Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK1111

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
23-10-2009
Zaaknummer
08-00462
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Autokosten van een invalide zijn niet aftrekbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2504 met annotatie van vanArnhem
FutD 2009-2313

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00462

uitspraakdatum: 6 oktober 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van Rechtbank Arnhem van 29 augustus 2008, nummer AWB 08/159, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank).

1.4. De inspecteur heeft ambtshalve de aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.465.

1.5. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.465.

1.6. Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 11 september 2008 ter griffie ingekomen.

1.7. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en namens de Inspecteur R.W. van Riessen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1938, is invalide. Lopen gaat hem zeer moeilijk af.

2.2. Belanghebbende heeft een personenauto, merk a, type b met automaat. De auto is technisch aangepast voor gebruik door belanghebbende doordat links van het rempedaal een extra gaspedaal is aangebracht. In het onderhavige jaar heeft hij met deze auto 3.125 km. gereden. De kosten daarvan bedragen € 2.398.

2.3. Belanghebbende heeft op doktersadvies receptloze medicijnen gekocht.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de door belanghebbende gemaakte autokosten en de door hem gedane uitgaven voor receptloze medicijnen behoren tot de als buitengewone uitgaven aan te merken uitgaven wegens invaliditeit.

3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.628. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Als uitgaven wegens invaliditeit worden onder meer aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor hulpmiddelen en vervoer (artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals die bepaling luidde in het onderhavige jaar).

4.2. Een hulpmiddel is een middel dat is opgenomen in het verstrekkingenpakket van de Ziekenfondswet of dat van de AWBZ of dat een bijzondere hoedanigheid bezit die meebrengt dat het alleen wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen, dan wel naar zijn aard een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie kan overnemen (Hoge Raad 24 maart 1976, nr. 17.884, BNB 1976/142, Hoge Raad 2 november 1994, nr. 30.103, LJN: AA3012, en Hoge Raad, 25-04-2001, nr. 36.029, LJN: AB1297).

4.3. Een auto als die van belanghebbende kan door een zieke of invalide weliswaar worden gebezigd voor het vervullen van een normale lichaamsfunctie - te weten het zich buitenshuis over loopafstand verplaatsen -, maar nu enerzijds een dergelijke auto daartoe niet het enige en zelfs niet het meest geëigende middel is en anderzijds een dergelijke auto ook en vooral dient voor vervoer over grotere afstanden, kan deze auto niettemin niet worden aangemerkt als een hulpmiddel in de zin van artikel 6.16 van de Wet IB 2001 (Hoge Raad 19 januari 1977, nr. 18.132, LJN: AX3315, en Hoge Raad 6 februari 1985, nr. 22.799, LJN: AW8352).

4.4. Niet gesteld of gebleken is dat de door belanghebbende bedoelde autokosten betrekking hebben op vervoer in verband met genees , heel of verloskundige hulp of als kosten ter zake van regelmatig ziekenbezoek. Voorts is niet gesteld of gebleken dat belanghebbende in het onderhavige jaar kosten van aanpassing van de auto heeft gemaakt. In dat geval moet, voor de beantwoording van de vraag of en in hoeverre de kosten van een in verband met invaliditeit gehouden auto kunnen worden gerangschikt onder de buitengewone uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit, worden bepaald of en in hoeverre de in een kalenderjaar door de zieke of gehandicapte gemaakte autokosten overtreffen hetgeen behoort tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als de betrokkene. Daaruit volgt dat het gaat om de vraag welke objectief te bepalen meerkosten voor autogebruik belanghebbende heeft gemaakt ten opzichte van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren (Hoge Raad 15 december 1999, nr. 35.157, LJN: AA3847).

4.5. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de autokosten van belanghebbende niet meer bedragen dan die van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren. Onder die omstandigheden behoren de autokosten niet tot de als buitengewone uitgaven aan te merken uitgaven wegens invaliditeit.

4.6. Uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen die niet zijn verstrekt op voorschift van een arts, zoals de door belanghebbende gekochte receptloze medicijnen, worden in aanmerking genomen tot een bedrag van € 23 per persoon (artikel 6:18, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001). Dit bedrag heeft de Inspecteur in aanmerking genomen. Aftrek van een hoger bedrag is niet mogelijk.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank terecht geconcludeerd dat belanghebbendes belastbare inkomen uit werk en woning € 12.465 bedraagt. Nu de Inspecteur de aanslag reeds vóór de uitspraak van de Rechtbank in die zin had verminderd, had de Rechtbank de aanslag niet moeten verminderen, maar moeten handhaven, zoals deze luidde na ambtshalve vermindering (Hoge Raad 20 december 1978, nr. 19.084, LJN: AX2809). Slechts om deze reden zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank in zoverre vernietigen.

5. Kosten

Nu de uitspraak van de Rechtbank slechts ten dele wordt vernietigd, de grond voor deze vernietiging niet door belanghebbende is aangevoerd en de vernietiging niet tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat leidt, ziet het Hof geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de wederpartij in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarbij de aanslag is verminderd;

- handhaaft de aanslag zoals deze na de ambtshalve verleende vermindering is komen te luiden, en

- gelast de Staat het griffierecht ad € 107 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J.P.M. Kooijmans en J.A. Monsma, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 6 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.