Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ6939

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
08-00110
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP5535, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM.

Terugneming taxivrijstelling is terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/58.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00110

uitspraakdatum: 4 augustus 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Firma X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van Rechtbank Arnhem van 24 januari 2008, nummer AWB 06/4781, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd over het tijdvak 8 februari 2000 tot en met 7 februari 2003.

1.2. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd over het tijdvak 15 augustus 1999 tot en met 14 augustus 2002. Voorts is bij beschikking een boete opgelegd van € 2.616.

1.3. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd over het tijdvak 7 juli 1998 tot en met 28 september 2001. Voorts is bij beschikking een boete opgelegd van € 1.630.

1.4. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen en de boeten. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen gehandhaafd en de boeten verminderd.

1.5. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen inzake de naheffingsaanslagen ongegrond verklaard en de beroepen inzake de boeten gegrond verklaard en de boeten vernietigd.

1.6. Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 4 maart 2008 ter griffie ingekomen.

1.7. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.8. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.9. Ter zitting van 20 mei 2009 zijn behandeld de hogere beroepen van de Firma X (nummer 08/00110), de VOF taxi 001 (nummer 08/00111) en van de VOF Taxi 002 en 003 (nummer 08/00115). Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A, B en C namens belanghebbende en de Inspecteur. De Inspecteur heeft ter zitting het incidentele hoger beroep ingetrokken. Namens belanghebbende is ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan zijn overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1. De Rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“ Eiser heeft in de onderhavige naheffingstijdvakken een taxibedrijf geëxploiteerd. Hij beschikte hiertoe over een taxi vergunning.

Eiser heeft verzoeken gedaan tot teruggave van de BPM wegens het geheel of nagenoeg geheel gebruiken van de auto voor taxivervoer. Deze verzoeken zijn gehonoreerd.

De BPM is terugbetaald in drie termijnen, voor het kenteken CC-DD-00 op 7 juli 2000, 25 oktober 2000 en 15 februari 2001, en voor het kenteken EE FF-01 op 25 oktober 2000, 25 oktober 2000 en 1 mei 2001. Voor het kenteken

GG-HH-02 is de BPM in één keer teruggegeven op 6 juni 2001, nadat eiser had verzocht om teruggave in één keer.

Op 26 augustus 2003 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden bij eiser, waarvan op 15 september 2004 een rapport is opgemaakt.

Onderzocht is onder meer de juistheid van de verzoeken tot teruggaaf van de BPM betreffende de auto’s met de kentekens: CC-DD-00, GG-HH-02 en EE FF-01.

In het controle rapport is onder meer het volgende geconstateerd:

- van vijf chauffeurs ontbreekt de wettelijke verplichte werkmap;

- de gegevens van de taxameter zijn niet aan de controlemedewerker verstrekt (meter genuld en geen printoptie);

- niet alle rittenkaarten en rittenstaten zijn aangetroffen in de administratie;

- de wel beschikbare rittenkaarten zijn niet juist ingevuld, met name ten aanzien van de kilometerstanden, de bedragen, de namen van bestuurders en de nummers van de auto’s;

- diverse momenten waarop de auto’s zijn gesignaleerd door de Belastingdienst, zijn niet teruggevonden op de rittenkaarten;

- een kilometeradministratie ontbreekt; evenmin was het mogelijk om een aansluiting te maken tussen de wel bekende kilometerstanden en de volgens de rittenkaarten en rittenstaten verreden kilometers;

- de administratie is ondeugdelijk en materieel onbetrouwbaar en kan daardoor niet dienen als een betrouwbare grondslag voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de teruggaaf van BPM. Naar de mening van de controleurs is niet aan de voorwaarden voor teruggaaf voldaan. ”

2.2. Deze vaststelling is in hoger beroep niet betwist, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt dat de teruggave niet is gedaan naar aanleiding van een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek. Daarom acht belanghebbende naheffing van een ten onrechte teruggegeven bedrag niet mogelijk. De besluiten van de staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2000, nr. WV2000/413M, Stcrt. nr. 130, en van 27 juli 2001, nr. CPP2001/2033, Stcrt. nr. 144, maken het, in afwijking van artikel 16, tweede lid, van de Wet BPM, mogelijk de aanspraak op teruggaaf eerder te effectueren dan uit dat artikel voortvloeit. Dit doet er naar ’s Hofs oordeel niet aan af dat het verzoek om teruggaaf zijn grondslag vindt in artikel 16 van de Wet BPM. De verzoeken om teruggaven zijn aan te merken als een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek als bedoeld in artikel 20, eerste lid, tweede volzin van de AWR. Mitsdien stond het de Inspecteur vrij de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende teruggaaf na te heffen.

4.2. Belanghebbende stelt dat de onderhavige auto’s in de onderhavige tijdvakken geheel of nagenoeg geheel zijn gebruikt als taxi. Zij heeft gesteld dit te kunnen bewijzen door middel van een overzicht van gemaakte kosten. Zij stelt zich op het standpunt dat de door haar voorgestane wijze van aannemelijk maken door de Inspecteur zou moeten worden aanvaard. De Inspecteur betwist dat uit de gemaakte kosten valt af te leiden of een auto geheel of nagenoeg geheel als taxi is gebruikt. Belanghebbende heeft voor haar stelling evenwel geen bewijs bijgebracht. Naar het oordeel van het Hof heeft zij haar stelling niet aannemelijk gemaakt.

4.3. Belanghebbende stelt voorts dat de Inspecteur in 1999 haar administratie heeft gecontroleerd en aan de hand daarvan aannemelijk achtte dat de in de onderneming van belanghebbende gebruikte auto’s geheel of nagenoeg geheel als taxi werden gebruikt. De Inspecteur heeft, aldus belanghebbende, bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat haar administratie die zij op dezelfde wijze heeft ingericht als destijds zou voldoen om aannemelijk te maken dat de auto’s geheel of nagenoeg geheel als taxi werden gebruikt. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur thans eist dat zij de rittenkaarten en de werkmappen bewaart, terwijl hij voorheen accepteerde dat de vennoten die bescheiden bewaarden. De Inspecteur stelt daar tegenover dat hij bij de door belanghebbende bedoelde controle in 1999 kon beschikken over (nagenoeg) alle rittenkaarten en werkmappen. Thans zijn die niet (meer) beschikbaar. De Inspecteur betwist dat hij eist dat de rittenkaarten en werkmappen door belanghebbende worden bewaard. Wel moeten, aldus de Inspecteur, deze bescheiden bij een controle beschikbaar komen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden bij de controle in 1999 dezelfde waren als bij de huidige controle. Met name acht het Hof niet aannemelijk dat de Inspecteur destijds niet de beschikking had over (nagenoeg) alle rittenkaarten en werkmappen. Belanghebbende heeft dan ook aan de vorige controle niet het vertrouwen mogen ontlenen dat de Inspecteur bij een wijze van administreren als gebruikelijk ten tijde van de controle bereid zou zijn aan te nemen dat de auto’s geheel of nagenoeg geheel als taxi worden gebruikt, zonder dat daarvoor bewijs, bijvoorbeeld in de vorm van rittenkaarten en werkmappen, zou worden bijgebracht.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank een juiste beslissing genomen. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de wederpartij in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J. Lamens en A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 4 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.