Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ9778

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
13-10-2009
Zaaknummer
200.008.760
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met betrekking tot het verzoek van de vader om de omgangsregeling uit te breiden overweegt het hof als volgt. [kind 1] en [kind 2] hebben op vrijdagmiddag tot 17:00 uur paardrijles. Daarna moeten zij afzadelen en na thuiskomst moeten zij douchen en eten. Indien de omgangsweekenden op vrijdag beginnen, dienen deze praktische handelingen te zijn afgerond voordat zij naar hun vader gaan. Door de tijdsdruk die daardoor ontstaat, zal er geen rust bestaan rond het moment waarop de kinderen worden overgedragen aan de vader. Daarom acht het hof uitbreiding van de omgangsweekenden niet in het belang van [kind 1] en [kind 2]. Het hof zal dan ook de regeling met betrekking tot de omgangsweekenden handhaven, zoals deze in de tussenbeschikking van 3 februari 2009 is vastgelegd. Daarbij zal het hof tevens de tussen partijen overeengekomen regeling met betrekking tot het halen en brengen van de kinderen overnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 6 oktober 2009

Zaaknummer 200.008.760

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat (gewezen procureur) mr. P.M. Wilmink,

behandelend advocaat mr. E.A.C. Nijhof-Top, kantoorhoudende te Zeewolde,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

behandelend advocaat mr. K.N. Holtrop, kantoorhoudende te Emmeloord.

De inhoud van de tussenbeschikking van 3 februari 2009 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Na voormelde tussenbeschikking zijn van mr. Holtrop namens de man de volgende stukken binnengekomen:

- een faxbericht d.d. 11 maart 2009;

- een faxbericht d.d. 10 april 2009;

- een faxbericht d.d. 22 april 2009;

- een faxbericht d.d. 25 juni 2009.

Mr. Nijhof-Top heeft namens de vrouw de volgende stukken aan het hof doen toekomen:

- een faxbericht d.d. 20 april 2009;

- een faxbericht d.d. 24 april 2009;

- een faxbericht d.d. 23 juni 2009;

- een faxbericht met bijlage d.d. 25 juni 2009;

- een brief met bijlage d.d. 3 september 2009.

Ter zitting van 15 september 2009 is de zaak opnieuw behandeld. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door haar behandelend advocaat, en de vader, bijgestaan door mr. H. Hulshof. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) is verschenen [vertegenwoordiger de raad].

De beoordeling

De tussenbeschikking

1. In de tussenbeschikking van 3 februari 2009 heeft het hof de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn incidenteel beroep en het verzoek van de vader ingevolge artikel 1:253a BW afgewezen. Voorts heeft het hof de behandeling van de zaak voor wat betreft de omgangsregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van de voortzetting van de mediation. Daarbij heeft het hof, totdat nader wordt beslist, een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen [kind 1] (hierna: [kind 1]) en [kind 2] (hierna: [kind 2]), beiden op 11 maart 2000 te [geboorteplaats] geboren, vastgesteld.

De overwegingen

2. Uit het faxbericht van 11 maart 2009 van mr. Holtrop blijkt dat mediation tussen partijen niet tot de mogelijkheden behoorde en dat de mediation daarom is beëindigd.

3. Bij faxbericht van 20 april 2009 heeft de moeder verzocht een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat er één keer per veertien dagen op zaterdag omgang plaatsvindt, waarbij de moeder de kinderen tussen 10:00 uur en 11:00 uur bij de vader brengt en de vader de kinderen tussen 17:00 uur en 20:00 uur in overleg tussen partijen terugbrengt, en dat de kinderen tijdens de zomervakantie één week bij de vader verblijven.

4. De vader heeft bij faxbericht van 22 april 2009 te kennen gegeven dat hij nog steeds de omgangsregeling met de kinderen wenst zoals in zijn inleidend verzoekschrift is opgenomen, met dien verstande dat de omgang op de woensdagmiddag onmogelijk is geworden gezien de reistijd tussen [woonplaats vader] en [woonplaats moeder].

5. Uit het faxbericht van 23 juni 2009 van de vrouw blijkt dat partijen in overleg invulling hebben gegeven aan de door het hof bij tussenbeschikking vastgestelde omgangsregeling in de voorjaarsvakantie en de zomervakantie van 2009.

6. Voorts is ter zitting gebleken dat partijen, hoewel er een aantal keren sprake is geweest van een misverstand, in staat zijn geweest met elkaar afspraken te maken omtrent de door het hof in de tussenbeschikking vastgestelde omgangsregeling voor de weekenden.

7. De vader heeft te kennen gegeven dat hij de omgangsregeling wil uitbreiden, met dien verstande dat de kinderen op vrijdag reeds bij hem komen. De moeder heeft zich tegen deze uitbreiding verzet. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de kinderen op vrijdagmiddag tot 17:00 uur paardrijles hebben. Wanneer de kinderen direct daarna naar de vader zouden gaan, zou dit volgens de moeder tot praktische problemen leiden. Bovendien is de moeder van mening dat er rust nodig is rond het moment waarop de kinderen naar de man gaan. Als het omgangsweekend op vrijdag start, zal dit een tijdsdruk met zich brengen, waardoor de noodzakelijke rust tijdens het overdrachtsmoment zal ontbreken. Naar de mening van de moeder is dat niet in het belang van [kind 1] en [kind 2]. Dit zou anders zijn indien de paardrijles van [kind 1] en [kind 2] niet meer op vrijdag is, aldus de moeder.

8. Daarnaast stelt de moeder zich op het standpunt dat er een raadsonderzoek dient plaats te vinden, teneinde een objectief beeld te verkrijgen van de situatie waarin de kinderen zich nu bevinden. Tevens is de moeder van mening dat [kind 1] en [kind 2] gehoord moeten worden door het hof, zodat zij zelf aan het hof kunnen vertellen wat zij van de omgang met de vader vinden. Naar de mening van de vader bestaat er geen noodzaak voor een raadsonderzoek. Hij stelt voorts dat het niet in het belang van [kind 1] en [kind 2] is wanneer zij verder worden belast met de problemen tussen hem en de moeder. Door een raadsonderzoek te laten plaatsvinden en door de kinderen te horen, worden zij juist bij die problematiek betrokken. De vader is van mening dat het in het belang van [kind 1] en [kind 2] is wanneer nu een beslissing wordt genomen.

9. De raad stelt zich op het standpunt dat een raadsonderzoek niet nodig is, omdat de problemen niet in de eerste plaats bij de kinderen, maar bij de ouders liggen. Indien de ouders niet in staat zijn de tussen hen bestaande conflicten op te lossen, kan dat tot gevolg hebben dat [kind 1] en [kind 2] klem tussen hen raken, waardoor een loyaliteitsconflict zal ontstaan. Derhalve is het in het belang van [kind 1] en [kind 2] dat de communicatie tussen de vader en de moeder wordt verbeterd. De raad is, gelet op het positieve verloop van de omgangsregeling gedurende het afgelopen half jaar, voorts van mening dat de omgangsregeling kan worden uitgebreid zoals de vader dat heeft verzocht. Het feit dat dit tot praktische knelpunten kan leiden in verband met de paardrijlessen is, mede gelet op het feit dat de moeder heeft aangegeven dat zij openstaat voor een gesprek hieromtrent, naar de mening van de raad geen reden om van de uitbreiding af te zien.

10. Het hof is met de raad van oordeel dat bij [kind 1] en [kind 2] hoogstwaarschijnlijk een loyaliteitsconflict zal ontstaan, wanneer de ouders niet in staat zijn hun (communicatie-)problemen op te lossen. Nu in casu de oorsprong van de problemen bij de ouders ligt, ligt het ook op hun weg een oplossing voor deze problemen te zoeken. Een raadsonderzoek biedt hiertoe geen oplossing en het verzoek daartoe van de moeder wordt dan ook afgewezen. Gelet op de leeftijd van [kind 1] en [kind 2] is het hof voorts van oordeel dat het niet in hun belang is om door het hof te worden gehoord.

11. Met betrekking tot het verzoek van de vader om de omgangsregeling uit te breiden overweegt het hof als volgt. [kind 1] en [kind 2] hebben op vrijdagmiddag tot 17:00 uur paardrijles. Daarna moeten zij afzadelen en na thuiskomst moeten zij douchen en eten. Indien de omgangsweekenden op vrijdag beginnen, dienen deze praktische handelingen te zijn afgerond voordat zij naar hun vader gaan. Door de tijdsdruk die daardoor ontstaat, zal er geen rust bestaan rond het moment waarop de kinderen worden overgedragen aan de vader. Daarom acht het hof uitbreiding van de omgangsweekenden niet in het belang van [kind 1] en [kind 2]. Het hof zal dan ook de regeling met betrekking tot de omgangsweekenden handhaven, zoals deze in de tussenbeschikking van 3 februari 2009 is vastgelegd. Daarbij zal het hof tevens de tussen partijen overeengekomen regeling met betrekking tot het halen en brengen van de kinderen overnemen.

12. Bij dit oordeel gaat het hof ervan uit dat, wanneer de kinderen op een andere dag paardrijles zullen hebben, er ruimte zal zijn om de uitbreiding van de omgang conform het advies van de raad in onderling overleg te realiseren.

13. Ten aanzien van de omgang in de vakanties zal het hof bepalen dat de kinderen in totaal ten minste drie weken bij de vader zullen verblijven, waarvan ten minste twee weken aaneengesloten in de zomervakantie. De andere week dient in onderling overleg in de andere vakanties plaats te vinden.

Slotsom

14. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

stelt tussen de vader en de minderjarigen [kind 1] en [kind 2], beiden op 11 maart 2000 te [geboorteplaats] geboren, een omgangsregeling vast in die zin dat de vader gerechtigd is de minderjarigen eenmaal per twee weken van zaterdagochtend tot zondagavond bij zich te ontvangen, alsmede gedurende ten minste drie weken in de vakanties, waarvan ten minste twee weken aaneengesloten in de zomervakantie en de andere week in onderling overleg te bepalen in de overige vakanties;

bepaalt dat de moeder de minderjarigen op de zaterdagochtend om 10:30 uur bij de vader brengt en dat de vader de minderjarigen op zondagavond om 20:00 uur weer bij de moeder terugbrengt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven door mrs. Beversluis, voorzitter, Fikkers en Hulsebosch, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2009 in bijzijn van de griffier.