Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ5703

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
20-08-2009
Zaaknummer
200.034.692
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbekwaamheid minderjarige, art 1:245 lid 4 BW, art 29a lid 2 Wet op de Jeugdzorg en art 1:263 lid 2 en 4 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.034.692 en 200.036.123

(zaaknummer rechtbank 101829 JE RK 09-328)

beschikking van de familiekamer van 11 augustus 2009

inzake

[verzoeker sub 1],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen "de vader",

advocaat: mr. C.W.J. de Bont,

en

[verzoeker sub 2],

thans feitelijk wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen "[het kind]",

advocaat: mr. Y. van der Horst,

en

Raad voor de Kinderbescherming, regio Gelderland,

gevestigd te Zutphen,

verweerder in hoger beroep, verder te noemen "de raad",

en

[verweerster sub 2],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen "de moeder",

advocaat: M. Broersma.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen "de stichting".

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zutphen van 23 april 2009, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

In zaak 200.034.692

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 mei 2009, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 juli 2009, heeft de raad het verzoek van de vader bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 juli 2009, heeft de moeder het verzoek van de vader bestreden. Zij heeft verzocht de bestreden beschikking, onder verwerping van de hiertegen door de vader aangevoerde grieven, te bekrachtigen.

2.4 Op 8 en 9 juli en 3 augustus 2009 zijn brieven met bijlagen ingekomen ter griffie van het hof van mr. C.W.J. de Bont.

In zaak 200.036.123

2.5 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 26 juni 2009, is [het kind] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen.

2.6 Het hof heeft op 29 juni 2009 het bureau rechtsbijstandvoorziening ambtshalve last tot toevoeging van een raadsman aan [het kind] gegeven.

2.7 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 17 juli 2009, heeft de raad het verzoek van [het kind] bestreden. De raad voert aan dat [het kind] vanwege zijn minderjarigheid niet-ontvankelijk verklaard dient te worden en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.8 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 juli 2009, heeft de moeder het verzoek van [het kind] bestreden. Zij heeft verzocht de bestreden beschikking, onder verwerping van de hiertegen door de [het kind] aangevoerde grief, te bekrachtigen

2.9 Op 28 juli 2009 is een brief met bijlage ingekomen ter griffie van het hof van mr. Y. van der Horst.

In beide zaken

2.10 De mondelinge behandeling heeft op 6 augustus 2009 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, de vader bijgestaan door mr. De Bont, advocaat te Doetinchem, en de moeder, bijgestaan door mr. Broersma, advocaat te Putten. [het kind] is niet in persoon verschenen, maar vertegenwoordigd door mr. Van der Horst, advocaat te Emmeloord. Namens de raad is [...] verschenen. Namens de stichting is [...] verschenen.

2.11 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.12 Desgevraagd hebben de raad en de stichting tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende hebben kennisgenomen van de brieven met bijlagen ingekomen bij het hof op 28 juli en 3 augustus 2009, dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemmen met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Desgevraagd heeft mr. De Bont tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen van mr. Van der Horst ingekomen bij het hof op 28 juli 2009, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Desgevraagd heeft mr. Van der Horst tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen van mr. De Bont ingekomen bij het hof op 3 augustus 2009, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die brieven met bijlagen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit het -inmiddels door echtscheiding ontbonden- huwelijk van de vader en de moeder is onder meer [het kind] geboren op [geboortedatum] 1994. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [het kind]. [het kind] heeft tot 1 november 2008 bij de moeder gewoond, en is vanaf deze datum bij de vader gaan wonen.

3.2 De stichting heeft op 15 april 2009 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen “WJZ”).

3.3 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Zutphen op 1 april 2009, heeft de raad verzocht [het kind] onder toezicht te stellen van de stichting voor de duur van één jaar en voor deze periode tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] te verlenen in een accommodatie verblijf zorgaanbieder 24-uurs.

3.4 Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter [het kind] onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van één jaar en de stichting gemachtigd [het kind] uit huis te plaatsen in een verblijfaccommodatie zorgaanbieder 24-uurs voor de duur van de ondertoezichtstelling, zolang het indicatiebesluit strekt tot uithuisplaatsing.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Allereerst dient het hof te beoordelen of [het kind] ontvankelijk is in zijn verzoek in hoger beroep. [het kind] is thans 15 jaar en staat onder gezag van zijn moeder. Ingevolge artikel 1:245 lid 4 BW heeft het ouderlijk gezag betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte. De advocaat van [het kind] heeft aangevoerd dat [het kind] als procespartij een eigen belang heeft, hetgeen ook blijkt uit de ambtshalve toevoeging van een raadsman door het hof. Voor zover met deze stelling betoogd wordt dat sprake is van een tegenstrijdig belang tussen [het kind] en de met het gezag belaste ouder, in dit geval de moeder, geldt dat het op de weg van de raadsman had gelegen een verzoek tot benoeming van een bijzonder curator ex artikel 1:250 BW te doen. Aan de ambtshalve toevoeging van een raadsman, welke toevoeging heeft plaatsgevonden nadat [het kind] een verzoekschrift in hoger beroep had ingediend, kan [het kind] geen procesbekwaamheid ontlenen. Er is geen specifieke wettelijke regeling die bepaalt dat in dit geval een minderjarige, in weerwil van artikel 1:245 lid 4 BW, bekwaam is om in rechte op te treden, zoals artikel 29a lid 2 van Wet op de Jeugdzorg, dat dat regelt in geval van een machtiging in de zin van hoofdstuk IV A van die wet (gesloten plaatsing), of artikel 1:263 lid 2 en 4 BW, dat bepaalt dat een minderjarige van twaalf jaren of ouder verzoeken als bedoeld in dat artikel kan doen. Een en ander brengt mee dat [het kind] niet-ontvankelijk is in zijn beroep.

4.2 Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.3 Op grond van artikel 1:262 lid 3 Burgerlijk Wetboek vervalt een machtiging tot uithuisplaatsing, indien deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd. [het kind] zou blijkens de brief van de stichting van 23 juli 2009 op 28 juli 2009 geplaatst worden in Jeugdhuis Harreveld. Gebleken is dat [het kind] is weggelopen bij zijn vader en de machtiging tot uithuisplaatsing tot op heden niet ten uitvoer is gelegd.

4.4 Het hof oordeelt dat, gelet op het bepaalde in artikel 1:262 lid 3 BW, de machtiging in dit geval uiterlijk op 23 juli 2009 ten uitvoer kon worden gelegd. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.3 staat vast dat [het kind] niet feitelijk binnen de drie maanden termijn, dus op 23 juli 2009, op grond van de machtiging is geplaatst in Jeugdhuis Harreveld of een andere accommodatie verblijf zorgaanbieders 24-uurs. Dat betekent dat de bij de bestreden beschikking aan de stichting verleende machtiging met ingang van 24 juli 2009 is komen te vervallen. De vader heeft dan ook geen belang meer bij beoordeling en beslissing van het hoger beroep. Het hof zal hem dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in zaak 200.036.123

verklaart [het kind] niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep;

in zaak 200.034.692

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, G.P.M. van den Dungen en G.J. Rijken, bijgestaan door I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 11 augustus 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.