Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ9392

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
24-001146-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede – tweemaal – overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-001146-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-490608-07

Arrest van 6 oktober 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 april 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1959] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsvrouw van verdachte

mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsvrouw van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, alsmede tot ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 18 maanden.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 24 juli 2007 in de gemeente gemeente [plaats] als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 755 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op of omstreeks 24 juli 2007 in de gemeente [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de [straat 1], een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd;

3.

hij op of omstreeks 05 september 2007 in de gemeente [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de [straat 2], een motorrijtuig, (bromfiets), heeft bestuurd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 juli 2007 in de gemeente gemeente [plaats] als bestuurder van een voertuig, auto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 755 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op 24 juli 2007 in de gemeente [plaats] terwijl hij wist dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de [straat 1], een motorrijtuig, personenauto, heeft bestuurd;

3.

hij op 05 september 2007 in de gemeente [plaats] terwijl hij wist dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de [straat 2], een motorrijtuig, bromfiets, heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

3.

overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft op 24 juli 2007 zijn personenauto bestuurd terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank en terwijl hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen was ontzegd. Verdachtes ademalcoholgehalte bleek bij onderzoek 755 ug/l te zijn.

Daarnaast heeft verdachte op 5 september 2007 zijn personenauto bestuurd terwijl hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen was ontzegd.

Door het plegen van deze feiten heeft verdachte niet alleen de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, maar heeft hij ook - tweemaal - een aan hem opgelegd rechterlijk verbod genegeerd.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte

- blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 juni 2009 - reeds veelvuldig voor soortgelijke delicten is veroordeeld, onder meer tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

Voormelde recidive en de ernst van de feiten in combinatie met de door verdachte naar voren gebrachte belangen laten geen ruimte voor de oplegging van een werkstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke (gevangenis)straf, zoals door de raadsvrouw is verzocht. Slechts een gevangenisstraf komt in aanmerking.

De door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van een maand doet - gelet op voorgaande overwegingen - onvoldoende recht aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof - evenals de advocaat-generaal - van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en ook noodzakelijke bestraffing is.

Gelet op de omstandigheid dat eerder opgelegde ontzeggingen van de rijbevoegdheid niet tot enige gedragsverandering hebben geleid is het hof van oordeel dat voor een nieuwe ontzegging geen plaats is naast de veel hoger op te leggen gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. G. Dam en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van

mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. J.A. Wiarda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.