Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK0739

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
24-001466-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 26 oktober 2008 schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij heeft bij het slachtoffer van achteren een nekklem aangelegd, waarna hij het slachtoffer achterwaarts heeft meegetrokken. Vervolgens viel verdachte, waardoor hij het slachtoffer - welke hij nog steeds vast had door middel van de nekklem - in zijn val meenam. Verdachte wordt verweten dat hij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft aangetast, doordat deze pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen.

Hoewel het hof zich realiseert dat aan het werk van een portier meer risico's zijn verbonden, mogen aan een portier ook meer eisen gesteld worden. Verdachte is zelf op de situatie afgegaan. Bovendien geldt dat zelfs in de door de verdachte gestelde situatie niet is gebleken dat het vastpakken van het slachtoffer in een nekklem gerechtvaardigd zou zijn. Verdachte was immers niet alleen, maar met een collega ter plaatse. Het hof is van oordeel dat de uitoefening van voornoemd geweld disproportioneel is, zelfs in de situatie zoals door de verdachte is beschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-001466-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-003908-09

Arrest van 20 oktober 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 mei 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1963] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een geldboete van € 300,--.

De beslissing op het hoger beroep

Van de terechtzitting in eerste aanleg is geen proces-verbaal opgemaakt. Daarom kan het hof niet beoordelen of het onderzoek in eerste aanleg overeenkomstig de wet heeft plaatsgevonden en of het vonnis aan de wettelijke eisen voldoet. Het vonnis zal om deze reden worden vernietigd en het hof zal opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 26 oktober 2008 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) een nekklem heeft aangelegd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsoverweging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het hof de verdachte hiervan zal vrijspreken omdat er geen sprake was van opzet.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] van achteren met een nekklem vastgepakt en hem naar hem toe gehaald, waarna verdachte het slachtoffer in de nekklem achterwaarts heeft meegetrokken. Verdachte viel en trok het slachtoffer - welke hij nog steeds vast had door middel van de nekklem - in zijn val mee. Gelet op de aard van de feitelijke handelingen, te weten het aanbrengen van een nekklem en het achterwaarts meetrekken van het slachtoffer, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer pijn en letsel zou bekomen. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte pijn en letsel - te weten forse striemen in zijn hals - bekomen. Dat dit letsel mogelijk (mede) is veroorzaakt door de onvoorziene val van verdachte en aangever behoort tot de aanvaarding van genoemde kans nu verdachte ervoor heeft gekozen achterwaarts te lopen met het slachtoffer in de nekklem waardoor de kans op een val groot is. Het hof acht het ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 oktober 2008 te [plaats], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) een nekklem heeft aangelegd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

De raadsman heeft namens de verdachte een beroep op overmacht gedaan. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte moest ingrijpen omdat aangever wild om zich heen sloeg. Verdachte handelde om escalatie te voorkomen, aldus de raadsman.

Het hof wijst dit beroep af. De door verdachte gestelde gang van zaken is niet aannemelijk geworden. Slechts verdachte heeft verklaard dat aangever om zich heen sloeg. Niemand in de nabijheid van het incident heeft dit geconstateerd. Ook de naaste collega van verdachte, getuige [getuige], heeft dit niet waargenomen.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 26 oktober 2008 schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij heeft bij het slachtoffer van achteren een nekklem aangelegd, waarna hij het slachtoffer achterwaarts heeft meegetrokken. Vervolgens viel verdachte, waardoor hij het slachtoffer - welke hij nog steeds vast had door middel van de nekklem - in zijn val meenam. Verdachte wordt verweten dat hij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft aangetast, doordat deze pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen.

Hoewel het hof zich realiseert dat aan het werk van een portier meer risico's zijn verbonden, mogen aan een portier ook meer eisen gesteld worden. Verdachte is zelf op de situatie afgegaan. Bovendien geldt dat zelfs in de door de verdachte gestelde situatie niet is gebleken dat het vastpakken van het slachtoffer in een nekklem gerechtvaardigd zou zijn. Verdachte was immers niet alleen, maar met een collega ter plaatse. Het hof is van oordeel dat de uitoefening van voornoemd geweld disproportioneel is, zelfs in de situatie zoals door de verdachte is beschreven.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof rekening gehouden met een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2008, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van een geweldsdelict.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof - evenals de advocaat-generaal - van oordeel dat met een voorwaardelijke bestraffing niet kan worden volstaan. De door de rechtbank opgelegde voorwaardelijke geldboete doet onvoldoende recht aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het hof zal aan verdachte een onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van driehonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zes dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg en mr. G. Dam, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.