Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ5374

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
107.001.976/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inschaling CAO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0635
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 11 augustus 2009

Zaaknummer 107.001.976/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant]

wonende te [woonplaats]

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.G.J.M. Boonen, kantoorhoudende te Maastricht,

tegen

Stichting Zorggroep Raalte,

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Zorggroep,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 10 augustus 2006 en 19 april 2007 door de sector kanton, locatie Deventer van de rechtbank Zwolle-Lelystad (verder: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 13 juni 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van voormelde vonnissen met dagvaarding van Zorggroep tegen de zitting van 14 augustus 2007. Van bedoelde vonnissen is een afschrift aan dit arrest gehecht.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"de vonnissen van de Rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Deventer op 10 augustus 2006 en 19 april 2007 gewezen onder zaaknummer 298240 CV EXPL 05-3817 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van appellante volledig toe te wijzen in prima als genoemd in haar inleidende dagvaarding en met verdere beslissing zoals Uw Gerechtshof in goede Justitie van mening te behoren en met veroordeling van thans geïntimeerde in de kosten in beide instanties gerezen."

[appellant] heeft een akte tevens memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord is door Zorggroep verweer gevoerd met als conclusie:

"het Gerechtshof moge behage om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

a. te bekrachtigen het vonnis waarvan beroep;

b. [appellant] te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Onweersproken is gesteld dat [appellant] op 26 december 2007 is overleden en dat haar echtgenoot (hiervoor genoemd) als erfgenaam het geding heeft overgenomen. Het hof zal daarvan uitgaan en het dictum daarop aanpassen.

2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 1 (a tot en met g) van het tussenvonnis van 10 augustus 2006 is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan. het hof tekent daarbij het volgende aan. De onder 1 f genoemde mevrouw [persoonsnaam] (door de kantonrechter verder ook aangeduid als mevrouw [persoonsnaam]) is - naar het hof begrijpt - [betrokkene 1], namens wie het bij inleidende dagvaarding als productie 4 overgelegde bezwaarschrift is ingediend.

3. Bij bedoeld tussenvonnis van 10 augustus 2006 heeft de kantonrechter (conform de hoofdregel van bewijslastverdeling als neergelegd in artikel 150 Rv) [appellant] belast met het bewijs van haar stelling dat Zorggroep haar heeft toegezegd, althans bij haar de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt, dat zij voor wat betreft de indeling van haar functie zou worden behandeld overeenkomstig de uitkomst van de beroepsprocedure in het kader van de UFWG van haar collega mevrouw [persoonsnaam] (lees: [betrokkene 1]).

4. Ter voldoening aan die bewijsopdracht heeft [appellant] haar collega's [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] als getuige doen horen. In contra-enquête heeft Zorggroep haar voormalige personeelsadviseur [getuige 4] en haar voormalige zorgmanagers [getuige 5] en [getuige 6] als getuigen doen horen.

In het vonnis van 19 april 2007, waarvan beroep, heeft de kantonrechter onder de rechtsoverwegingen 3 en 4 samengevat weergegeven wat de getuigen hebben verklaard. Daartegen is geen grief opgeworpen zodat ook het hof van die weergave uitgaat en die hier als ingelast beschouwt.

Met betrekking tot grief III:

5. Het hof acht termen aanwezig deze grief als eerste te behandelen.

6. De kantonrechter is in het vonnis van 19 april 2007 tot het oordeel gekomen dat [appellant] er niet in is geslaagd het haar opgedragen bewijs te leveren. De motivering van dat oordeel is te vinden in overweging 5 van bedoeld vonnis. De grief richt zich tegen dat oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overweging.

7. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat [appellant] er wel in is geslaagd het haar opgedragen bewijs te leveren.

8. Het hof stelt daarbij voorop dat de getuigen hun verklaringen hebben afgelegd ruim 3,5 jaar nadat de bijeenkomst, waaromtrent zij verklaren, heeft plaatsgevonden. Tegen de achtergrond van dat gegeven kan aan het feit dat de getuigen op onderdelen tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd (wie heeft wat gezegd en in welke bewoordingen) niet de zwaarwegende betekenis worden toegekend die de kantonrechter daaraan heeft gegeven.

Vijf van de zes getuigen hebben uitdrukkelijk aangegeven aan deze bijeenkomst in februari 2003 de indruk te hebben overgehouden dat de uitkomst van de beroepsprocedure van één van de betrokken personeelsleden voor hen allemaal zou gelden. De getuigen [getuige 6] en [getuige 5] hebben verklaard dat die indruk is gebaseerd op uitspraken van [getuige 4], zulks in verband met de kosten van de procedure(s). Laatstgenoemde heeft weliswaar verklaard zich beslist niet te herinneren dat hij desgevraagd zou hebben bevestigd dat het resultaat van één beroepsprocedure ook voor de anderen zou gelden, maar hij heeft ook aangegeven dat er wel is gesproken over eventuele bijstand van de vakorganisaties, in het bijzonder voor wat betreft de kosten. Nu niet alle betrokkenen aangesloten waren bij een vakorganisatie, kan juist dat gespreksthema hebben bijgedragen aan het ontstaan van de indruk als hiervoor bedoeld. Dat de drie collega's van [appellant] [getuige 6] noemen als degene die expliciet zou hebben bevestigd dat het beroep van één van de aanwezigen op bedoelde bijeenkomst voldoende zou zijn en/of dat de uitslag van die ene beroepsprocedure ook voor de andere aanwezigen zou gelden en [getuige 6] zulks - daarin gesteund door [getuige 5] - betwist, acht het hof, mede gelet op het hiervoor bedoelde tijdsverloop, niet van doorslaggevend belang, temeer daar [getuige 6] het mogelijk acht dat zij nadien "in informele sfeer zoiets heeft gezegd." Daarbij komt ook nog dat de getuige [getuige 2] aangeeft dat hetgeen in bedoelde trant door [getuige 6] is gezegd door [getuige 5] en [getuige 4] is bevestigd.

9. Het hof is weliswaar met Zorggroep van oordeel dat de getuigenverklaringen van de drie collega's van [appellant] met de nodige omzichtigheid moeten worden gehanteerd, nu zij indirect belang (kunnen) hebben bij de uitkomst van de onderhavige procedure, doch daar staat tegenover dat [getuige 6] en [getuige 5] dat belang niet hebben. Niettemin hebben zij dezelfde indruk overgehouden aan bedoelde bijeenkomst, waar zij (samen met [getuige 4]) namens Zorggroep aanwezig waren. Het doel van de bijeenkomst was te spreken over de ontstane onvrede onder [appellant] en haar collega's voor wat betreft het resultaat van de tot dan toe gevoerde functewaarderingsprocedure.

10. Zoals Zorggroep in eerste aanleg in haar conclusie van antwoord zelf heeft aangegeven, hebben aanvankelijk naast [appellant] in totaal 13 collega's van [appellant] bezwaar gemaakt tegen de indeling in functiegroep 35. Indien bij [appellant] en de 13 collega's niet de indruk was ontstaan dat zij zouden worden behandeld overeenkomstig de uitkomst van de door collega [betrokkene 1] ingestelde beroepsprocedure, valt - gelet op de door [getuige 6] en [getuige 5] geschetste onvrede - niet goed te begrijpen waarom dan alleen [betrokkene 1] beroep heeft ingesteld.

11. Het hof passeert het verweer van Zorggroep dat [getuige 4] en/of [getuige 6] en/of [getuige 5] niet bevoegd waren toezeggingen als hier bedoeld te doen en dat [appellant] en haar collega's dat wisten, althans hadden kunnen weten omdat personeelszaken in het pakket van de algemeen directeur [naam] zat en alle belangrijke rechtspositionele besluiten altijd door hem werden genomen.

Het hof wijst in dat verband op de uitnodigingsbrief die [appellant] (en naar het hof aanneemt ook haar ontevreden collega's) voor de bijeenkomst op 24 februari 2003 heeft ontvangen en welke als productie 3 bij de dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd. In die brief wordt aangegeven dat er sprake is van een informatiebijeenkomst (mondelinge toelichting op het advies van de Interne Bezwarencommissie en op daarop gevolgde definitieve indeling in functiegroep 35) waarbij [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 4] aanwezig zouden zijn. Aan het eind van de brief wordt melding gemaakt van de mogelijkheid in beroep te gaan bij de Landelijke Beroepscommissie FWG. Bedoelde brief is ondertekend door de algemeen directeur [naam].

Gelet op inhoud van deze brief, de rol van [getuige 4] als interne FWG-deskundige en de functies die [getuige 6]/[getuige 5] toen binnen de Zorggroep vervulden, hebben [appellant] en haar collega's er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de uitlatingen waarop voormelde indruk is gebaseerd zijn gedaan namens Zorggroep (artikel 3: 35 BW).

12. De grief treft derhalve doel.

Met betrekking tot de grieven I en II:

13. Nu niet is gesteld of gebleken dat de bindende uitkomst van een door [appellant] ingesteld beroep bij de Landelijke beroepscommissie FWG anders zou zijn geweest dan in het geval van haar collega [betrokkene 1], handelt Zorggroep in strijd met goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7: 611 BW door [appellant] niet overeenkomstig de indeling van genoemde [betrokkene 1] te belonen, nu vaststaat dat beiden exact dezelfde functie vervulden, met dezelfde daaraan verbonden taken en verantwoordelijkheden..

14. De grieven treffen derhalve op die grond doel en behoeven voor het overige geen behandeling.

15. Zorgroep heeft bij memorie van antwoord de door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten betwist en gewezen op het feit dat deze niet zijn gespecificeerd. Nu [appellant] daarop niet meer heeft gereageerd, laat staan een specificatie ter zake heeft overgelegd, komen deze kosten niet voor toewijzing in aanmerking.

Slotsom

16. De vonnisen waarvan beroep zullen (mede op proceseconomische gronden) geheel worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal het hof de vorderingen van [appellant] alsnog toewijzen, als na te melden, met dien verstande dat de onder 1 gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen nu niet is gesteld of gebleken dat [appellant] daarbij een in rechte te respecteren belang heeft. Zorggroep zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. In hoger beroep wordt het salaris van de advocaat begroot op 1 punt tarief II). Nu de te lage inschaling bij brief van 5 februari 2003 aan [appellant] is medegedeeld is Zorggroep de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de voorliggende periode eerst verschuldigd geworden op de eerste van de volgende maand, oftewel 1 maart 2003.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de vonnissen d.d. 10 augustus 2006 en d.d. 19 april 2007;

en opnieuw rechtdoende:

gebiedt Zorggroep de functie van [appellant] met terugwerkende kracht tot 1 juli 2001 in te schalen in functiegroep 40 (anciënniteit 8, inpassingsnummer 20);

veroordeelt Zorggroep tot betaling aan de erfgenamen van [appellant] van het verschil tussen het loon op basis van functieschaal 40 anciënniteit 8, inpassingsnummer 20, en het feitelijk aan [appellant] betaalde loon, vanaf 1 juli 2001 tot de dag waarop het dienstverband ten einde is gekomen,

- het achterstallige salaris over de periode van 1 juli 2001 tot 1 maart 2003 te vermeerderen met een wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 25 % en met de wettelijke rente over het achterstallige salaris en de wettelijke verhoging

- het achterstallige salaris vanaf 1 maart 2003 te vermeerderen met een wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 25 % en met de wettelijke rente over het achterstallige salaris en de daarover verschuldigde wettelijke verhoging telkens vanaf de dag waarop Zorggroep met loonbetaling in verzuim raakte;

veroordeelt Zorggroep in de kosten van de procedure en begroot die aan de zijde van de erfgenamen van [appellant] in eerste aanleg op € 227,93 aan verschotten en verschotten en op € 1.200,-- aan salaris gemachtigde en in hoger beroep op € 335,32 aan verschotten en op € 894,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Zuidema en Fikkers, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 11 augustus 2009 in bijzijn van de griffier.