Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ7118

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
08-00149
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Beroep op saldomethode op uitkering uit kapitaalverzekering met lijfrenteclausule via gelijkheidsbeginsel niet gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 117
FutD 2009-1933
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00149

uitspraakdatum: 4 augustus 2009

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 maart 2008, nummer AWB 07/2689, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd naar onder andere een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.183.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 17 maart 2008 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2009 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 In onderdeel 2 van haar uitspraak heeft de Rechtbank de feiten als volgt vastgesteld (waarbij eiseres dient te worden gelezen als belanghebbende en verweerder als de Inspecteur).

‘Eiseres is geboren in 1949 en is ongehuwd. Zij is thans werkzaam bij A te Q.

In 1988 heeft eiseres een verzekeringsovereenkomst gesloten bij B (hierna: de verzekeraar). Dit betreft een zogenoemde kapitaalverzekering met lijfrenteclausule (hierna: de verzekering). De expiratiedatum van de verzekering verliep op 31 december 2003. De koopsom bedroeg fl. 17.500. Deze koopsom is door de vader van eiseres betaald aan de verzekeraar.

In 1988 ontving eiseres een bijstandsuitkering. Zij stelt dat zij in 1988 geen aangifte heeft gedaan voor de IB/PVV.

Na expiratie van de verzekering in 2003 heeft eiseres van het expiratiekapitaal geen lijfrente aangekocht. Het expiratiekapitaal, ter grootte van € 23.441, is aan eiseres uitgekeerd. Zij heeft dit bedrag niet vermeld in de aangifte IB/PVV 2003.

Verweerder heeft dit na constatering in 2006 gecorrigeerd, hetgeen heeft geresulteerd in de onderhavige navorderingsaanslag.’

2.2 In aanvulling daarop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.3 Twee broers en twee zussen van belanghebbende hebben eenzelfde verzekering afgesloten bij de verzekeraar. Een van de broers (verder: de broer) en de twee zussen hebben, net als belanghebbende, na expiratie van de verzekering geen lijfrente aangekocht. Het expiratiekapitaal is aan hen uitgekeerd. De broer, ten aanzien van wie de fiscale behandeling plaatsvindt door of namens dezelfde voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/C, heeft de uitkering op basis van de saldomethode aangegeven in zijn aangifte IB/PVV 2003 en heeft ter zake gesteld dat hij de koopsom destijds niet in aftrek heeft gebracht op zijn onzuivere inkomen. De behandelend ambtenaar heeft hem op dit punt geloofd. Een van de twee zussen, die onder een de regio Belastingdienst/D valt, heeft het expiratiekapitaal niet vermeld in haar aangifte IB/PVV. De betrokken inspecteur heeft dat gecorrigeerd en belanghebbendes zus heeft dat geaccepteerd. De tweede zus (verder: de zus), die valt onder regio Belastingdienst/E, heeft in haar aangifte IB/PVV 2004 een bedrag van € 13.675 aangegeven. Na telefonische en schriftelijke correspondentie tussen de zus en de betrokken behandelend ambtenaar, is de aangifte gevolgd en akkoord bevonden. In een e-mail van de behandelend ambtenaar van de Belastingdienst/E aan de Inspecteur vermeldt hij daarover het volgende:

‘Reden hiervan is, zoals ik mij dat kan herinneren, dat F heeft aangegeven dat zij niet de enige begunstigde was, maar dat er in totaal 3 begunstigden waren en dat zij dus 1/3 van de uitkering [Hof: € 40.814] heeft aangegeven in de aangifte (weliswaar in de verkeerde rubriek). Op basis van deze door haar verstrekte gegevens heb ik de aangifte 2004, waar dus € 13.675 is aangegeven, gevolgd.’

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en, naar het Hof begrijpt, vermindering van de navorderingsaanslag.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Belanghebbende beroept zich erop dat bij de toepassing van de saldomethode op de door haar genoten uitkering uit de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule, de destijds betaalde koopsom die – zo stelt zij – niet op het inkomen in mindering is gebracht, op de uitkering in mindering dient te worden gebracht. Zij meent daarvoor in aanmerking te komen op grond van het gelijkheidsbeginsel, omdat ook bij haar broer en zus de koopsommen bij de toepassing van de saldomethode in aanmerking zijn genomen.

4.2 Van schending van het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur kan - kort gezegd - sprake zijn indien in vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven als gevolg van begunstigend beleid of een ‘oogmerk van begunstiging’ dan wel indien de meerderheidsregel is geschonden.

4.3 Voor de beoordeling van de vraag of het gelijkheidsbeginsel is geschonden, acht het Hof - anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld - de situatie van de broer en de zus van belanghebbende wel voldoende vergelijkbaar. Deze drie personen hebben immers met elkaar gemeen dat zij ieder een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule hebben afgesloten, waarvan de koopsom destijds als persoonlijke verplichting volledig aftrekbaar was, en waarvoor de wet voorschrijft dat, op het moment dat geen uitvoering wordt gegeven aan de lijfrenteclausule, het expiratiekapitaal onder toepassing van de saldomethode belastbaar is. Zulks brengt echter, gelet op het hierna overwogene, niet mee dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

4.4 In het geval van de broer, die onder dezelfde regio van de Belastingdienst valt als belanghebbende, heeft de Inspecteur onbestreden gesteld dat de in de Resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 29 juni 1990. nr. DB90/3579, BNB 1990/341 vervatte goedkeurende regeling - en dus gepubliceerd beleid - is toegepast, op grond waarvan onder voorwaarden wordt goedgekeurd dat een niet in aftrek gebrachte koopsom wordt aangemerkt als koopsom die niet op het inkomen in mindering kon worden gebracht. De resolutie stelt twee voorwaarden aan de toepassing van de goedkeuring, waarvan de eerste luidt dat de belastingplichtige aantoont dat de lijfrentepremies (koopsom) in het verleden niet op het inkomen in mindering zijn gebracht. De behandelend ambtenaar heeft de enkele verklaring van de broer dat hij de koopsom in het verleden niet op zijn inkomen in mindering heeft gebracht, geloofwaardig geacht.

4.5 Belanghebbende heeft daartegenover aangevoerd dat het onrechtvaardig voelt dat haar broer wél is geloofd en zij niet. Dit kan naar het oordeel van het Hof echter niet leiden tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel, nu - tegenover de betwisting door de Inspecteur - niet aannemelijk is geworden dat dit verschil in behandeling met betrekking tot de waardering van het aangedragen bewijs heeft plaatsgevonden op grond van begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging van de Inspecteur, dan wel dat de meerderheidsregel is geschonden. Wat dit laatste betreft, overweegt het Hof als volgt.

4.6 Voor de toepassing van de meerderheidsregel kunnen slechts in de vergelijking worden betrokken de met het geval van de betrokken belastingplichtige vergelijkbare gevallen die aan het betrokken bestuursorgaan uit hoofde van zijn bevoegdheid bekend zijn. Slechts ten aanzien van die belastingplichtigen kan dat bestuursorgaan fouten maken, waarop de meerderheidsregel naar haar strekking ziet (vgl. HR 5 oktober 1994, nr. 29 839, BNB 1995/7, onderdeel 4.4). Er is sprake van een meerderheid als de juiste wetstoepassing achterwege is gebleven in de helft plus (ten minste) één van de vergelijkbare gevallen. Nu de Inspecteur niet bevoegd is ten aanzien van de zus van belanghebbende en belanghebbende uitsluitend haar broer heeft genoemd als vergelijkbaar geval ten aanzien van wie de Inspecteur bevoegd is, is geen sprake van een meerderheid in vorenbedoelde zin.

4.7 Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van beleid dat wordt gecoördineerd op een hoger niveau dan de desbetreffende eenheid van de Belastingdienst of dat een onderlinge afstemming van beleid ten onrechte heeft ontbroken.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. M.C.M. de Kroon, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 4 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (C.M. Ettema)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 augustus 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.