Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ6907

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
08-00242
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN7181, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting.

Het belasten van bijgeschreven rente ter zake van aan zustervennootschap verstrekte lening is terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/1950 met annotatie van Smit
FutD 2009-1858

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00242

uitspraakdatum: 28 juli 2009

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V. te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 april 2008, nummer 07/2920, in het geding tussen belanghebbende en

en

de inspecteur van de Belastingdienst P (hierna:de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 31 januari 2007 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting (aanslagnummer 64.57.502.V.70.0112; hierna: de aanslag) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 65.650.

1.2 De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 mei 2007 de voorlopige aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 17 april 2008 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij brief van 24 mei 2008, bij het Hof binnengekomen op 27 mei 2008.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd, en waarvan door de griffier van het Hof afschriften zijn verzonden aan de wederpartij.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2009 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende A, alsmede de Inspecteur.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is opgericht op 11 december 1984. Directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende is de in Frankrijk woonachtige heer A. De heer A is tevens directeur en enig aandeelhouder van de naar Frans recht opgerichte vennootschap Enterprise Unipersonnelle à Responsabilité Limitée B (hierna: EURL).

2.2 De Inspecteur heeft voor het jaar 2007 twee voorlopige aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd. De eerste voorlopige aanslag - deze aanslag is hier in geschil - is opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 65.650. De tweede voorlopige aanslag, met dagtekening 31 augustus 2007, is opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 75.356. Belanghebbende heeft beide aanslagen betaald.

2.3 Tot de bezittingen van belanghebbende behoren een banktegoed en een aantal vorderingen op EURL.

2.4 Jaarlijks wordt bij belanghebbende, dus ook in 2007, een rentevergoeding bijgeschreven op de vordering.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de Inspecteur terecht de door belanghebbende ontvangen rentevergoedingen tot de fiscale winst heeft gerekend, welke vraag door belanghebbende ontkennend wordt beantwoord en door de Inspecteur bevestigend.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de onderhavige voorlopige aanslag.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat haar standpunt als volgt kan worden weergegeven. Het thans bestaande gebruik om een vergoeding (in de vorm van rente) te betalen indien kapitaal ter beschikking wordt gesteld heeft geen reële economische grondslag, aangezien geld op zichzelf geen waarde heeft. Het leidt tot een verbreking van een machts- of ruilevenwicht ten faveure van diegenen die over kapitaal beschikken. Het verlangen of betalen van een vergoeding (rente) voor het ter beschikking stellen van kapitaal zou om deze reden niet toegestaan moeten worden en volgens belanghebbende is dit ook niet toegestaan. Zij beroept zich daarbij op internationale verdragen, met name het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Nu het betalen van een vergoeding voor het ter beschikking stellen van kapitaal verboden is, is het volgens belanghebbende a fortiori verboden rente tot de belastbare winst te rekenen en als zodanig te belasten. Niet in geschil is dat, indien het bedingen van rente niet verboden is, de Inspecteur de door belanghebbende ontvangen rente terecht tot de winst heeft gerekend.

4.2 Het Hof laat uitdrukkelijk in het midden of een verbod op het bedingen van rente wenselijk is, zoals belanghebbende stelt. Het Hof stelt slechts vast dat in zakelijke verhoudingen bij het ter beschikking stellen van kapitaal rente wordt bedongen en dat zulks niet in strijd is met enige nationale of internationale rechtsregel. Met betrekking tot het EVRM leidt het Hof dit af uit het feit dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ook zelf partijen de verplichting oplegt rente te vergoeden over door dit Europese Hof opgelegde betalingen indien deze buiten de door dit Hof gestelde betalingstermijn worden gedaan (zie bijvoorbeeld EHRM 16 april 2002, S.A. Dangeville v. France, Application no. 36677/97, waarin het volgende werd bepaald: “(b) that from the expiry of the above-mentioned three months until settlement simple interest shall be payable on the above amounts at a rate of 4.26% per annum”).

4.3 Het hoger beroep van belanghebbende faalt.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. C.M. Ettema, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 28 juli 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.