Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ7035

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-09-2009
Datum publicatie
07-09-2009
Zaaknummer
24-000606-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van mishandeling en bedreiging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000606-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-607451-07

Arrest van 4 september 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 maart 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats]

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans uit andere hoofde gedetineerd in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad,

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte mr. R.P. Adema, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het aan verdachte onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 november 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), heeft vastgepakt en/of tegen een auto aangeduwd en/of (met gebalde vuist) heeft geslagen op/tegen het oog, in ieder geval op/tegen het lichaam van die [slachtoffer], waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 4 november 2007 in de gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik maak jou en je broers af. Dat weet je toch!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 29 december 2007 in de gemeente [gemeente] [verbalisant 1] (werkzaam

als brigadier van Politie Flevoland) en/of [verbalisant 2] (werkzaam als aspirant van Politie Flevoland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend op een afstand van (ongeveer) een halve meter, in ieder geval op zeer korte afstand, voor genoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] gaan staan en/of zijn (rechter)hand in de binnenzijde van zijn jas gestoken en/of gehouden (zulks alsof hij een (vuur)wapen, althans een soortgelijk voorwerp, uit zijn jaszak wilde halen of trekken) en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Kom maar op!" en/of "Ik ben niet bang voor jullie, ik pak jullie desnoods allemaal tegelijk!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Vrijspraak feit 3

In het dossier bevindt zich op pagina 17 en volgende een door, [verbalisant 1], [verbalisant 3], [verbalisant 2] en [verbalisant 4] respectievelijk brigadier, hoofdagent, aspirant en agent van politie Flevoland, district Noord, op 29 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en als originele versie aangeduid proces-verbaal van bevindingen, nummer [nummer].

Voorts bevindt zich op pagina 11 en volgende in het dossier een door hiervoor aangegeven verbalisanten opgemaakt en verder niet nader aangeduid en toegelicht proces-verbaal van bevindingen onder hetzelfde nummer en van dezelfde datum.

Deze beide op ambtseed/belofte opgemaakte processen-verbaal wijken op een essentieel onderdeel van elkaar af voor wat betreft het onder 3. ten laste gelegde feit. Het hof doelt op de omstandigheid dat in het eerstgenoemde proces-verbaal verbalisanten niet verklaren dat zij zich bedreigd hebben gevoeld door het feit dat verdachte een hand in zijn jas stak gecombineerd met hun wetenschap omtrent de mogelijkheid dat verdachte een vuurwapen bij zich zou kunnen dragen (blz. 19), terwijl in het als tweede genoemde proces-verbaal verbalisanten verklaren dat zij zich daardoor wel bedreigd voelden

(blz. 13).

Het voorgaande brengt mee dat het voor het hof niet overtuigd is van de betrouwbaarheid van één of beide processen-verbaal en dat zij derhalve niet voor het bewijs van het ten laste gelegde onder 3. kunnen worden gebezigd.

Dit brengt mee dat verdachte voor dit feit moet worden vrijgesproken nu voldoende wettig bewijs ontbreekt.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte van het onder 2. ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken omdat het slachtoffer, doordat er over en weer veelvuldig bedreigingen worden geuit, wel wist dat verdachte deze bedreiging niet serieus meende en er derhalve geen redelijke vrees bij het slachtoffer kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen.

Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat verdachte zich eerder bedreigend heeft uitgelaten tegenover het slachtoffer niets afdoet aan het bestaan van en de ernst van een bedreiging. Nu verdachte kort na of tijdens de bedreiging van het slachtoffer daadwerkelijk fysiek geweld heeft gebruikt kon er naar het oordeel van het hof door de bedreigende woorden van verdachte bij het slachtoffer redelijke vrees ontstaan dat hij het leven zou verliezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 4 november 2007 in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], heeft vastgepakt en tegen een auto aangeduwd en met gebalde vuist heeft geslagen tegen het oog, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 4 november 2007 in de gemeente [gemeente], [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak jou en je broers af. Dat weet je toch".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1. mishandeling

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van [slachtoffer]. Door de mishandeling heeft [slachtoffer] een kneuzing rond het linkeroog opgelopen.

Uit een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 mei 2009 blijkt dat verdachte reeds meerdere keren is veroordeeld ter zake van onder meer het plegen van geweldsdelicten.

Op grond van het bovenstaande kan niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof zal in het voordeel van verdachte afwijken van de door de advocaat-generaal gevorderde straf, nu het hof verdachte van het onder 3. ten laste gelegde zal vrijspreken.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 3. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vier weken;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. H. Kalsbeek, in tegenwoordigheid van H. Pool als griffier, zijnde mr. Kalsbeek voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.