Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ4706

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-08-2009
Datum publicatie
06-08-2009
Zaaknummer
21-002942-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof te Arnhem heeft op 6 augustus 2009 een man die beloofde bij mensen een dakkapel en/of kunststof kozijnen te zullen komen plaatsen, welke mensen naar aanleiding van een offerte ook al een voorschot aan de man hadden betaald, vrijgesproken van oplichting en verduistering. In deze zaak manifesteert zich het verschil tussen het strafrecht en het civiele recht. Daar waar in de volksmond al gauw over “oplichting” wordt gesproken op een moment dat iemand, na ontvangst van een voorschot, zijn afspraken niet nakomt – in dit geval de afspraak tot het plaatsen van dakkapellen –, ligt dat strafrechtelijk gezien een stuk genuanceerder en ingewikkelder. Gevallen die men geregeld als oplichting betitelt, zijn strikt genomen veeleer te beschouwen als gevallen van civielrechtelijke wanprestatie (als bedoeld in artikel 6:74 e.v. van het Burgerlijk Wetboek).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002942-08

Uitspraak d.d.: 6 augustus 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Almelo van 14 juli 2008 in de strafzaak tegen

verdachte,

geboren te (…),

wonende te (…).

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 juli 2009 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr E.D. Breuning ten Cate, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging in eerste aanleg tenlastegelegd dat:

Primair:

hij in of omstreeks de periode van 2 september 2006 tot en met 13 september 2007,

in de gemeente Hellendoorn, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, nagenoemde perso(o)n(en) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen als bij die perso(o)n(en) vermeldt, in

elk geval van enig goed, te weten

- (aangever 1), 4.186,80 euro, en/of

- (benadeelde partij 1), 2.920,00 euro, en/of

- (benadeelde partij 2), 2.400,00 euro, althans 1.400,00 euro en/of

- (benadeelde partij 3), 1.144,00 euro, en/of

- (aangever 2), 1.580 euro, en/of

- (benadeelde partij 4), 1.240,00 euro,

hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of

in strijd met de waarheid:

- zich tegenover vermelde perso(o)n(en) voorgedaan als betrouwbare ondernemer

en/of

- vermelde perso(o)n(en) beloofd/voorgehouden snel te kunnen leveren en/of

- op verzoek van voormelde perso(o)n(en) een offerte opgemaakt voor het

leveren en/of (vervolgens) monteren van een dakkapel en/of (kunststof) kozijnen

en/of voor het uitvoeren van bouwwerkzaamheden en/of daarbij als voorwaarde heeft gesteld dat (voormeld(e)) bedrag(en) diende(n) te worden overgemaakt en/of betaald alvorens met die werkzaamheden zou worden begonnen, waardoor voornoemde perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte, terwijl hij verdachte vervolgens niet (binnen de afgesproken en/of (een) redelijk termijn) is overgegaan tot het monteren/plaatsen van een dakkapel en/of (een) kozijn(en) en/of/althans het (geheel) uitvoeren van de (overeengekomen) werkzaamheden;

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 september 2006

tot en met 13 september 2007, in de gemeente Hellendoorn, in elk geval in Nederland,

(telkens) opzettelijk (een) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan nagenoemde perso(o)n(en),

- (aangever 1), 4.186,80 euro, en/of

- (benadeelde partij 1), 2.920,00 euro, en/of

- (benadeelde partij 2), 2.400,00 euro, althans 1.400,00 euro en/of

- (benadeelde partij 3), 1.144,00 euro, en/of

- (aangever 2), 1.580 euro, en/of

- (benadeelde partij 4), 1.240,00 euro,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e)

geldbedrag(en) verdachte als aanbetaling voor door hem uit te voeren

werkzaamheden van voormelde perso(o)n(en) had ontvangen en aldus, en in elk

geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel, dat het zich voordoen als “betrouwbare ondernemer” niet kan gelden als een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Vgl. Hoge Raad 14 mei 1991, NJ 1991, 750). Een ondernemer was verdachte wel, zij het, dat de eenmanszaak op naam van zijn echtgenote stond. Verdachtes betrouwbaarheid roept wellicht vragen op, maar dat wil niet zeggen dat het aannemen van een valse hoedanigheid in deze zaak bewezen kan worden verklaard.

Van gebruik van een valse naam is niet gebleken.

Voor zover de steller van de tenlastelegging bedoeld heeft de listige kunstgrepen en het samenweefsels van verdichtsels nader te omschrijven met de stelling, dat verdachte bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid beloofde snel te kunnen leveren, en offertes maakte, kan zulks evenmin leiden tot een veroordeling wegens oplichting, omdat noch die belofte noch de offerte het karakter van list of bedrog in zich draagt.

Van het primair tenlastegelegde – de oplichting – zal het hof dus vrijspreken.

Het subsidiair tenlastegelegde kan evenmin bewezen worden verklaard. De genoemde gedupeerden hebben geld aan verdachte betaald en daarvoor niets gekregen. Dat is te betreuren, maar het hof kan niet bewezen verklaren dat verdachte zich die gelden heeft toegeëigend. Die geldbedragen zijn immers bij de storting (of betaling in contanten) overgedragen in eigendom aan de wederpartij – verdachte –, zodat zij niet meer voor toe-eigening vatbaar waren. Anders gezegd: weigeren terug te betalen, is niet hetzelfde als zich toe-eigenen.

Het hof zal dus ook van het subsidiair tenlastegelegde – de verduistering – vrijspreken.

Ten overvloede overweegt het hof het volgende. In deze zaak manifesteert zich het verschil tussen het strafrecht en het civiele recht. Daar waar in de volksmond al gauw over “oplichting” wordt gesproken op een moment dat iemand, na ontvangst van een voorschot, zijn afspraken niet nakomt – in dit geval de afspraak tot het plaatsen van dakkapellen –, ligt dat strafrechtelijk gezien een stuk genuanceerder en ingewikkelder. Gevallen die men geregeld als oplichting betitelt, zijn strikt genomen veeleer te beschouwen als gevallen van civielrechtelijke wanprestatie (als bedoeld in artikel 6:74 e.v. van het Burgerlijk Wetboek). Dat lijkt in deze zaak ook het geval te zijn.

De vordering van de benadeelde partij 1

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 2920,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen. Dat laat onverlet dat nog getracht kan worden om de vordering bij de burgerlijke rechter aan te brengen.

De vordering van de benadeelde partij 2

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 2494,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen. Dat laat onverlet dat nog getracht kan worden om de vordering bij de burgerlijke rechter aan te brengen.

De vordering van de benadeelde partij 3

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 1215,59. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen. Dat laat onverlet dat nog getracht kan worden om de vordering bij de burgerlijke rechter aan te brengen.

De vordering van de benadeelde partij 4

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 1240,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen. Dat laat onverlet dat nog getracht kan worden om de vordering bij de burgerlijke rechter aan te brengen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij 1 in haar vordering niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij 2 in haar vordering niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij 3 in haar vordering niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij 4 in haar vordering niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr H.Y. Buyne, voorzitter,

mr J.M.J. Denie en mr W.R. Rosingh, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr M.J. Ouweneel, griffier,

en op 6 augustus 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.