Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ9745

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
104.002.555
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 150 Rv. Melkquotum. Bewijslast. Volgens de hoofdregel van art. 150 Rv rust op verpachter de stelplicht en bewijslast ter zake van de feiten waaruit volgt dat met het gepachte melkquotum samenhangt. Wel dient de pachter, in verband met de omstandigheid dat hij bij uitstek op de hoogte is van en toegang heeft tot de in dit verband relevante gegevens, zijn betwisting van bedoelde samenhang zodanig te motiveren, dat de verpachter voor eventuele bewijslevering voldoende aanknopingspunten heeft. In casu is die motivering onvoldoende. Geen reden om af te wijken van vaste regel of vuistregel volgens welke de pachter aanspraak heeft op vergoeding van de helft van de waarde van het quotum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2009/134

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.002.555

(zaaknummer rechtbank 126570)

arrest van de pachtkamer van 6 oktober 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. J.T. Fuller,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellante in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. J.H. van Vliet.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 29 juli 2004, 10 maart 2005 en 22 juni 2006, die de pachtkamer van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Meppel, tussen appellant in het principaal beroep (hierna ook te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde in het principaal beroep (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiseres heeft gewezen. Van de vonnissen van 10 maart 2005 en 22 juni 2006 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 24 juli 2006 aan [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 22 juni 2006 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] tien grieven tegen de vonnissen van 10 maart 2005 en 22 juni 2006 aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden, en heeft hij geconcludeerd dat het hof die vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, (het hof begrijpt:) [geïntimeerde] in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel die vordering af zal wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord in het principaal beroep heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, en heeft zij geconcludeerd dat het hof [appellant] in zijn hoger beroep (ten dele) niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel hem zijn vorderingen zal ontzeggen. Bij dezelfde memorie heeft [geïntimeerde] incidenteel beroep ingesteld tegen de vonnissen van 10 maart 2005 en 22 juni 2006, heeft zij tegen die vonnissen twee grieven aangevoerd en toegelicht, en heeft zij geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen voor zover de pachtkamer in eerste aanleg heeft geoordeeld dat [appellant] een bedrag van € 44.337,— aan [geïntimeerde] moet betalen, en opnieuw recht doende hem zal veroordelen tot betaling van een bedrag groot € 54.705,—, te verhogen met de wettelijke rente over deze som vanaf 1 mei 2003 tot de dag der voldoening. In het principaal en incidenteel beroep heeft [geïntimeerde] voor het overige geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het principaal beroep.

2.4 Bij memorie van antwoord in het incidenteel beroep heeft [appellant] de grieven in het incidenteel beroep bestreden en verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep, althans haar hoger beroep en de door haar geformuleerde grieven ongegrond zal verklaren en verwerpen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, daaronder begrepen de kosten van eventuele getuigen en/of deskundigen, alsmede in het nasalaris ad € 131,—.

2.5 Daarna hebben partijen bij akte en bij antwoordakte het debat in het principaal beroep voortgezet.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2 Tussen partijen heeft een pachtovereenkomst bestaan betreffende de hoeve en landerijen, gelegen te [.....]. Volgens de tekst van de pachtovereenkomst was de oppervlakte van het gepachte 7.00.00 ha.

3.3 Bij beschikking van de pachtkamer van het toenmalige kantongerecht te Meppel van 21 oktober 1999 is genoemde pachtovereenkomst verlengd tot 30 april 2003 zonder dat verdere verlenging kon worden verzocht. Per laatstgenoemde datum is de pacht dan ook geëindigd.

3.4 [appellant] heeft zelf ongeveer 20 ha land in eigendom. Op die grond heeft [appellant] in de jaren zeventig een ligboxenstal gebouwd. [appellant] houdt vee en verbouwt gewassen. Naast het gepachte en naast de grond in eigendom had [appellant] nog enige kleine percelen andere grond in gebruik. De totale bedrijfsoppervlakte in 1983 en 1984 bedroeg ruim 32.00.00 ha.

3.5 [appellant] heeft tijdens de pacht zijn volledige melkquotum verkocht voor € 0,50 per procent vet. Het quotum bedroeg bijna 192.000 kg melk met een vetgehalte van 4,29%.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Tegen het vonnis van 10 maart 2009 heeft [appellant] eerder hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep betrof de bij dat vonnis uitgesproken veroordeling tot ontruiming van de hoeve en tot schadevergoeding wat betreft de periode na het einde van de pachtverhouding waarin [appellant] de hoeve is blijven gebruiken. Bedoeld hoger beroep is geëindigd met het onder rolnummer 2005/741 P door het hof gewezen arrest van 11 april 2006.

4.2 Het onderhavige hoger beroep betreft de vordering van [geïntimeerde] met betrekking tot melkquotum. Het vonnis van 10 maart 2009 is wat betreft deze vordering een tussenvonnis. Bij het vonnis van 22 juni 2006 heeft de pachtkamer in eerste aanleg [appellant] veroordeeld tot betaling van € 44.337,—, vermeerderd met wettelijke rente, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en in reconventie en met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

4.3 [geïntimeerde] is op 20 mei 2007 overleden. De erven zetten het geding op haar naam voort.

4.4 [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] in het onderhavige hoger beroep, voor zover gericht tegen het vonnis van 10 maart 2005, niet kan worden ontvangen, omdat hij zijn grieven tegen dat vonnis reeds in de onder 4.1 bedoelde procedure aan de orde behoorde te stellen. Dit standpunt is onjuist. [appellant] mocht zijn eerste hoger beroep beperken tot het gedeelte van het vonnis van 10 maart 2005 dat als een eindvonnis moet worden beschouwd en was niet verplicht ook het gedeelte van dat vonnis dat een tussenvonnis behelst, in zijn hoger beroep te betrekken.

4.5 Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

4.6 Volgens [appellant] hangt geen melkquotum met het gepachte samen, althans bestaat reden om de door hem aan [geïntimeerde] ter zake van de verkoop van het quotum verschuldigde schadevergoeding te stellen op minder dan de helft van de verkoopopbrengst. In dit verband heeft [appellant] zich, kort samengevat, beroepen op de navolgende feitelijke stellingen:

a. De melkfabriek gaf in 1977 aan de melk niet langer op de gepachte hoeve te kunnen ophalen. [appellant] heeft toen op eigen grond een ligboxenstal gebouwd. Het is in feite alleen aan hem te danken dat er überhaupt melkquotum is toegekend.

b. In feite was vanaf 1978 sprake van twee bedrijven, een melkveebedrijf en een bedrijf waarin vleesvee werd geweid en akkerbouw werd bedreven. Gelet op de geldende overheidsregelingen was het niet mogelijk om óók administratief twee bedrijven te hebben.

c. Het gepachte werd niet gebruikt in het melkveebedrijf en op het gepachte liep dus alleen vleesvee of werd akkerbouw bedreven.

In dit verband legt [appellant] er nadruk op dat op [geïntimeerde] de (stelplicht en) bewijslast rust ter zake van de feiten waaruit volgt dat met het gepachte melkquotum samenhangt.

4.7 Op zichzelf gaat [appellant] er terecht van uit dat volgens de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering op [geïntimeerde] de stelplicht en bewijslast rust ter zake van de feiten waaruit volgt dat met het gepachte melkquotum samenhangt. Wel dient [appellant] als pachter, in verband met de omstandigheid dat hij bij uitstek op de hoogte is van en toegang heeft tot de in dit verband relevante gegevens, zijn betwisting van bedoelde samenhang zodanig te motiveren, dat [geïntimeerde] als verpachter voor eventuele bewijslevering voldoende aanknopingspunten heeft. Tegenover de stellingen van [geïntimeerde] omtrent de aard van het door [appellant] uitgeoefende bedrijf, volgens welke de akkerbouwtak (maïs en haver) mede de veehouderij diende (conclusie van repliek onder 17), heeft [appellant] zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd. De omstandigheid dat het voor [appellant] administratief niet mogelijk was om twee gescheiden bedrijven te hebben, brengt uiteraard op zichzelf niet mee dat [appellant] feitelijk twee gescheiden bedrijven heeft gehad. Ook de stelling dat het gepachte uitsluitend werd gebruikt voor de uitoefening van een bepaalde bedrijfsactiviteit (namelijk het weiden van vleesvee, akkerbouw) en niet voor een andere (melkveehouderij) is een onvoldoende motivering. [appellant] had in moeten gaan op de wijze waarop bemesting van het gepachte plaatsvond (al dan niet mede met mest van het melkvee) en op het gebruik van op het gepachte geoogst gewas (al niet mede ten behoeve van het melkvee). Gelet op een en ander dient het hof aan de betwisting door [appellant] voorbij te gaan en dus ervan uit te gaan dat met het gepachte melkquotum samenhangt. In zoverre falen de grieven in het principaal beroep.

4.8 Volgens vaste rechtspraak van dit hof heeft de pachter – tegen de achtergrond van het beginsel zoals dit ten grondslag ligt aan artikel 6:212 Burgerlijk Wetboek – bij het einde van de pacht aanspraak op een vergoeding voor het door hem aan de verpachter op te leveren melkquotum die in overeenstemming is met de omvang van zijn bijdrage aan de opbouw van de melkproductie van het bedrijf. Eveneens volgens die vaste rechtspraak geldt als vaste regel of vuistregel dat die vergoeding moet worden gesteld op de helft van de waarde van het quotum. Die regel is gegrond op de overweging dat verpachter en pachter beide aan de totstandkoming van het quotum een wezenlijke bijdrage hebben geleverd, de verpachter door het gepachte ter beschikking van de pachter te stellen en de pachter door melkvee te houden. Achtergrond van de regel is bovendien de overweging dat de praktijk behoefte heeft aan houvast.

4.9 De door [appellant] aangevoerde feiten zijn onvoldoende om van bedoelde regel af te wijken. De omstandigheid dat [appellant] door het bouwen van een ligboxenstal op eigen grond de voortzetting van de melkveehouderij mogelijk heeft gemaakt, doet er niet aan af dat ook [geïntimeerde] aan de totstandkoming van het quotum een wezenlijke bijdrage heeft geleverd door het gepachte ter beschikking te stellen. Dat geldt ook indien [appellant] het gepachte uitsluitend ten behoeve van de vleesvee- en akkerbouwtak van zijn bedrijf heeft gebruikt. In dat geval heeft hij immers de overigens tot zijn bedrijf behorende gronden in ruimere mate voor de melkveehouderij in kunnen zetten dan zonder die terbeschikkingstelling het geval zou zijn geweest. Volgens de vaste rechtspraak van dit hof moet ook die indirecte bijdrage aan de op het bedrijf van de pachter gerealiseerde melkproductie in aanmerking worden genomen.

4.10 Uit het voorgaande volgt dat ook het hof bij de begroting van de schade die [geïntimeerde] lijdt doordat [appellant] het quotum heeft verkocht, uitgaat van een vergoedingsplicht ter grootte van de helft van de waarde van het quotum. Ook in zoverre falen de grieven in het principaal beroep.

4.11 Grief 8 in het principaal beroep en de beide grieven in het incidenteel beroep hebben betrekking op het bedrag van de door [appellant] verschuldigde schadevergoeding. Naar het hof uit de memorie van antwoord in het incidenteel appel (pagina 4 onder 2) begrijpt heeft [appellant] zijn met grief 8 in het principaal beroep verwoorde bezwaren inmiddels laten vallen. Daarmee resteert de vraag of het gepachte 7.00.00 ha omvatte dan wel 8.65.00 ha. Voor haar standpunt dat op grond van de pachtovereenkomst 8.65.00 ha bij [appellant] in gebruik was, heeft [geïntimeerde] zich beroepen op een brief van [appellant] aan haar van 8 november 1996, overgelegd als productie 4 bij conclusie van dupliek in conventie tevens van repliek in reconventie. Bedoelde brief, die door [appellant] nogmaals is overgelegd als productie 1 bij zijn akte van 22 juni 2005, houdt onder meer het volgende in:

“Hierbij wil ik u een voorstel voorleggen om in de toekomst onze pachtverhouding te regelen zeker nu er ook sprake is van het nieuwe pachtnormenbesluit waarin is geregeld dat deze normen “rechtstreeks” doorwerken in de pachtprijs tussen partijen.

Allereerst ten aanzien van de oppervlakte. Ik ben van mening dat ik ongeveer 8.65 ha grond in gebruik heb van u hoewel moeilijk aan te geven is waar deze oppervlakte exact ligt. In een eventueel nieuw pachtcontract zou derhalve een oppervlakte van 8.65 ha opgenomen kunnen worden.”

4.12 Hetgeen [appellant] in reactie op het incidenteel beroep aanvoert, is geen voldoende gemotiveerde betwisting van de stelling van [geïntimeerde] dat het gepachte feitelijk 8.65.00 ha omvatte. Waar [appellant] spreekt van een “volgens [geïntimeerde] niet bestaande brief”, is zijn standpunt onbegrijpelijk. Uit het standpunt van [geïntimeerde] is duidelijk dat zij de brief voor echt houdt. [appellant], die zoals reeds gememoreerd, de brief zelf tot tweemaal toe in het geding heeft gebracht, doet dat klaarblijkelijk zelf ook. Waar [appellant] aanvoert dat “het verschil” (klaarblijkelijk is bedoeld het verschil met de 7.00.00 hectare waarvan de pachtkamer in eerste aanleg is uitgegaan, dus 1.65.00 ha) de grond betreft “op naam van [betrokkene]”, is zijn standpunt onvoldoende toegelicht. In eerdere gedingstukken is sprake van 3.65.31 ha uit de onverdeelde boedel [betrokkene] (productie 3 bij conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie en akte houdende wijziging (vermeerdering) van eis in conventie onder 3). Ook heeft [appellant] niet toegelicht hoe hij ertoe gekomen zou zijn om in zijn brief van 8 november 1996 een deel van de tot de nalatenschap van zijn moeder behorende gronden te verwarren met tot het gepachte behorende gronden.

4.13 In eerste aanleg heeft [appellant] bij zijn conclusie na comparitie onder 2.5 zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat de pachtovereenkomst ongewijzigd is gebleven en dat (zo begrijpt het hof:) daarom moet worden uitgegaan van de in de pachtovereenkomst aangeduide omvang van het gepachte van 7.00.00 hectare. Ook in zoverre faalt zijn verweer. Indien het gepachte feitelijk meer omvat dan de in de pachtovereenkomst opgegeven oppervlakte, is de feitelijke oppervlakte beslissend.

4.14 Uit het voorgaande volgt dat het incidenteel beroep doel treft en dat uit moet worden gegaan van een omvang van het gepachte van 8.65.00 hectare. [geïntimeerde] berekent het hectaregemiddelde op 5.896,74 kg en dus lager dan [appellant] (5.905,90 kg). Het hof zal [geïntimeerde] volgen in haar berekening van de verschuldigde schadevergoeding, uitgaande van een onbetwiste vetreferentie van 4,29% en een eveneens onbetwiste prijs van € 0,50 per procent vet. Die berekening leidt tot een bedrag in hoofdsom van € 54.704,79 (8.65.00 x 5.896,74 x 4,29 x € 0,50 x 50%).

4.15 Grief 9 in het principaal beroep richt zich tegen de toewijzing van wettelijke rente. Volgens [appellant] bestaat er “geen enkele reden” voor toekenning van een rentevergoeding. Gelet op het bepaalde in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek in verband met artikel 6:83 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek faalt de grief.

4.16 Grief 10 in het principaal beroep, die betrekking heeft op de proceskosten, bouwt op de overige grieven voort en deelt in hun lot.

4.17 De slotsom is dat de grieven in het principaal beroep falen en dat de grieven in het incidenteel beroep slagen. Het hof zal de bestreden vonnissen vernietigen voor zover de pachtkamer in eerste aanleg uit is gegaan van een door [appellant] aan [geïntimeerde] verschuldigd bedrag in hoofdsom van € 44.337,— en in plaats daarvan toewijzen een bedrag van € 54.704,79, te vermeerderen met wettelijke rente, met bekrachtiging van die vonnissen voor het overige, voor zover in dit hoger beroep betrokken.

4.18 Het hof gaat voorbij aan de door [appellant] gedane bewijsaanbiedingen omdat die aanbiedingen geen betrekking hebben op feiten die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden dan hiervoor gegeven.

4.19 Als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij dient [appellant] de kosten te dragen van zowel het principaal als het incidenteel beroep.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en het incidenteel beroep:

vernietigt de vonnissen van de pachtkamer van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Meppel, van 10 maart 2005 en 22 juni 2006 voor zover in die vonnissen uit wordt gegaan van een door [appellant] aan [geïntimeerde] verschuldigd bedrag in hoofdsom van € 44.337,—, en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen € 54.704,79, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2003 tot aan de dag van volledige betaling;

wijst af het meer of anders gevorderde;

bekrachtigt genoemde vonnissen voor het overige, voor zover in dit hoger beroep betrokken;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal en het incidenteel beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] wat betreft het principaal beroep begroot op € 2.446,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 248,— voor griffierecht en wat betreft het incidenteel beroep begroot op € 815,50.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, M.M. Olthof en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2009.