Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ5401

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-08-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
200.037.148
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten jeugdzorgvoorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 13 augustus 2009

Zaaknummer 200.037.148

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellant],

thans verblijvende te [plaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat mr. J.A.C. van den Brink, kantoorhoudende te Almere,

tegen

William Schrikker Stichting,

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de WSS,

Belanghebbenden:

1. [de moeder],

wonende te Almere,

hierna te noemen: de moeder,

2. [de vader],

wonende te Almere,

hierna te noemen: de vader.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 2 juni 2009 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten jeugdzorgvoorziening van de minderjarige [appellant], geboren op 2 april 1993 te Amsterdam, met ingang van 4 juni 2009 verlengd voor de termijn van drie maanden.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 3 juli 2009, heeft [appellant] verzocht de beschikking van 2 juni 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende de nacht voor plaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 20 juli 2009, heeft de WSS het verzoek bestreden en verzocht [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde beroep, dan wel het verzoek van [appellant] af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van

10 juli 2009 met bijlagen, van mr. Van den Brink, een brief van 17 juli met bijlagen, van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) en een brief van 24 juli 2009 met bijlagen van de WSS.

Ter zitting van 30 juli 2009 is de zaak behandeld. Verschenen is [appellant], bijgestaan door zijn advocaat. Namens de WSS zijn verschenen [twee medewerkers] en namens de raad is verschenen [een medewerker]. Als belanghebbende is de vader verschenen.

De beoordeling

De feiten

1. Uit het huwelijk tussen de vader en de moeder is de thans 16-jarige [appellant] geboren. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [appellant].

2. Op 9 oktober 2008 is door de kinderrechter een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdzorg afgegeven. In het kader van die machtiging verbleef [appellant] sinds 13 oktober 2008 in J.J.I. Het Poortje, locatie Wilster.

3. Op 4 november 2008 heeft de kinderrechter [appellant] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld en een machtiging gesloten jeugdzorg afgegeven voor de duur van drie maanden. Op 3 februari 2009 is de machtiging gesloten jeugdzorg verlengd met de duur van vier maanden tot 4 juni 2009.

4. Op 13 mei 2009 is [appellant] overgeplaatst naar een gesloten LVG behandelgroep op J.J.I. Den Engh. [appellant] verblijft daar nog steeds.

5. Bij beschikking van 2 juni 2009 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten jeugdzorgvoorziening met ingang van 4 juni 2009 voor de duur van drie maanden verlengd. [appellant] heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld.

De overwegingen

6. Een machtiging tot plaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg kan op grond van artikel 29b WJZ - voor zover hier van belang - worden verleend indien de jeugdige onder toezicht is gesteld (lid 2 onder a) en de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken (lid 3).

7. Met ingang van 4 november 2008 is de ondertoezichtstelling van [appellant] met een jaar verlengd. Deze ondertoezichtstelling loopt derhalve tot 4 november 2009, zodat aan het eerstgenoemde vereiste is voldaan.

8. Naar de mening van [appellant] blijkt uit het psychologisch onderzoek van [deskundige] geen noodzaak voor plaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg. Hij stelt dat de vrees dat hij zich zal onttrekken aan de noodzakelijke zorg niet strookt met de overwegingen in het rapport die er op neerkomen dat hij zou moeten worden behandeld in een open setting. Zowel [appellant] als zijn ouders zijn ervan overtuigd dat hij zich aan zijn afspraken zal houden en niet naar zijn vrienden zal trekken en zich ten gevolge daarvan zal afkeren van zijn ouders en hulpverlening. [appellant] wijst erop dat ook zijn gedrag tijdens zijn verloven geen aanleiding hebben gegeven om dat aan te nemen. Naar de mening van [appellant] dient het voornoemde psychologisch onderzoek bepalend te zijn voor de beslissing met betrekking tot de verlenging van de uithuisplaatsing. Er is uitvoerig onderzoek verricht door een onafhankelijke deskundige en het advies is helder.

[appellant] merkt voorts op dat de gezinsvoogd en [betrokkene] weliswaar positief gestemd zijn over zijn voortgang en inzet, maar dat er opnieuw is benadrukt dat hij verder behandeld zal worden in de gesloten groep van Den Engh. Het door Den Engh opgestelde behandelplan is gericht op een behandeling van een jaar. Hoewel door de WSS is verklaard dat de behandeling ook korter kan duren, ziet het er naar uit dat [appellant] gedurende een langere tijd in een gesloten setting zal worden gehouden dan de kinderrechter voor ogen heeft gehad. De kinderrechter heeft immers de machtiging verlengd voor de duur van drie maanden in afwachting van een plek bij Groot Emaus. [appellant] is echter van mening dat hij ter overbrugging van de tijd tot plaatsing in Groot Emaus thuis kan verblijven, waarbij de nodige begeleiding zou moeten worden opgestart en zo nodig met een behandeling zou moeten worden gestart. Er zijn derhalve alternatieven voor een gesloten plaatsing, aldus [appellant].

9. Ook de vader is van mening dat de gesloten plaatsing van [appellant] beëindigd moet worden. Hij stelt dat hij en de moeder erg betrokken zijn bij [appellant] en dat zij het beste voor hem willen. Volgens de vader is de gesloten plaatsing niet meer in het belang van [appellant]. [appellant] lijdt onder de gesloten plaatsing. Hij heeft duidelijk laten zien dat hij goed kan omgaan met moeilijke situaties. Het is niet bevorderlijk voor zijn ontplooiing wanneer hij langer in een gesloten setting moet verblijven. De vader verklaart dat [appellant] bij zijn werkgever in dienst kan, zodat [appellant] aan zijn toekomst kan werken.

10. De WSS stelt dat het juist is dat [appellant] het goed doet in de gesloten instelling. Dit zegt echter niets over zijn gedrag als hij zonder groepsleiders om zich heen in een groep jongeren wordt uitgedaagd en/of beledigd. Zich in een dergelijke situatie staande kunnen houden is een van de doelen van de behandeling. [appellant] is aangemeld bij Groot Emaus en kan daarheen als hij daar klaar voor is. Op basis van de huidige feiten en ontwikkelingen heeft de behandelaar benoemd dat [appellant] zeker tot en met december 2009 gesloten moet worden behandeld en zo nodig tot en met maart 2010. De gedragsdeskundigen weerleggen het standpunt van [appellant] en de ouders dat [appellant] thuis kan wonen en een ambulante behandeling kan ondergaan. Aangezien de tussenstap van besloten behandelingen er niet meer is, worden jongeren langer gesloten behandeld, omdat de overgang naar een open behandeling vaak een hele grote stap is die goed moet worden voorbereid. De vorderingen in de behandeling zijn bepalend voor hoe lang [appellant] gesloten behandeld moet worden.

[appellant] moet uiteindelijk wel behandeld worden in een open setting, maar dit gebeurd pas als de behandelaar vindt dat [appellant] zich zoveel vaardigheden heeft aangeleerd in positieve zin, dat hij zich in een setting met minder controle kan handhaven zonder in de problemen te komen. Daarom is eerst de behandeling in een gesloten setting noodzakelijk. Er zijn drie gedragsdeskundigen die hebben verklaard dat [appellant] eerst voldoende gesloten moet worden behandeld. De WSS stelt dat deze gedragsdeskundigen dagelijks met [appellant] werken en daardoor zien wat hij nodig heeft. Ook vanuit Het Poortje is geadviseerd om geleidelijk toe te werken naar een open plaatsing.

De WSS is van mening dat er altijd contact is geweest met de vader en dat er iedere keer door de gezinsvoogd uitleg is gegeven over de te volgen stappen en de noodzaak van voorlopig een gesloten behandeling. Vader heeft niet het inzicht dat het [appellant] weer in de problemen kan brengen als hij op dit moment weer thuis gaat wonen, met onverhoopt ernstigere gevolgen dan de excessen die er waren vóór de uithuisplaatsing.

Indien de beschikking van 9 juni 2009 wordt vernietigd, gaat [appellant] eerst naar huis, omdat er voorlopig nog geen plaats is op Emaus. Een jongere aan het begin van zijn behandeling naar huis sturen is onverantwoord. Voor de veiligheid van [appellant] en - bij onverhoopte excessen - de veiligheid van anderen moet dan worden gevreesd. De WSS is van mening dat [appellant] ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [appellant] zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

11. De raad prijst de ouders voor het feit dat zij instemden met de gesloten plaatsing toen zij zagen dat het niet goed ging met [appellant]. Het is begrijpelijk dat zij [appellant] weer zo snel mogelijk thuis willen hebben. De raad merkt op dat de overweging van de kinderrechter, dat de machtiging voor de gesloten uithuisplaatsing slechts ter overbrugging van de periode tot plaatsing in een open setting is gegeven, bij [appellant] en zijn ouders het gevoel heeft gegeven dat er een bepaalde eindigheid van de gesloten plaatsing was, hetgeen nu niet het geval blijkt te zijn.

De raad stelt dat de genomen maatregelen effectief lijken te zijn. De behandeling bij Den Engh duurt in beginsel een jaar, maar kan, afhankelijk van de vorderingen van [appellant], worden verkort. De ervaring leert echter dat het erg belangrijk is om niet te snel de beslissing van beëindiging van de gesloten plaatsing te nemen, omdat daardoor de kans op terugval erg groot wordt. De raad adviseert dan ook om de gesloten plaatsing niet onmiddellijk te beëindigen.

12. Het hof acht de situatie rond [appellant] zeer zorgwekkend. Uit het dossier volgt dat er bij [appellant] sprake is van gedragsproblematiek, die in toenemende mate een verbaal en fysiek agressief karakter heeft gekregen. Zijn moeder kon hem binnen de opvoedingssituatie onvoldoende structuur bieden en [appellant] leek volstrekt stuurloos te zijn. Hij is van school verwijderd wegens incidenten als bedreiging, intimiderend gedrag en vechtpartijen. Door de vechtpartijen heeft [appellant] anderen letsel toegebracht, maar heeft hij zelf ook ernstig letsel opgelopen. [appellant] is wegens de door hem gepleegde feiten meerdere malen met justitie in aanraking gekomen. Daarvoor heeft hij twee keer een werkstraf gekregen. Een van deze werkstraffen is door [appellant] niet afgerond.

13. Uit de stukken volgt dat het binnen de structuur van het Poortje en Den Engh goed gaat met [appellant] en dat ook de verschillende verloven goed zijn verlopen. Hij laat zien dat hij erg gebaat is bij de duidelijke structuur en regelgeving binnen Den Engh. Zijn ouders zijn erg betrokken bij hem en zeggen toe alle medewerking te zullen verlenen aan de hulpverlening die noodzakelijk is wanneer [appellant] weer thuis komt. [appellant] kan dan aan het werk bij het bedrijf waar ook de vader werkzaam is.

14. Hoewel [appellant] binnen Den Engh een positieve ontwikkeling laat zien en derhalve op de goede weg is, is het hof van oordeel dat op dit moment de gesloten plaatsing nog niet kan worden beëindigd. Teneinde de positieve ontwikkeling te kunnen voortzetten heeft [appellant] verdere begeleiding, structuur en behandeling nodig. Het hof acht het risico op terugval in zijn gedragsproblematiek groot, wanneer dit ontbreekt. Door werkzaamheden te verrichten voor hetzelfde bedrijf als waarvoor de vader werkzaam is, is weliswaar in een dagbesteding voorzien, maar wanneer hier problemen ontstaan, zal [appellant] weer thuis komen te zitten. Op dit moment is de behandeling van [appellant] onvoldoende gevorderd om een dergelijke situatie te voorkomen en zich in een dergelijke situatie staande te kunnen houden. Het hof acht daarom op dit moment de beëindiging van de uithuisplaatsing te risicovol. De vrees bestaat dat [appellant] zich dan aan de noodzakelijke zorg zal onttrekken, hetgeen tot verergering van de problematiek kan leiden.

15. Het hof wordt in dit oordeel gesteund door zowel de gedragsdeskundigen van Den Engh als de gedragswetenschapper [persoonsnaam]. Anders dan de vader stelt, is deze laatstgenoemde gedragswetenschapper niet aan Den Engh verbonden en derhalve ook niet bij de behandeling van [appellant] betrokken. Het is derhalve onjuist dat de voortzetting van de gesloten behandeling alleen is geadviseerd door gedragsdeskundigen die aan Den Engh zijn verbonden. Wel onderschrijven de gedragsdeskundigen van Den Engh het standpunt van de onafhankelijke gedragswetenschapper [persoonsnaam].

16. Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten jeugdvoorziening voor de duur van drie maanden dient te worden verlengd, zodat [appellant] gedurende die periode kan laten zien dat hij de positieve ontwikkeling weet voort te zetten.

Slotsom

17. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Aldus gegeven door mrs. Melssen, voorzitter, Hermans en Garos, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 augustus 2009 in bijzijn van de griffier.