Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ7978

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
18-09-2009
Zaaknummer
09-00095
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOZ.

Verwijzingsprocedure HR 20 maart 2009, nr. 42232, LJN: BH6420. Waardevaststelling woning in goede justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/1442
V-N 2009/61.7 met annotatie van Redactie
FutD 2009-2007
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 09/00095

uitspraakdatum: 25 augustus 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het beroep van

X (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Landgraaf (hierna: de heffingsambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking is de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q (hierna: de woning) voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 naar de waardepeildatum 1 januari 1999 vastgesteld op ƒ 230.000.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de heffingsambtenaar in beroep gekomen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Dat hof heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4. De Hoge Raad heeft bij arrest van 20 maart 2009, nr. 42.232, LJN: BH6420 (hierna: het arrest), de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.5. De heffingsambtenaar is door het Hof in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van het arrest een conclusie in te dienen. Hij heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Belanghebbende heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, een conclusie ingediend en daarbij als bijlage onder meer gevoegd een door A opgemaakt taxatierapport.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2009 te Arnhem. Beide partijen hebben het Hof bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.

2. Het arrest

2.1. De Hoge Raad heeft in het arrest onder meer overwogen:

‘ 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De waarde van belanghebbendes onroerende zaak is bij beschikking vastgesteld op ƒ 230.000. In zijn bezwaarschrift heeft belanghebbende zich beroepen op een daarbij gevoegd taxatierapport van 2 februari 1999, opgesteld door A, waarin de onroerende zaak is gewaardeerd op ƒ 208.500. In de uitspraak op bezwaar wordt ingegaan op het “aangevoerde” taxatierapport. In het verweerschrift voor het Hof wordt ingegaan op het “door belanghebbende overgelegde taxatierapport”. In het verweerschrift in cassatie staat vermeld dat “bij de besluitvorming op het bezwaarschrift rekening is gehouden met dit door reclamant overgelegde stuk”.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, aangezien het taxatierapport niet door belanghebbende aan het Hof is overgelegd, het Hof over de bewijskracht hiervan geen oordeel kan geven. Tegen dit oordeel richt zich de klacht.

3.3. De onder 3.1 weergegeven feiten laten geen andere conclusie toe dan dat het taxatierapport van belang is geweest voor de besluitvorming over het bezwaarschrift. Het is derhalve een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (vgl. HR 25 april 2008, nr. 43791, BNB 2008/162). De heffingsambtenaar had het daarom aan het Hof moeten zenden. Het Hof heeft dit miskend.

3.4. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. ’

3. De vaststaande feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar hetgeen is opgenomen in de uitspraak van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch . In aanvulling daarop stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door de ene partij gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. De woning, waarvan belanghebbende eigenaar is, is een in 1967 gebouwde rijwoning met een inhoud van 331 m³, gelegen op een perceel met een oppervlakte van 209 m².

3.2. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning naar de waardepeildatum 1 januari 1994 vastgesteld op ƒ 173.000.

3.3. Met dagtekening 4 februari 1999 schrijft Woningstichting B aan C, a-straat 1 te Q, onder meer het volgende:

“ Naar aanleiding van uw verzoek (…) hebben wij D B.V. verzocht een taxatierapport van uw woning op te maken. De woning a-straat 1 komt in aanmerking voor verkoop (…).

Ter uwer informatie voegen wij een exemplaar van het rapport van d.d. 2 februari 1999 verrichte taxatie hierbij. De onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik van het onderhavige woonhuis, is bepaald op f 208.500, .

Onder voorbehoud van de goedkeuring van de Raad van Toezicht en van de toestemming van de Inspectie Volkshuisvesting zijn wij in principe bereid de woning a-straat 1 aan u te verkopen voor een bedrag groot f 188.000, , kosten koper. (90% van de taxatiewaarde). ”

3.4. Het in de hiervoor onder 3.3 aangehaalde brief vermelde taxatierapport van A luidt onder meer als volgt:

“ OPDRACHTGEVER

Naam: Woningstichting B

(…)

Opname: 30 januari 1999

(…)

DOEL:

3. Verkrijgen van inzicht in de waarde van het onroerend goed ten behoeve van een verkoopbeslissing:

WAARDE(N) PER OPNAME-DATUM

1. Onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik: fl. 208.500,=

(…)

2. Executiewaarde bij eigen gebruik: fl. 182.500,=

(…)

7.A. (…)

B. Globale indicatie van de herbouwwaarde ten behoeve van een brandverzekering: Fl. 210.000,= (incl. tuinkamer en veranda).

(…) ”

3.5. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 maart 2001 de waarde van de woning naar de waardepeildatum 1 januari 1999 vastgesteld op ƒ 230.000.

3.6. Met dagtekening 28 november 2002 heeft E (F te R) de waarde van de woning getaxeerd op ƒ 230.000. In het taxatierapport is de waarde vastgesteld in vergelijking met de in 1998 verkochte panden b-straat 1 te S en c-straat 1 te T, beide gemeente Q. Ook wordt vergeleken met de vastgestelde WOZ-waarde voor het pand d-straat 1 te U (gemeente Q).

3.7. Het beroep van belanghebbende is op 14 april 2005 behandeld door het gerechtshof te ’s Hertogenbosch. In het proces-verbaal van die zitting is onder meer vermeld:

“ Voorzitter: Bij schrijven van 12 april 2005 heeft belanghebbende het Hof medegedeeld niet op de zitting te zullen verschijnen. Dat verklaart zijn afwezigheid vandaag. Bent u in het bezit van het door belanghebbende genoemde taxatierapport van 2 februari 1999 opgemaakt door A?

Verweerder: Nee, dat heb ik niet in mijn bezit. ”

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Na verwijzing is tussen partijen nog in geschil de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q naar de waardepeildatum 1 januari 1999.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de vastgestelde waarde tot ƒ 188.000. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De heffingsambtenaar heeft naar de Hoge Raad oordeelde ten onrechte aan het gerechtshof te ’s Hertogenbosch niet (een afschrift van) het in zijn bezit zijnde taxatierapport van A overgelegd. Ook heeft het college van Burgemeester en Wethouders van Q geen aanleiding gezien dit taxatierapport aan de Hoge Raad over te leggen, toen belanghebbende er in zijn beroepschrift in cassatie en in zijn conclusie van repliek in cassatie over klaagde dat de heffingsambtenaar had verzuimd dit rapport over te leggen. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar geen gebruik gemaakt van de door het Hof geboden mogelijkheid een conclusie in te dienen naar aanleiding van het arrest. Naar het oordeel van het Hof had het voor de hand gelegen dat de heffingsambtenaar van die gelegenheid gebruik had gemaakt alsnog (een afschrift van) het taxatierapport van A over te leggen. Dit zou aanleiding hebben gegeven voor het Hof, omdat de heffingsambtenaar niet voldoet aan zijn verplichting stukken over te leggen, op grond van artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht daaruit de gevolgtrekkingen te maken die het Hof geraden voorkomen. Nu uiteindelijk belanghebbende een afschrift van dat taxatierapport heeft overgelegd, ziet het Hof af van toepassing van voornoemd artikel.

5.2. Het Hof stelt voorop dat het op de weg van de heffingsambtenaar ligt aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Hij heeft zich daartoe beroepen op het door hem overgelegde rapport van een taxatie van F. Belanghebbende heeft de vastgestelde waarde betwist en zich beroepen op het rapport van een taxatie van A.

5.3. De taxatie van F heeft plaatsgevonden door E, gediplomeerd WOZ-taxateur. Het rapport biedt inzicht in de wijze waarop de taxateur tot de getaxeerde waarde is gekomen, doordat het een waardeopbouw bevat van de woning en van twee verkochte vergelijkingsobjecten. Het rapport bevat daarnaast de waardeopbouw van een derde object, maar omdat dat object niet verkocht is, is zonder nadere toelichting die ontbreekt niet duidelijk waarom die opbouw steun zou kunnen bieden aan de getaxeerde waarde.

5.4. De taxatie van D B.V. heeft plaatsgevonden door A, makelaar in onroerende goederen en beëdigd taxateur. Deze taxatie heeft plaatsgevonden in opdracht van de toenmalige eigenaar van de woning, die geen partij is bij de onderhavige procedure. Het doel van de taxatie was verkrijgen van inzicht in de waarde van de woning ten behoeve van een verkoopbeslissing. De woning is nadien zo begrijpt het Hof ook daadwerkelijk verkocht voor een prijs die is gebaseerd op de taxatie van A.

5.5. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het rapport van A gelet op de achtergrond van de taxatieopdracht niet geheel strookt met het waardebegrip van de Wet WOZ. Daaruit trekt hij zo begrijpt het Hof de conclusie dat het rapport niet afdoet aan het rapport van F. Het Hof constateert dat A de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van de woning heeft getaxeerd in opdracht van de toenmalige eigenaar van de woning met het doel inzicht te verkrijgen in de waarde van het onroerend goed ten behoeve van een verkoopbeslissing. Naar het oordeel van het Hof komt de door A te taxeren ‘onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik’ zozeer overeen met de waarde bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ dat noch de achtergrond van de taxatieopdracht, noch het gehanteerde waardebegrip eraan in de weg staat aan deze taxatie waarde toe te kennen voor het onderhavige geschil.

5.6. Bezien in het licht van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, waaronder de taxatie van A, is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is.

5.7. Belanghebbende stelt dat de waarde niet hoger is dan ƒ 188.000, zijnde de daadwerkelijke koopprijs. Nu dit een verkoop betreft aan de zittende huurder, is geen sprake van een verkoop onder de omstandigheden zoals die in aanmerking moeten worden genomen ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ: “indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen”. Belanghebbende heeft zijn stelling evenmin aannemelijk gemaakt.

5.8. Belanghebbende beroept zich er nog op dat de vastgestelde waarde van ƒ 230.000 ongeloofwaardig veel hoger is dan de eerder naar waardepeildatum 1 januari 1994 vastgestelde waarde van ƒ 173.000. Het Hof verwerpt deze benadering van belanghebbende. Het systeem van de Wet WOZ brengt mee dat de waarde wordt vastgesteld naar de waarde op de waardepeildatum. De naar een eerdere waardepeildatum vastgestelde waarde is daarvoor niet of nauwelijks van belang.

5.9. Nu noch de heffingsambtenaar, noch belanghebbende de door hen respectievelijk verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt, zal het Hof de waarde in goede justitie vaststellen. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, in het bijzonder de bijgebrachte taxatierapporten, brengt het Hof ertoe de waarde in goede justitie vast te stellen op ƒ 215.000.

6. Kosten

Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de bij de beschikking vastgestelde waarde tot ƒ 215.000 (€ 97.563); en

- gelast de gemeente Landgraaf het griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, R.F.C. Spek en A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek als griffier.

De beslissing is op 25 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(N. ten Broek) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 augustus 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.