Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ4365

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
03-08-2009
Zaaknummer
200.015.439/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opdracht aan advocaat in eigen naam of in naam van belangengroep verstrekt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 28 juli 2009

Zaaknummer 200.015.439/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. B.J. Schadd, kantoorhoudende te Velp,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.M.G. Wesseling, kantoorhoudende te Raalte.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 9 april 2008 en 30 juli 2008 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 17 september 2008 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 30 juli 2008 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 21 oktober 2008.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"(...) het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 30 juli 2008 te vernietigen en opnieuw rechtdoend, [geïntimeerde] alsnog te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen:

1. in hoofdsom € 6.855,99;

2. de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over € 975,99 vanaf 25 september 2007 tot aan de datum der algehele voldoening;

3. de rente ex artikel 6:119a BW vanaf 16 oktober 2007 over € 2.094,32;

4. de rente ex artikel 6:119a BW vanaf 15 november 2007 over € 3.785,68;

5. de buitengerechtelijke incassokosten € 768,--;

Met zijn veroordeling in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"(...) bevestigen het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 30 juli 2008 onder rolnummer 140802 HA ZA 08-61 tussen partijen gewezen, zonodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden, zulks met veroordeling van appellant in de kosten van het Hoger Beroep."

Ten slotte heeft [appellant] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in totaal elf grieven opgeworpen, waarvan de laatste grieven abusievelijk als volgt zijn genummerd: VIII, X, XI, XI.

De beoordeling

1. Omtrent de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 t/m 2.11) van genoemd vonnis d.d. 30 juli 2008 bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1. [geïntimeerde] is makelaar/taxateur onroerend goed. Hij is als kopersbegeleider werkzaam geweest voor Reynders & Sultan B.V., welke vennootschap heeft opgetreden als verkoopbemiddelaar in Nederland ter zake van een onroerend goed project te Turkije (Park Kizkalesi).

2.2. Nadat de voortgang/realisatie van dat project stokte, heeft zich een belangengroep van gedupeerde kopers gevormd (hierna: de belangengroep). Deze groep heeft [geïntimeerde] aangetrokken om hen als adviseur bij te staan. Als (beoogd) 'bestuur' van de belangengroep traden op de heren [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4].

2.3. In een vergadering van de belangengroep van augustus 2007 is geconcludeerd dat er behoefte bestond aan (aanvullend) juridisch advies. Op advies van derden is door [geïntimeerde] contact gelegd met [appellant].

2.4. Op 29 augustus 2007 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen enerzijds [appellant] en anderzijds [geïntimeerde] en [betrokkene 1] voornoemd.

2.5. Op 30 augustus 2007 heeft [appellant] een e-mailbericht aan [geïntimeerde] verzonden, onder gelijktijdige verzending van een kopie daarvan aan [betrokkene 1], met onder meer de volgende inhoud:

"Mijne heren,

Hierbij bevestig ik de inhoud van ons gesprek te mijner kantore d.d. 29 augustus jl. Het doet mij genoegen dat u [appellant] Advocaten om rechtsbijstand heeft verzocht. Vanzelfsprekend doe ik al hetgeen in mijn vermogen ligt om uw belangen optimaal te behartigen (...)

Gelieve mij een kopie van uw identiteitsgegevens te doen toekomen, dit i.v.m. de WID (Wet Identificatie bij Dienstverlening) (...)"

2.6. [appellant] heeft aan [geïntimeerde] een voorschotnota gezonden ten bedrage van € 3.570,00 incl. BTW. Dit bedrag is op 6 september 2007 aan [appellant] voldaan door een stichting waarbij [geïntimeerde] betrokken is.

2.7. Bij facturen van 10 september 2007, 2 oktober 2007 en 1 november 2007 heeft [appellant] in totaal een bedrag van € 6.855,99 in rekening gebracht. Bedoelde facturen zijn aan [geïntimeerde] gericht, waartegen van de zijde van [geïntimeerde] niet is geprotesteerd.

2.8. Naar aanleiding van het uitblijven van betaling van vorenbedoelde facturen heeft [appellant] bij e-mailbericht van 23 november 2007 aan [geïntimeerde] meegedeeld:

"Op 29 augustus jl. heeft u mij opdracht gegeven de belangen te behartigen van een groep personen die betrokken zijn bij de niet-nakoming van de koopovereenkomst terzake registergoederen in Turkije (...) Mij bereikt thans het bericht dat 'er geen geld is en dus niet betaald gaat worden'. (...) U zult begrijpen dat dit onacceptabel is. Ik verzoek u dan ook ervoor zorg te dragen dat het openstaande bedrag (...) binnen 5 dagen zal zijn voldaan, bij gebreke waarvan u mij noodzaakt mij te beraden op rechtsmaatregelen (...)"

2.9. Bij e-mailbericht van 28 november 2007 heeft [appellant] onder het volgende aan [geïntimeerde] geschreven:

"Gisteren heeft u (...) gezegd dat mijn vorderingen op u worden erkend, echter dat er geen baten aanwezig zijn het bedrag van € 6.855,99 te voldoen. U maakt geen deel meer uit van het bestuur en heeft de vordering onder de aandacht van het bestuur gebracht, die hierover tijdens de eerstvolgende bijeenkomst (...) zou beslissen. Mij reactie hierop is als volgt: Het bestuur vertegenwoordigt geen rechtspersoon zodat ik mij tot u wend en u als mijn debiteur aanmerk, daar u de opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de verleende diensten. Hoe u dit onderling oplost is een aangelegenheid die mij niet regardeert. U heeft mij opdracht gegeven, dus u bent ook degene die naar mij thans dient te presteren. (...)"

3. Kern van het geschil tussen partijen betreft de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] bij de aan [appellant] gegeven opdracht, strekkende tot het verrichten van juridische dienstverlening ten behoeve van de belangengroep, is opgetreden in eigen naam, zoals [appellant] stelt, dan wel in naam van die groep, zoals [geïntimeerde] stelt.

4. Daarbij heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.1.2 terecht vooropgesteld, hetgeen in hoger beroep ook onbestreden is gebleven, dat het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam - dat wil zeggen: als wederpartij van die ander - is opgetreden dan wel als vertegenwoordiger van een derde, volgens vaste rechtspraak sinds HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 (Stolte/Schiphoff) afhankelijk is van wat hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en mochten afleiden.

5. De rechtbank heeft bij vorenbedoelde uitleg terecht als uitgangspunt gehanteerd dat een ieder wordt geacht voor zichzelf te handelen, tenzij degene die handelt aangeeft niet voor zichzelf maar voor een ander te handelen. Wordt dat laatste door de wederpartij betwist, dan rust op de handelende partij de stelplicht en zonodig de bewijslast van voormelde wederzijdse gedragingen en verklaringen die tot een ander oordeel moeten leiden.

6. De rechtbank heeft in het licht van de in rechtsoverweging 4.3 sub a t/m h van het bestreden vonnis genoemde feiten en omstandigheden geoordeeld dat [geïntimeerde] voldoende aan [appellant] kenbaar heeft gemaakt dat hij niet in eigen naam ofwel als [appellant]' contractuele wederpartij de opdracht tot juridische dienstverlening verstrekte, en dat [appellant] daardoor had kunnen en moeten begrijpen dat [geïntimeerde] slechts optrad namens de belangengroep, wat op grond van de bespreking van 29 augustus 2007 al kenbaar was. Voor [geïntimeerde]s hoedanigheid en [appellant]' begrip daarvan kan volgens de rechtbank in de in rechtsoverweging 4.3 sub i t/m k weergegeven feiten en omstandigheden een (verdere) bevestiging worden gevonden (zie rechtsoverweging 4.4 van het bestreden vonnis).

7. Grief XI (1e) is gericht tegen het hiervoor onder 6 weergegeven oordeel van de rechtbank.

8. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

8.1. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de in rechtsoverweging 4.3 sub a t/m h van het bestreden vonnis genoemde feiten en omstandigheden ontoereikend zijn om te kunnen concluderen dat [geïntimeerde] als gevolmachtigde heeft gehandeld. Deze feiten en omstandigheden komen er in essentie op neer dat het aan [appellant] kenbaar was dat [geïntimeerde] optrad ten behoeve van en voor rekening van de belangengroep. Naar het oordeel van het hof maakt dit echter nog niet dat [appellant] moest begrijpen dat [geïntimeerde] opdracht gaf in naam van de belangengroep.

8.2. In het licht hiervan is het hof van oordeel dat het feit dat [geïntimeerde] tijdens de eerste bespreking op 29 augustus 2007 tegen [appellant] heeft gezegd dat de facturen naar hem toe mochten, veeleer een ondersteuning vormt voor het standpunt van [appellant] dat hij redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat [geïntimeerde] zichzelf als contractspartij wilde binden.

8.3. Ook de opdrachtbevestiging d.d. 30 augustus 2007, waarin [appellant] [geïntimeerde] verzoekt om hem een kopie van zijn identiteitsbewijs te doen toekomen, vormt naar het oordeel van het hof een aanwijzing voor de juistheid van het standpunt van [appellant]. [geïntimeerde] stelt in dit verband nog dat hij niet aan dit verzoek heeft voldaan omdat hij zichzelf niet als opdrachtgever beschouwde (memorie van antwoord sub 12). Hieruit leidt het hof af dat [geïntimeerde] begreep dat [appellant] ervan uitging dat hij ([geïntimeerde]) wél voor zichzelf handelde. Nu [geïntimeerde] hierop niet heeft gereageerd met de mededeling dat dit onjuist was, hetgeen voor de hand zou hebben gelegen, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof redelijkerwijs mogen begrijpen dat die veronderstelling juist was.

9. Grief XI (1e) slaagt derhalve.

10. Het onder 5 overwogene brengt mee dat het op de weg van [geïntimeerde] ligt om nadere feiten en omstandigheden te stellen, en zonodig te bewijzen, ter onderbouwing van zijn stelling dat hij bij het verlenen van de opdracht is opgetreden als gevolmachtigde van de belangengroep.

11. De stelling van [geïntimeerde] dat hij tijdens de eerste bespreking aan [appellant] kopieën van alle volmachten, koopaktes e.d., alsmede een ledenlijst van de belangengroep heeft overgelegd (memorie van antwoord sub 10 en 20), acht het hof in dit verband ontoereikend, nu in het door [geïntimeerde] als "volmacht" aangeduide geschrift feitelijk wordt gesproken over een "machtiging om handelingen te verrichten en belangen te behartigen", zonder dat gewag wordt gemaakt van het aangaan van rechtshandelingen en in naam van de belangengroep ondertekenen. Derhalve valt zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, niet in te zien dat [appellant] uit het overleggen van de "volmachten" had dienen af te leiden dat [geïntimeerde] de opdracht in naam van alle individuele "leden" van de belangengroep verstrekte.

12. De stukken waarop [geïntimeerde] zich in de memorie van antwoord sub 6 en 7 beroept, vormen in het licht van het vorenoverwogene geen deugdelijke onderbouwing van zijn stelling dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs uit de verklaringen en gedragingen van [geïntimeerde] heeft moeten afleiden dat deze de opdracht verleende in naam van de belangengroep.

13. Het hof is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, zodat het hof niet toekomt aan zijn - overigens niet gespecificeerde - bewijsaanbod.

14. De vordering van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 6.855,99 in hoofdsom is dan ook toewijsbaar. Tegen de door [appellant] gevorderde wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten ad € 768,- heeft [geïntimeerde] geen afzonderlijk verweer gevoerd. Het hof acht ook deze posten toewijsbaar.

15. Bij een verdere, afzonderlijke bespreking van de grieven heeft [appellant], gelet op de uitkomst van de procedure, geen belang.

De slotsom

16. Het vonnis d.d. 30 juli 2008 waarvan beroep dient te worden vernietigd. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van € 7.623,99 (€ 6.855,99 + € 768,-), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW als in het dictum omschreven.

17. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties (eerste aanleg: 2 punten in tarief I; hoger beroep: 1 punt in tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis d.d. 30 juli 2008 waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van € 7.623,99, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW over € 975,99 vanaf 25 september 2007, over € 2.094,32 vanaf 16 oktober 2007 en over € 3.785,68 vanaf 15 november 2007, steeds tot aan dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

in eerste aanleg op € 388,44 aan verschotten en € 768,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

in hoger beroep op € 491,44 aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Tjallema, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 28 juli 2009, in het bijzijn van de griffier.