Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ9957

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-10-2009
Datum publicatie
13-10-2009
Zaaknummer
24-001630-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft goederen gestolen in een winkel. Zij is al vele malen wegens soortgelijke delicten veroordeeld.

Verdachte stelt ter zitting dat zij positieve ontwikkelingen in haar leven doormaakt, maar

- anders dan haar eigen verklaring - blijkt daar niet van. Zij heeft wel een nieuw feit gepleegd nadat zij in de onderhavige zaak hoger beroep had ingesteld.

Het hof legt een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. Tevens toewijzing van twee vorderingen tot tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-001630-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-602461-08, 05-511213-06 (tul) en 07-400312-07 (tul)

Arrest van 12 oktober 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 juni 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1980] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. C. Maat, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft op de vordering van de benadeelde partij en op twee vorderingen tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vorderingen tot tenuitvoerlegging zal toewijzen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

zij op of omstreeks 10 april 2008 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie bh's en/of drie onderbroeken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s).

Bewijsmiddelenverweer

Namens verdachte heeft de raadsvrouw ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de gehele vervolging van verdachte voortvloeit uit een onrechtmatige aanhouding van verdachte. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat er aanvankelijk slechts sprake was van CIE-informatie dat er vier zigeunervrouwen en een zigeunerkind liepen te stelen in het centrum van [plaats]. Deze informatie bereikte de meldkamer van politie Flevoland op 10 april 2008 om ongeveer 19.45 uur. Op dat moment was er van nog geen enkel feit aangifte gedaan, zodat er nog geen verdenking kon zijn van enig concreet strafbaar feit.

Verdachte is vervolgens aangehouden, en naar aanleiding van haar aanhouding en de daarop volgende fouillering heeft zij een bekennende verklaring afgelegd. Omdat de aanhouding onrechtmatig was, mag het resultaat van de daaruit voortvloeiende fouillering en de daarop volgende verklaring van verdachte niet voor het bewijs worden gebruikt.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

Vast staat dat op 10 april 2008 bij de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid van politie Flevoland informatie binnenkwam1 die inhield dat een viertal zigeunervrouwen met een zigeunerkind in het centrum van [plaats] liepen te stelen. Zij deden dit in diverse winkels waaronder de [naam]. Van die vrouwen werd tevens een signalement doorgegeven.

Naar aanleiding van die informatie werden de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]2 door de meldkamer naar de [straat] te [plaats] gestuurd. Daar aangekomen zagen zij vier vrouwen en een kind die aan het signalement voldeden. Met toestemming van de officier van dienst van de politie, inspecteur [naam], hebben zij toen deze vrouwen aangehouden.

Naar het oordeel van het hof was er voldoende verdenking van diefstallen gepleegd door vier vrouwen om naar aanleiding van voornoemde CIE-informatie de vier vrouwen als verdachte aan te merken en aan te houden. Nu de informatie inhield dat er gestolen was, kan niet gesteld worden - zoals de raadsvrouwe ten onrechte doet - dat er nog geen verdenking van diefstallen was nu er nog geen aangiftes waren.

De bij gelegenheid van de veiligheidsfouillering aangetroffen voorwerpen die, naar later bleek, gestolen waren en de verklaring van verdachte kunnen naar het oordeel van het hof dan ook voor het bewijs van het aan verdachte ten laste gelegde worden gebezigd. Het hof verwerpt het verweer derhalve.

Daar komt - ten overloede - bij dat verdacht ter terechtzitting in eerste aanleg, terwijl zij werd bijgestaan door een advocaat, op vragen van de politierechter heeft verklaard dat zij drie sets ondergoed heeft gestolen. Van deze in vrijheid afgelegde verklaring kan niet worden gesteld dat deze rechtstreeks voortvloeit uit de aanhouding van verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

zij op 10 april 2008 in de gemeente [gemeente] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomendrie bh's en drie onderbroeken, toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

diefstal.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal. Dergelijke vermogenscriminaliteit pleegt hinder, schade en ergernis te veroorzaken voor het slachtoffer daarvan. De verdachte heeft er door haar handelen blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens een haar betreffend Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 12 juni 2009 al vele malen eerder is vervolgd ter zake van soortgelijke strafbare feiten waarbij alle strafmodaliteiten de revue zijn gepasseerd. Verdachte blijft desondanks recidiveren. Ook nadat verdachte in de onderhavige zaak in hoger beroep was gegaan, heeft zij een nieuw feit gepleegd. Zij wekt aldus de indruk dat zij na contacten met politie en justitie geen noodzaak voor verandering van haar gedrag ervaart. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van een verdachte betreffend voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 11 december 2007.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf - zoals opgelegd door de politierechter en door de advocaat-generaal gevorderd - van na te melden duur dient te worden opgelegd. De door en namens verdachte aangevoerde persoonlijke belangen om een andere strafmodaliteit op te leggen, wegen niet op tegen de ernst van het feit en het algemeen belang dat dit feit op een adequate wijze worden bestraft. Daar komt bij dat de goede voornemens waarover verdachte ter terechtzitting van het hof verklaarde en de behandeling, waarvoor zij zich volgens haar eigen verklaring nog voor een intake moet aanmelden, op geen enkele wijze door haar zijn onderbouwd met documenten, terwijl een, weliswaar niet onherroepelijke, veroordeling op 15 april 2009 wegens een op 3 maart 2009 gepleegd feit juist een contra-indicatie is.

Beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

parketnummer 05-511213-06

Bij vonnis van politierechter te Arnhem d.d. 9 augustus 2006 is verdachte veroordeeld tot - onder meer - een gevangenisstraf voor de duur van een zes weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting van het hof is voormeld vonnis onherroepelijk geworden op 9 augustus 2006. De proeftijd is ingegaan op 24 augustus 2006. De officier van justitie vordert d.d. 20 mei 2008 dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf, ten aanzien waarvan bij voormeld vonnis bevel was gegeven, dat deze voorwaardelijk niet zou worden tenuitvoergelegd, om reden, dat veroordeelde zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Nu gebleken is dat veroordeelde het hiervoor bewezen verklaarde feit heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, zal het hof de tenuitvoerlegging gelasten van voormelde gevangenisstraf van zes weken.

parketnummer 07-400312-07

Bij vonnis van politierechter te Zwolle-Lelystad d.d. 22 januari 2008 is verdachte veroordeeld tot - onder meer - een gevangenisstraf voor de duur van een drieëndertig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting van het hof is voormeld vonnis onherroepelijk geworden op 6 februari 2008. De proeftijd is ingegaan op 6 februari 2008. De officier van justitie vordert d.d. 20 mei 2008 dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf, ten aanzien waarvan bij voormeld vonnis bevel was gegeven, dat deze voorwaardelijk niet zou worden tenuitvoergelegd, om reden, dat veroordeelde zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Nu gebleken is dat veroordeelde het hiervoor bewezen verklaarde feit heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, zal het hof de tenuitvoerlegging gelasten van voormelde gevangenisstraf van drieëndertig dagen.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat [vertegenwoordiger], wonende te [woonplaats], zich namens [benadeelde] in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd. De eerste rechter heeft haar niet-ontvankelijk verklaard omdat de vertegenwoordigheidsbevoegdheid van haar niet kon worden vastgesteld. [vertegenwoordiger] heeft, door ondertekening op 18 juni 2009 van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring, haar vordering in eerste aanleg gehandhaafd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding voort in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat ook in hoger beroep niet blijkt dat [vertegenwoordiger] bevoegd of gemachtigd is om zich namens [benadeelde] in het geding te voegen. Het hof zal haar daarom in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van één maand, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

bepaalt dat dit toezicht door genoemde instelling reeds tijdens de proeftijd kan worden beëindigd;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast de teruggave aan [benadeelde] te [vestigingsplaats] van:

1 BH, maat 85c, prijs € 29,99 met onderbroek, prijs € 9,99, kleur wit;

1 BH, maat 85c, met onderbroek, kleur roze;

1 BH, maat 80a, prijs € 15,99, met onderbroek, prijs € 6,99, kleur roze.;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

gelast de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij vonnis van de politierechter te Arnhem van 9 augustus 2006 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van zes weken;

gelast de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij vonnis van de politierechter te Zwolle-Lelystad van 22 januari 2008 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van drieëndertig dagen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. H.J. Deuring en

mr. G. Dam, in tegenwoordigheid van mr. A. Meester als griffier.

1 Proces-verbaal nummer 27024982, d.d. 11 april 2008 op ambtseed opgemaakt door inspecteur van politie Flevoland H.A.C. Klein Gotink

2 Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2008026651-11, d.d. 10 april 2008 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie bij Basiseenheid Almere Oost