 9.029.000

Waarde grond woningdelen ƒ 2.137.000

Waarde overige objectdelen ƒ 3.429.000

Waarde grond overige objectdelen ƒ 1.402.000

Waarde restgrond ƒ 4.504.000

Totaal ƒ 20.501.000

De waarde van de woningdelen en de daaraan door de heffingsambtenaar toege-rekende grond bedraagt aldus (ƒ 9.029.000 + ƒ 2.137.000 =) ƒ 11.166.000. Deze waarde bedraagt (11.166.000/20.501.000, ofwel) circa 54,5 percent van de totale waarde.

4.7. Tot staving van zijn standpunt heeft de heffingsambtenaar onder meer aangevoerd dat de delen van de onroerende zaak die volgens belanghebbende dienstbaar zijn aan woondoeleinden mede dienen voor andere dan woondoelein-den en mede worden gebruikt door het personeel, zodat zij niet volledig dienst-baar zijn aan woondoeleinden. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat slechts de zogeheten projectiegrond – dat wil zeggen de ondergrond van de gebouwen en de grond die nodig is voor het onderhoud en gebruik van die gebouwen – kan worden meegeteld bij de bepaling van het deel van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Hij stelt zich op het standpunt dat de oppervlakte van de projectiegrond kan worden berekend door de ondergrond van de gebouwen te vermenigvuldigen met een factor die in het onderhavige geval op ongeveer 1,4 moet worden gesteld. De overige grond, ook wel aan te duiden als restgrond, vormt in de visie van de heffingsambtenaar een op zichzelf staand onderdeel van de onroerende zaak waarvan afzonderlijk moet worden beoordeeld of het volledig dienstbaar is aan woondoeleinden. In zijn visie dient deze restgrond mede voor andere dan woon-doeleinden. Niet alleen de bewoners, maar ook personeelsleden maken er ge-bruik van.

4.8. Belanghebbende heeft ter zitting in antwoord op vragen van het Hof het nadere standpunt ingenomen dat ingeval moet worden geoordeeld dat de rest-grond niet volledig dienstbaar is aan woondoeleinden, in totaal minder dan 70% van de waarde van de onroerende zaak kan worden toegerekend aan delen van de zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoel-einden.

4.9. Het Hof acht in het licht van hetgeen door partijen is aangevoerd aanneme-lijk dat de onder 4.4 bedoelde delen van de gebouwen die volgens belangheb-bende volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, mede ten dienste staan van het personeel en mede dienstbaar zijn aan andere dan woondoeleinden, zodat niet kan worden staande gehouden dat deze ruimten volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Voorts is het Hof met de heffingsambtenaar van oordeel dat met betrekking tot de restgrond, welke niet dienstbaar is aan de gebouwen, zelfstandig moet worden beoordeeld of deze volledig dienstbaar is aan woon-doeleinden. Belanghebbende heeft niet de stelling van de Inspecteur weerspro-ken dat van de restgrond niet alleen de bewoners gebruik maken, maar ook de personeelsleden. Het Hof neemt dit gebruik dan ook als vaststaand feit aan. Gegeven dit gebruik kan niet worden geoordeeld dat deze restgrond volledig dienstbaar is aan woondoeleinden.

4.10. Het Hof verbindt aan het voorgaande, mede gelet op het bij 4.8 vermelde nadere standpunt van belanghebbende, de conclusie dat de waarde van de onroe-rende zaak voor minder dan 70% en dus niet in hoofdzaak – in de zin van artikel 220f, tweede lid, van de Gemeentewet in de tekst-2001 – kan worden toegere-kend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De onroerende zaak is door de heffings-ambtenaar dus terecht aangemerkt als onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Monsma, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier.

De beslissing is op in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2009.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 oktober 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroorde-len in de proceskosten.