Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ7838

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
16-09-2009
Zaaknummer
200.022.357/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2008:BG7108, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Bank mag rekening coffeeshop niet opzeggen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JE 2009, 549
JOR 2009/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 8 september 2009

Zaaknummer 200.022.357/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

SNS Bank N.V.,

gevestigd te [plaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: SNS,

advocaat: mr. E.W. Bosch, kantoorhoudende te Utrecht,

die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te Wapenveld,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M. Ambags, kantoorhoudende te Eindhoven,

die ook heeft gepleit.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kortgeding- vonnis uitgesproken op 11 december 2008 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 6 januari 2009 is door SNS hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 20 januari 2009.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"SNS Bank uw Gerechtshof eerbiedig verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad;

i. het vonnis van de Voorzieningenrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad tussen partijen gewezen op 11 december 2008 onder zaak- en rolnummer 150556 / KG ZA 08-516 te vernietigen;

ii. opnieuw rechtdoende bij arrest, de vordering van geïntimeerde alsnog aan haar te ontzeggen althans af te wijzen;

iii. geïntimeerde te veroordelen om al hetgeen appellante ter uitvoering van het bestreden vonnis aan geïntimeerde heeft voldaan aan appellante terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

iv. subsidiair, voorzover uw Hof zou oordelen dat SNS Bank de bankrelatie met geïntimeerde moet voortzetten, te bepalen dat deze bankrelatie moet plaatsvinden op de wijze zoals deze gebruikelijk is binnen SNS Bank voor al haar zakelijke cliënten;

v. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot de dag der betaling."

SNS heeft een memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad verklaard ook voor wat betreft de kostenveroordeling, de grieven van appellante ongegrond te verklaren, het vonnis van de Voorzieningenrechter Zwolle-Lelystad te bekrachtigen, zulks met veroordeling van SNS Bank in de proceskosten."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van aanvullende producties en pleitnota's door hun advocaten.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

SNS heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

De geldigheid van de dagvaardig

1. [geïntimeerde] heeft een beroep gedaan op de nietigheid van de dagvaarding. Dat beroep faalt, omdat in het licht van het procesverloop niet valt in te zien dat de gestelde adresseringsfout haar onredelijk in haar belangen kan hebben geschaad.

De feiten

2. Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

2.1. [geïntimeerde] voert onder de naam Het Binnenhof een eenmanszaak die een coffeeshop drijft. Zij huurt daartoe een bedrijfsruimte. Het Binnenhof behaalt een jaaromzet die ligt tussen de € 1.000.000,00 en € 2.000.000,00.

2.2. [geïntimeerde] houdt ten behoeve van Het Binnenhof twee zakelijke betaalrekeningen aan bij SNS. [geïntimeerde] bankiert al meer dan 15 jaar bij SNS, overigens zonder dat leningen of kredietfaciliteiten bij SNS zijn aangegaan.

2.3. In artikel 30 van de op de hiervoor bedoelde rechtsbetrekking toepasselijke algemene voorwaarden is bepaald dat zowel [geïntimeerde] als SNS tot opzegging bevoegd is. Bij brief van 10 december 2007 heeft SNS aan [geïntimeerde] bericht dat zij de bankrelatie met [geïntimeerde] op een redelijke termijn wenst te beëindigen. Bij brief van 25 maart 2008 heeft SNS aan [geïntimeerde] bericht de relatie op 30 juni 2008 daadwerkelijk te zullen beëindigen.

Het verloop van de procedure in eerste aanleg

3. [geïntimeerde] heeft gevorderd dat SNS op straffe van verbeurte van dwangsommen wordt verplicht haar bankrelatie met [geïntimeerde] te continueren en het gebruik van de bankrekeningen op gebruikelijke wijze voort te zetten. De voorzieningenrechter heeft deze vordering toegewezen.

Beoordeling van het hoger beroep (het primaire verweer van SNS)

4. De grieven i tot en met v strekken tot afwijzing van de vordering door het hof. Deze grieven beogen het primaire verweer van SNS in volle omvang aan het hof voor te leggen. Die grieven zullen daarom niet afzonderlijk worden behandeld.

5. SNS heeft aangevoerd dat zij op grond van de op 1 januari 2007 van kracht geworden Wet op het Financieel toezicht (Wft) en het Besluit prudentiële regels Wft (Stb 2003, 396) verplicht is zorg te dragen voor integere bedrijfsvoering. SNS stelt dat zij op grond van deze dwingende regelgeving wettelijk gehouden is relaties met haar rekeninghouders te beëindigen voor zover die een onaanvaardbaar risico opleveren dat SNS voor het aangaan of instandhouden ervan strafrechtelijk zal worden vervolgd of reputatieschade zal lijden. SNS geeft aan dat zij voor de vraag is gesteld of dat uitgangspunt tot beleidswijzing moet leiden. Zij is uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat reeds de enkele betrokkenheid van een cliënt bij de exploitatie van een coffeeshop een onaanvaardbaar risico in zich draagt, gezien de zweem van criminaliteit waarmee de handel in softdrugs in toenemende mate is omgeven. Om die reden heeft zij besloten alle bancaire relaties te beëindigen met klanten die in deze branche actief zijn.

6. De vraag of het gewijzigde wettelijke regime SNS tot een beleidswijziging heeft verplicht, behoeft geen beantwoording. Door de maatschappelijke functie die SNS als bank vervult, is zij immers zonder meer bevoegd een beleid te voeren dat is gericht op de instandhouding van haar integriteit. Reeds om die reden is het uitgangspunt juist dat haar beleid gericht mag zijn op het vermijden van de hiervoor genoemde risico's. Het gaat om de vraag of daarmee ook de mogelijkheid is gegeven om bestaande, langlopende relaties te beëindigen. Naar het oordeel van het hof staat de zorgplicht die SNS tegenover haar klanten dient te betrachten daar op voorhand daaraan in de weg. Indien sprake is van toenemende criminalisering van een branche waarin een rekeninghouder werkzaam is, zoals in dit geval de onder het bereik van de Opiumwet vallende verkoop van softdrugs, kan dat voor een bank inderdaad, zoals SNS aanvoert, aanleiding vormen de banden met in die branche werkzame clientèle te verbreken. Hiermee is overigens niet gezegd dat in dit geschil vaststaat dat de handel in softdrugs daadwerkelijk verhardt (zie daaromtrent nog nader onder rechtsoverweging 11). Voor dit concrete geval geldt het volgende.

7. Bij de beoordeling van de vordering en de daaraan ten grondslag gelegde beginselen, dient onderscheid te worden gemaakt tussen de aanvullende en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in respectievelijk de leden 1 en 2 van artikel 6:248 BW. SNS heeft in grief iv betoogd dat de voorzieningenrechter zijn beslissing ten onrechte heeft gebaseerd op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid door te overwegen dat de opzegging op grond van die beginselen onaanvaardbaar is. Iets dergelijks zou niet aan de vordering van [geïntimeerde] ten grondslag zijn gelegd. Nog daargelaten dat de rechter de rechtsgronden ambtshalve dient aan te vullen, geldt dat [geïntimeerde] dat nu kennelijk wel wenst te doen. Zij schaart zich immers achter hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist. In overeenstemming daarmee benadrukt [geïntimeerde] bij de onderbouwing van haar vordering niet zozeer de zorgplicht die SNS bij opzeggingen in acht moet nemen, maar de (onaanvaardbare) gevolgen daarvan in dit bijzondere geval. Die gevolgen zijn volgens haar - en dat is de kern van de vordering - dat zij geen nieuwe rekening kan openen omdat inmiddels alle benaderde financiële instellingen weigeren relaties aan te gaan met exploitanten van coffeeshops.

8. Op dit alles stuit dit onderdeel van de grief af. Aan de orde komt daarmee de vraag of voorlopig kan worden geoordeeld dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden aanvaard.

9. Het hof is met de rechtbank om te beginnen van oordeel dat [geïntimeerde] genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat zij na de opzegging door SNS bij andere banken (in de vestigingsplaats van [geïntimeerde] of in de directe omgeving daarvan) geen rekeningen heeft kunnen openen of nog zal kunnen openen. In het bijzonder wordt te dien aanzien verwezen naar de uitvoerige verslaglegging van de vergeefse pogingen die een door [geïntimeerde] ingeschakelde deskundige op dat vlak heeft ondernomen (productie 54 bij memorie van antwoord). Niet in geschil is bovendien dat het ontbreken van een bancaire relatie het [geïntimeerde] feitelijk onmogelijk maakt haar bedrijf uit te oefenen. Het antwoord op de vraag of dat zeer vergaande gevolg van de opzegging niet kan worden aanvaard, is afhankelijk van alle omstandigheden van dit geval. Bij de weging van die omstandigheden staat in aanvulling op de al genoemde consequenties voor [geïntimeerde] voorop dat sprake is van een langlopende relatie, en dat zich gedurende de afgelopen 15 jaar in die relatie tussen partijen geen noemenswaardige problemen hebben voorgedaan. Niet gesteld of gebleken is, dat SNS gedurende die periode of een deel ervan onwetend is geweest van de aard van handelsactiviteiten van [geïntimeerde]. SNS heeft aan de opzegging ook geen concrete, op de bedrijfsvoering van [geïntimeerde] betrekking hebbende risico's ten grondslag gelegd. Dergelijke specifieke risico's kunnen daarom niet bij de te maken afweging worden betrokken.

10. Aan die laatste constatering doet niet af dat SNS bij gelegenheid van de gehouden pleidooien uiteindelijk wel enige risico's heeft geconcretiseerd die zij in dit geval zou lopen. Zo overschrijdt [geïntimeerde] (en/of haar leveranciers) volgens SNS de maximaal gedoogde handelsvoorraad en neemt zij producten af van illegaal opererende henneptelers. Nog daargelaten dat deze aanvulling van de grieven overwegend tardief is, geldt dat niet is gesteld of gebleken dat dergelijke omstandigheden op enig moment aan de opzegging ten grondslag zijn gelegd. Integendeel, na een vraag van de zijde van het hof daarover, heeft SNS haar standpunt gehandhaafd dat de opzegging enkel en alleen is (en kon worden) gebaseerd op de hiervoor besproken beleidswijziging van algemene aard.

11. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een reëel gevaar voor imagoschade c.q. waardedaling of strafrechtelijke vervolging van SNS door het enkele feit dat een exploitant van een coffeeshop bij SNS betaalrekeningen aanhoudt. Uit niets blijkt dat dergelijk risico's zich de afgelopen 15 jaar op enigerlei wijze hebben geconcretiseerd. Evenmin zijn bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die de conclusie kunnen dragen dat er niet op kan worden vertrouwd dat dit zo zal blijven. SNS kan worden toegegeven dat de zogenaamde achterdeurproblematiek onderwerp is van soms heftige maatschappelijke discussie, maar deze discussie heeft zich al vaker gedurende de 15 jaar durende relatie tussen SNS en [geïntimeerde] voorgedaan. Ook bestaat er geen concrete aanwijzing voor de suggestie dat het al jaren bestaande gedoogbeleid in het nadeel van de coffeeshops op korte of lange termijn zal worden gewijzigd.

12. Het voorgaande betekent enerzijds dat [geïntimeerde] een zeer zwaarwegend belang heeft bij de instandhouding van de overeenkomsten met SNS, en anderzijds dat SNS geen omstandigheden aan de opzegging ten grondslag heeft gelegd die de consequentie daarvan zouden kunnen billijken. De rechtbank heeft dan ook terecht voorshands aannemelijk geacht dat de opzegging in dit concrete geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

13. De grieven i tot en met v falen.

Het subsidiaire verweer van SNS (grief vi)

14. Met grief vi betoogt SNS voor het geval de overige grieven falen dat het vonnis van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover dat ertoe kan leiden dat SNS op straffe van verbeurte van dwangsommen tegenover [geïntimeerde] tot meer gehouden kan worden dan haar andere rekeninghouders. Het belang van SNS bij deze grief is gelegen in het voornemen haar bankkantoren om te vormen tot zogenoemde bankwinkels. Het gevolg daarvan zal zijn dat de mogelijkheid om op locaties van SNS contant geld af te storten, komt te vervallen. Omdat SNS onder meer is veroordeeld om (ook in de toekomst) kasstortingen te aanvaarden, vordert zij dat zal worden bepaald dat de bankrelatie zal moeten plaatsvinden op de wijze zoals deze gebruikelijk is binnen SNS voor al haar zakelijke cliënten.

15. Deze beperking komt het hof zonder meer juist voor. De grief slaagt om die reden. Het beroepen vonnis zal slechts worden vernietigd voor zover SNS is veroordeeld tot het verlenen van meer of andere diensten dan aan haar andere zakelijke cliënten.

De terugbetalingsvordering van SNS

16. In het voorgaande ligt besloten dat de vordering van SNS dient te stranden die strekt tot restitutie van al hetgeen SNS ter uitvoering van het beroepen vonnis heeft voldaan aan [geïntimeerde].

De slotsom.

17. Het vonnis waarvan beroep dient overwegend te worden bekrachtigd met veroordeling van SNS als nagenoeg geheel de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tariefgroep II, 3 punten).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van beroep voor zover SNS daarin is veroordeeld tot het verlenen van meer of andere diensten dan aan haar andere zakelijke cliënten;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt SNS in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 303,= aan verschotten en € 3.474,= aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Zandbergen, voorzitter, Wind en Zondag, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 8 september 2009 in bijzijn van de griffier.