Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ7126

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
07-00288
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waterschapsheffing.

Indeling bospercelen in niet betalende omslagklasse.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/1352 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1952
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummers 07/00288 tot en met 07/00291 en 07/00293 tot en met 07/00296

Uitspraakdatum: 18 augustus 2009

Eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V. te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen (hierna: de Rechtbank) van 14 mei 2007, nummers 05/982, 05/983, 05/984, 05/985, 05/986, 05/987, 05/988 en 05/1042, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van het waterschap Veluwe (hierna: de ambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1997 tot en met 1999 en 2001 tot en met 2005 aansla-gen in de omslagheffing ongebouwd opgelegd voor de percelen kadastraal bekend gemeente Z, sectie A, nummers 0001 en 0002, die zijn berekend naar een belaste oppervlakte van 30.26.60 onder-scheidenlijk 89.62.50 hectare in klasse 4 voor het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer.

1.2. Bij uitspraken van de ambtenaar van 23 mei 2005 zijn de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.3. Het beroep tegen de uitspraken van de ambtenaar is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift in hoger beroep met de daarin genoemde bijlagen en de nadere stukken die op 25 september 2008 van de gemachtigde van de heffingsambtenaar zijn ontvangen en op dezelfde dag in kopie zijn doorgezonden aan de wederpartij.

1.5. Na het onderzoek ter zitting op 8 oktober 2008 te Arnhem, waarbij zijn gehoord de gemach-tigde van belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, zijn van de heffingsambte-naar schriftelijke inlichtingen ingewonnen. De schriftelijke reactie daarop van belanghebbende is in afschrift doorgezonden aan de ambtenaar.

1.6. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt,. dat op 10 november 2008 in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7. Met toestemming van beide partijen heeft het Hof op de voet van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft en heeft het Hof het onderzoek gesloten. Wegens het defungeren van mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo als lid van dit Hof met ingang van 1 januari 2009 is haar plaats in deze procedure inge-nomen door mr. J. Lamens.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is eigenares van de onder ?1.1 genoemde percelen (hierna: de bosperce-len).

2.2. De bospercelen vormen een landgoed en zijn gelegen in het hoofdstroomgebied Veluwe-meer. Het landgoed ligt op een hoogte van ± 22 m boven NAP. De grondwaterspiegel (het frea-tisch vlak) ligt ± 10 m dieper.

2.3. Het landgoed op de bospercelen bestaat uit ongebouwde eigendommen, hoofdzakelijk begroeid met grove den en onderbegroeiing van heide/bosbes, alsmede uit een onbegroeide zandvlakte. De bodem bestaat uit grindhoudend zand.

2.4. Het landgoed heeft geen greppels, sloten of watergangen in beheer bij het waterschap.

2.5. In de omgeving van het landgoed wordt door waterleidingbedrijf A grondwater gewonnen in P en in Z.

2.6. Met ingang van 1 januari 1997 zijn de hooggelegen bos en natuurgronden op de Veluwe in waterschapsverband gebracht. Hierbij is het landgoed opgenomen in het taakgebied van het waterschap Veluwe.

2.7. De omschrijving van de klassen 4 en 5 in artikel 5 van de Omslagklassenverordening waterschap Veluwe 1997 luidt:

omslagklasse 4: ongebouwde onroerende zaken, gelegen in gebieden die belang hebben bij het in een ander gebied gelegen watergangenstelsel dan wel ongebouwde onroe-rende zaken gelegen in uiterwaarden die een beperkt belang hebben bij het daar aanwezige watergangenstelsel en bij bemaling;

omslagklasse 5: ongebouwde onroerende zaken, gelegen in gebieden die geen belang hebben bij het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer.

2.8. De bospercelen liggen temidden van een gebied van het waterschap dat belang heeft bij een in een ander gebied gelegen watergangenstelsel.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Partijen houdt verdeeld, of de ambtenaar de percelen van belanghebbende terecht heeft ingedeeld in klasse 4, wat hij verdedigt, dan wel als afzonderlijk gebied had moeten indelen in de niet-betalende klasse 5, zoals belanghebbende voorstaat.

3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.3. Daaraan is mondeling toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4. In hoger beroep concludeert elk van partijen overeenkomstig haar conclusie in eerste aanleg.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In de wederzijdse stellingen van partijen ligt besloten, dat vanuit de bospercelen geen zichtbare bovengrondse doch enkel ondergrondse onzichtbare afstroming kan plaatshebben.

4.2. Volgens de kaart die als tweede bijlage van de brief van de gemachtigde van de verweerder van 25 januari 2007 aan de Rechtbank is overgelegd, komen in het zo-even bedoelde noordelijke deel van de Veluwe gebieden voor met indeling in alle vier betalende klassen. Het onder ?2.8 bedoelde waterschapsgebied is ingedeeld in klasse 4.

4.3. Voor zover de ambtenaar met hetgeen hij in punt 19 van de pleitnota in eerste aanleg aanvoert, wil betogen dat de afbakening van het in waterhuishoudkundig opzicht als eenheid te beschouwen gebied niet ter beoordeling staat van de bestuursrechter in belastingzaken, faalt dit betoog. Het miskent dat die afbakening tot doel heeft het belang dat indeling van een perceel in een bepaalde omslagklasse wettigt, ruimtelijk te begrenzen. Zoals is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 15 december 1999, nr. 34 736, BNB 2000/112, mag van het waterschap niet het bewijs worden verlangd van het specifieke belang van elk in de omslagheffing betrokken perceel, maar kan het volstaan met het bewijs dat het waterstaatkundig als eenheid te beschouwen gebied waarvan een perceel deel uitmaakt dat specifieke belang heeft, behoudens bijzondere omstandig-heden die zich tegen heffing ten aanzien van juist dit perceel verzetten. Voorts kan niet op grond van de enkele omstandigheid dat enig van het perceel van belanghebbende afkomstig water uiteindelijk een watergang van het waterschap bereikt, worden gezegd dat het perceel belang heeft bij de werken van het waterschap en/of waterbezwaar oplevert. Van waterbezwaar bij onzichtbare ondergrondse afstroming, waarom het hier gaat, is alleen sprake indien die afstro-ming zodanig is dat zij kosten veroorzaakt, bij voorbeeld doordat daarmede bij de dimensionering van de waterstaatkundige werken rekening moet worden gehouden.

4.4. Zoals is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2000, nr. 34 924, BNB 2000/383*, dient de vraag of een perceel waterbezwaar oplevert, niet te worden beoordeeld naar hetgeen geldt voor dat specifieke perceel, maar naar wat geldt voor het vanuit waterstaatkundig als eenheid te beschouwen gebied waarin dat perceel ligt. Binnen het gebied dat in de Verorde-ning in één klasse is ingedeeld, kunnen meer dergelijke in waterstaatkundig opzicht als eenheid te beschouwen gebieden zijn gelegen. De ambtenaar verdedigt dat het gehele deel van de Veluwe benoorden de lijn Apeldoorn-Harderwijk, tezamen met de lagere randgebieden aan weerszijden, langs de Randmeren respectievelijk de IJssel een waterstaatkundige eenheid vormt (pleitnota in eerste aanleg, bladzijde 6, punt 21, en schriftelijke inlichtingen van 13 november 2008, bladzijde 6, punt 24).

4.5. Daarbij gaat de ambtenaar uit van de opvatting dat het gebied van de onderhavige water-staatkundige eenheid tot vier verschillende omslagklassen kan behoren (schriftelijke inlichtingen bladzijde 7, punt 27). Deze opvatting is evenwel onverenigbaar met het zo-even genoemde arrest en kan daarom niet als juist worden aanvaard. Een in waterstaatkundig – in de zin van waterhuis-houdkundig – opzicht als eenheid te beschouwen gebied kan niet tot meer dan één klasse beho-ren. Zoals is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 2004, nr. 38 862, BNB 2005/25*, komt aan waterschappen een zekere vrijheid bij het instellen van omslagklassen, bij de indeling van gebieden in die klassen en dus bij het trekken van grenzen daartussen. Indien perce-len evenwel tot verschillende omslagklassen behoren, verschillen zij noodzakelijkerwijs in hoedanigheid of ligging in de zin van artikel 120, lid 7, van de Waterschapswet (tekst tot en met 2007). Onjuist is derhalve de opvatting van de ambtenaar (schriftelijke inlichtingen, bladzijde 7, onder 27) dat differentiatie van de lastenheffing binnen een dergelijke eenheid slechts een classi-ficatiekwestie is, die op de eenheid als zodanig geen invloed zou hebben.

4.6. De stellingname van de ambtenaar biedt geen met het genoemde arrest nr. 34 924 verenig-baar aanknopingspunt over de omvang van de waterstaatkundige eenheid waartoe de bospercelen van belanghebbende behoren. De omstandigheden die belanghebbende aanvoert in punt 6, onder-delen 1 tot en met 7 en 9 tot en met 13, van haar pleitnota in hoger beroep zijn op zichzelf door de ambtenaar niet weersproken. Zij zijn, ook ten opzichte van het onder ?2.8 bedoelde water-schapsgebied temidden waarvan de bospercelen zijn gelegen, voldoende specifiek en op zichzelf reeds voldoende om aan te nemen dat deze percelen een zodanig eigen waterhuishoudkundige karakteristiek hebben dat zij als eenheid in de meerbedoelde zin geen belang hebben bij de kwan-titeitsbeheerstaak van het waterschap. Het van de ambtenaar verlangde bewijs ligt voorts niet besloten in zijn stellingen over de opvang van neerslagoverschot in de onverzadigde zone (tussen maaiveld en freatisch vlak) en in zijn herberekening van de waterbalans, daar hiermee niet wordt ontzenuwd wat belanghebbende aanvoert over de capaciteit van – specifiek – de bospercelen tot het opnemen (interceptie) en het verdampen (transpiratie en evaporatie) van neerslag en over de invloed van de waterwinning in de nabijheid op tijdelijke neerslagoverschotten.

4.7. De bospercelen moeten bijgevolg worden ingedeeld in de niet-betalende omslagklasse 5.

4.8. De omstandigheden die belanghebbende in de punten 7 en 8 van haar pleitnota in hoger beroep nog aanvoert en die door de ambtenaar zijn weersproken, behoeven dus geen behandeling.

4.9. Ten overvloede verdient nog opmerking, dat als bijzondere omstandigheid niet kan gelden dat eigenaren van bos en natuur in de onderhavige jaren geen zeggenschap in het waterschapsbe-stuur zouden hebben, zoals belanghebbende in punt 6, onderdeel 8, van haar pleitnota nog aan-voert. Die eigenaren behoren tot de bestuurlijke categorie ongebouwd. De wijze waarop hun zeggenschap is geregeld, is niet een onder ?4.5 bedoelde hoedanigheid of ligging van onroerende zaken, zodat eventuele benadeling in zeggenschap van die eigenaren niet door het instellen van of indeling in omslagklassen kan worden ondervangen.

5. Slotsom

Bij de uitspraak van de Rechtbank is het beroep ten onrechte ongegrond verklaard. De uitspraken van de ambtenaar en de daarbij gehandhaafde aanslagen kunnen niet in stand blijven.

6. Kosten

In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Gerechtshof, recht doende in hoger beroep:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en, opnieuw recht doende:

– vernietigt de uitspraken op het bezwaar alsmede de aanslagen;

– gelast het waterschap Veluwe aan belanghebbende de door haar gestorte griffierechten van € 276 in eerste aanleg en van € 428 in hoger beroep te vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem door mr. J.A. Monsma, voorzitter, mr. J. Lamens en mr. M.C.M. de Kroon in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2009.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbende en het dagelijks bestuur binnen zes weken na de verzend¬datum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassa-tie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.