Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ8535

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
25-09-2009
Zaaknummer
TBS 2009/196
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

INHOUDSINDICATIE

Ontvankelijkheid openbaar ministerie. Verlenging terbeschikkingstelling.

De raadsman van de terbeschikkinggestelde heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling, nu de vordering van de officier van justitie niet vergezeld is gegaan van twee onafhankelijke gedragsdeskundigen, en het later uitgebrachte het advies van een derde gedragskundige evenmin aan de eisen voldoet. De raadsman heeft voorts betoogd dat de verlengingsvordering dient te worden afgewezen, nu de rechtbank niet binnen twee weken na het indienen van de verlengingsvordering haar beslissing heeft genomen. Het hof verwerpt beide verweren en verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P09/0196

Beslissing d.d. 22 september 2009

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[Terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 mei 2009, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

- De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe heeft de raadsman de in eerste aanleg gevoerde formele verweren in hoger beroep herhaald en hieraan toegevoegd dat in de wet niet te lezen valt dat een welbewuste schending van de belangen van betrokkene een voorwaarde is om het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren. Het hof verwerpt dit verweer in al zijn onderdelen en overweegt daartoe als volgt.

- De raadsman heeft ten eerste aangevoerd dat de vordering van de officier van justitie ten onrechte niet vergezeld is gegaan van twee recent opgemaakte, met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende adviezen van twee onafhankelijke gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater. Omdat het rapport van psycholoog G. de Bruijn niet als een dergelijk advies valt aan te merken, voldoet de vordering van de officier van justitie volgens de raadman niet aan het bepaalde in artikel 509o, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv).

De rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat de vordering van de officier van justitie wel degelijk vergezeld is gegaan van een tweetal adviezen als bedoeld in artikel 509o lid 4 WvSv, maar dat betwijfeld moet worden of aan het advies van psycholoog De Bruijn wel een zelfstandig onderzoek is voorafgegaan, omdat immers uit het rapport van de andere deskundige Van Soeren kan worden opgemaakt dat beide onafhankelijke deskundigen het reeds op 6 december 2008 met elkaar eens waren over diagnose en advies, terwijl uit het rapport van De Bruijn blijkt dat deze betrokkene pas op 8 en 10 december 2008 heeft bezocht.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat geen aanleiding bestaat om de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uit te spreken, nu niet is gebleken van een welbewuste schending van belangen van betrokkene. Het hof merkt op dat het recht geen steun biedt voor de opvatting van de raadsman dat twijfel aan de zelfstandigheid van een onderzoek door een onafhankelijke deskundige zonder meer zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat betrokkene in zijn belangen is geschaad door de twijfel over de zelfstandigheid van het onderzoek van psycholoog De Bruin. Naar aanleiding van het desbetreffende betoog van de raadsman heeft de rechtbank immers opdracht gegeven voor het uitbrengen van een nieuw gedragskundig onderzoek, aan welke opdracht op 5 april 2009 is voldaan door psycholoog Deenen.

- De raadsman heeft ten tweede aangevoerd dat, nu één van de onafhankelijke adviezen dateert van vóór de datum van de verlengingsvordering en één van daarna, de vordering daarmee niet voldoet aan de daaraan te stellen formele vereisten.

In navolging van de rechtbank stelt het hof vast dat de officier van justitie de verlengingsvordering tijdig heeft ingediend met twee recent opgemaakte, met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende adviezen van twee gedragsdeskundigen. De omstandigheid dat later twijfel is gerezen over de zelfstandigheid van het onderzoek door een van de gedragskundigen doet, zoals hiervoor overwogen, niet af aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De beslissing van de rechtbank een advies door een derde gedragskundige te doen opmaken, getuigt naar het oordeel van het hof van een zorgvuldige belangenafweging voorafgaand aan de verlengingsbeslissing van de rechtbank, die mede in het belang van betrokkene moet worden geacht.

- Ten derde heeft de raadsman aangevoerd dat het deskundigenrapport van Deenen niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, nu hij geen uitgebreid testpsychologisch onderzoek heeft uitgevoerd, en hij eigenlijk alleen heeft herhaald wat andere deskundigen over zijn cliënt hebben gezegd.

Het onderzoek van Deenen is weliswaar beperkt geweest, mede door de omstandigheid dat betrokkene de Nederlandse taal niet goed genoeg beheerst voor een uitgebreid testpsychologisch onderzoek, maar het hof stelt vast dat Deenen meer heeft gedaan dan alleen het herhalen van bevindingen van anderen. Naast een samenvatting van dossierstukken bevat het rapport ook een verslag van het gesprek van Deenen met betrokkene en de resultaten van een door hem afgenomen risicotaxatie. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het ontbreken van testpsychologisch onderzoek niet wegneemt dat in het rapport verder op duidelijke, logische en consistente wijze inzichtelijk wordt gemaakt op grond waarvan Deenen tot zijn advies is gekomen. De raadsman heeft de bevindingen die aan het advies ten grondslag liggen ook niet betwist. Naar het oordeel van het hof voldoet het rapport aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld.

- De raadsman heeft ten slotte betoogd dat de verlengingsvordering dient te worden afgewezen, nu de rechtbank niet tijdig op deze vordering heeft beslist. Het hof is van oordeel dat uit de overschrijding van de beslistermijn als bedoeld in artikel 509t lid 1 WvSv niet volgt de verlengingsvordering moet worden afgewezen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat rechtbank in haar beslissing redenen heeft vermeld, die de overschrijding van de beslistermijn naar het oordeel van het hof rechtvaardigen. De termijnoverschrijding is een gevolg van de omstandigheid dat tijdens de eerste zitting op 17 februari 2009 bleek dat er sprake was van een onvolkomenheid in het advies van een gedragskundige. De tussenbeslissing van 3 maart 2009, waarbij de rechtbank aanhouding in het belang van een zorgvuldige beslissing en daarmee ook in het belang van betrokkene geboden heeft geacht, is ruimschoots binnen de beslistermijn genomen. Aangezien vervolgens een nieuw rapport van een onafhankelijke gedragsdeskundige moest worden afgewacht, viel in redelijkheid niet te verwachten dat de behandeling van de zaak voor 20 april 2009 kon worden voortgezet en de beslissing eerder dan 4 mei 2009 kon worden genomen. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de zaak zodanig zorgvuldig en voortvarend behandeld, dat aan de beperkte overschrijding van de beslistermijn geen andere consequentie dient te worden verbonden dan een vernietiging van haar beslissing op formele gronden.

- Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, gelet op artikel 509t lid 1 WvSv, aangezien de rechtbank niet binnen twee maanden na het indienen van de verlengingsvordering van de officier van justitie haar beslissing heeft genomen, en daar het hof recht doet mede op grond van nieuwe stukken.

- In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat.

- Uit het verlengingsadvies volgt dat betrokkene na de oplegging van de terbeschikkingstelling opnieuw op een vrij plotse wijze agressieve delicten heeft begaan. Hij heeft de delicten gepleegd onder invloed van een psychose en imperatieve hallucinaties. Betrokkene lijdt aan een schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type, die maar ten dele in remissie kan wordt gebracht door medicijnen en gestructureerde begeleiding en ondersteuning. Betrokkene is een ernstig therapieresistente man, die onvoldoende reageert op medicatie. Geringe, soms ogenschijnlijk futiele, veranderingen zijn aanleiding voor ernstige decompensaties bij betrokkene, waardoor herhalingsrisico voortdurend aanwezig is. Betrokkene heeft vanwege zijn ernstige pathologie behoefte aan een langdurig verblijf in een klinische setting met een grote mate van dagstructurering en bovengemiddelde tot intensieve mate van begeleiding. De kliniek adviseert de terbeschikkingstelling met twee jaar te verlengen. Het verlengingsadvies en de inschatting van het recidiverisico van de kliniek worden onderschreven door de onafhankelijke gedragskundigen. Psychiater Van Soeren acht betrokkene zo kwetsbaar dat hij niet in staat is op een normale wijze deel te nemen aan sociale activiteiten in de kliniek. Door zijn achterdocht voortkomend uit zijn psychose raakt hij dan namelijk zo uit evenwicht dat gevreesd moet worden voor een herhaling van een agressief delict. De risico-inschatting voor een herhaling van een agressief delict is volgens Van Soeren dan ook zeer hoog. Naar de inschatting van psycholoog Deenen is er bij betrokkene, zelfs binnen de muren van de kliniek, eveneens sprake van een onverminderde en directe delictgevaarlijkheid.

- Gelet op het thans nog aanwezige delictgevaar en het gegeven dat betrokkene nog gedurende langere tijd structuur, zorg en begeleiding nodig heeft, is het hof van oordeel dat een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar geïndiceerd is.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 mei 2009 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [Terbeschikkinggestelde].

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr M.J. Stolwerk als voorzitter,

mr G. Mintjes en mr F.J.H. Rutgers van der Loeff als raadsheren,

en drs. J. Boon en drs. R. Poll als raden,

in tegenwoordigheid van mr R. Hermans als griffier,

en op 22 september 2009 in het openbaar uitgesproken.

De jongste raadsheer en de raden en zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.