Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ4354

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
17-08-2009
Zaaknummer
200.012.113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

- Arbeidsrecht

- art 7: 658 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2009/138
AR-Updates.nl 2009-0636
VR 2010, 47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.012.113

(zaaknummer rechtbank 424775 CV EXPL 06-178\127)

arrest van de vijfde civiele kamer van 9 juni 2009

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. R.J. Borghans,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

11 oktober 2006, 16 mei 2007 en 28 november 2007 die de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel) tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 26 februari 2008 [geïntimeerde] aangezegd van die vonnissen van 11 oktober 2006, 16 mei 2007 en 28 november 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht en bewijs aangeboden. Zij heeft gevorderd dat het hof de vonnissen van 11 oktober 2006, 16 mei 2007 en 28 november 2007 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, voor zoveel mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de vordering van [geïntimeerde] (alsnog) zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, het bestreden tussen- en eindvonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep en de beslagkosten.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. In het door [geïntimeerde] gefourneerde dossier ontbreekt pagina 4 van de memorie van grieven en in het door [appellant] gefourneerde dossier ontbreken de pagina’s 4 en 7 van de inleidende dagvaarding en de pagina’s 2, 3 en 4 van de memorie van antwoord.

3. De grieven

[appellant] heeft de volgende grieven aangevoerd. Het hof zal daarbij voor “rechtbank” steeds lezen: kantonrechter.

Grief 1

Ten onrechte heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 16 mei 2007 overwogen en in het eindvonnis van 28 november 2007 beslist, dat [appellant] op het moment van het ongeval onvoldoende maatregelen had genomen om redelijkerwijs te voorkomen dat haar werknemers, onder wie [geïntimeerde], bij het schoonmaken van de granulaatmolen schade zouden leiden en dat zij niet mocht afgaan op de door haar wel getroffen maatregelen. Even ten onrechte komt de kantonrechter tot die conclusie op grond van de na het ongeval aangebrachte veiligheidsschakelaars en geeft de kantonrechter ten onrechte aan [appellant] de bewijsopdracht om aan te tonen dat er redenen waren waarom zij voorafgaand aan het ongeval de betreffende veiligheidsmaatregelen niet had genomen.

Grief II

Ten onrechte heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 16 mei 2007 overwogen en in het eindvonnis van 28 november 2007 beslist dat, hoewel [geïntimeerde] niet bij voortduring hoefde te worden gewezen op veiligheidsrisico's die hij kende, een en ander niet wegnam dat [appellant] er rekening mee moest houden dat hij niet bij voortduring alle instructies volledig zou naleven. Even ten onrechte komt de kantonrechter tot de conclusie dat [appellant] niet heeft voldaan aan haar verplichting om [geïntimeerde] afdoende te instrueren omtrent de gevaren van het schoonmaken van het betreffende apparaat en heeft zij [appellant] ten onrechte daartoe een bewijsopdracht gegeven.

Grief III

Gezien het voorgaande is in het tussenvonnis van 16 mei 2007 ten onrechte aan [appellant] als bewijsopdracht gegeven dat zij bewijs moest leveren van feiten en omstandigheden waaruit voortvloeit dat van haar in redelijkheid niet kon worden gevergd dat zij de desbetreffende maatregelen nam voordat het ongeval [geïntimeerde] overkwam en dat zij moest bewijzen dat in aanwezigheid van [geïntimeerde], bijvoorbeeld in bijeenkomsten met ploegleiders, de specifieke risico's van het schoonmaken van granulaatmolens met enige regelmaat, bijvoorbeeld in het kader van Arbobesprekingen, aan de orde werd gesteld.

Grief IV

Ten onrechte is in het eindvonnis van 28 november 2007 door de kantonrechter overwogen dat, omdat [appellant] geen bewijs heeft bijgebracht met betrekking tot de genoemde bewijsthema's, het wat [appellant] te bewijzen is opgedragen niet voor juist kan worden gehouden en heeft de kantonrechter daarop ten onrechte voor recht verklaard dat [appellant] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het bedrijfsongeval op 8 november 2004 tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [appellant]. Even ten onrechte is [appellant] veroordeeld tot vergoeding van de geleden en nog te lijden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en bij staat te vereffenen volgens de wet, alsmede ten onrechte veroodeeld tot betaling van € 7.000,- als voorschot op de door [geïntimeerde] geleden en te lijden schade. Even ten onrechte is [appellant] in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten veroordeeld.

4. De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de kantonrechter vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

4.1 [appellant] exploiteert een onderneming met als in het handelsregister opgenomen doelomschrijving “Fabricage en verkoop van verpakkingen en plastic producten”. Daarbij maakt [appellant] gebruik van granulaatmolens. [appellant] beschikt al lange tijd over door de vennootschap naar Engels recht John Brown Plastics Machinery (UK) Limited, fabrikant van die granulaatmolens, opgestelde “Safety Instructions”. Daarin is vermeld:

“NEVER OPEN OR REMOVE ANY MACHINE COMPONENTS, WHICH ARE SECURED BY WRENCH-TYPE FASTENERS, UNLESS THE MOTOR IS ELECTRICALLY LOCKED OUT AND THE ROTOR IS COMPLETELY MOTIONLESS.”

4.2 Partijen hebben een arbeidsovereenkomst gesloten waarbij [geïntimeerde], geboren op

[geboortedatum], zich verbond om in de functie van productiemedewerker met ingang van

1 juni 1997 in dienst van [appellant] tegen loon arbeid te verrichten. Het daarvan op schrift gestelde arbeidscontract werd op 2 juni 1997 door partijen ondertekend.

Dat arbeidscontract bepaalt in artikel 10: “De werknemer verklaart (…) een exemplaar van het bedrijfsreglement te hebben ontvangen”. Dat bedrijfsreglement bepaalde aanvankelijk in artikel 3 lid 2: “De werknemer is mede-aansprakelijk voor de orde, de veiligheid en de zedelijkheid in het bedrijf van de werkgever en gehouden tot naleving van de desbetreffende voorschriften, door of namens de werkgever” en met ingang van 1 januari 1999 in

artikel 3 lid 4: “De medewerker is mede verantwoordelijk voor de (…) veiligheid (…) in het bedrijf van de werkgever, en gehouden tot naleving van de (…) aanwijzingen en voorschriften door of namens de werkgever gegeven”.

4.3 In opdracht van [appellant] heeft ArboNed Gelderland een Risico-inventarisatie en -evaluatie uitgevoerd. Het daarvan opgemaakte, in september 2001 uitgebrachte, rapport vermeldt:

“Er wordt geen voorlichting gegeven over het Arbobeleid en de aanwezige risicofactoren in het werk. (...)

De medewerk[appellant] B.V. die de arbeidsmiddelen gebruiken en/of onderhouden zijn niet aantoonbaar deskundig.(...)

4.6.4 Veiligheid van arbeidsmiddelen (draaiende/bewegende delen, noodstoppen)

Tijdens de rondgang (...) zijn de volgende knelpunten geconstateerd:

- de twee slijpmachines in de ruimte van de TD zijn niet voorzien van een afschermplaatje en de afstand tussen leunspaan en slijpschijf is groter dan 3 mm;

- de haak van de handtakel in de ruimte van de TD is niet voorzien van een veiligheidspal.

Noodstoppen zijn op de machines aanwezig en worden regelmatig gecontroleerd op een juiste werking (…).”

Het door ArboNed Gelderland van de Risico-inventarisatie en -evaluatie opgemaakte, in november 2001 uitgebrachte, rapport vermeldt:

“(…) Op grond van de resultaten en evaluatie wordt het volgende geconcludeerd:

De activiteiten met het hoogste risico's voornamelijk bestaan uit knelpunten met:

(...) Knelgevaar (...) Naar binnen trekken (...) Valgevaar (...)

Veel van de knelpunten zijn tevens van toepassing op de andere productielijnen (...)

Werkinstructies ontbreken bij nagenoeg alle machines. (...)

Het volgende wordt aanbevolen: Stel een plan van aanpak op waarin naast de probleemeigenaren ook de termijn waarin een maatregel moet worden uitgevoerd is opgenomen. (…)”

4.4 Toen [geïntimeerde] op 8 november 2004 aan het werk was, is hem bij het schoonmaken van een granulaatmolen een ongeval overkomen. Daarbij is [geïntimeerde] met zijn beide handen bekneld geraakt in de bewegende delen van de granulaatmolen, werden aan zijn rechterhand de ringvinger en de middelvinger geamputeerd en werden aan zijn linkerhand alle vier de vingers geamputeerd. De geamputeerde vingers zijn nadien opnieuw aangezet.

4.5 De Arbeidsinspectie maakte naar aanleiding van het ongeval van 8 november 2004 een Ongevallenboeterapport op. Dat op 25 januari 2005 gedateerde boeterapport vermeldt:

- als waarnemingen:

“Op 9 november 2004 (...) werd mij de granulaatmolen getoond waarmee het arbeidsongeval heeft plaatsgevonden. Deze granulaatmolen stond in een kelder en vormde met een blaasmachine, opgesteld op de begane grond, productielijn nr. 7.

Granulaatmolen: Hiermee wordt afvalmateriaal dat vrijkomt tijdens het productieproces, vermalen tot kleine korrels. Deze worden vervolgens weer bij de grondstoffen toegevoegd.

Blaasmachine: Hiermee worden met behulp van extrusie-blaastechniek producten gefabriceerd, zoals jerrycans, luchtkanalen stortkokers enz. (...)

Ik zag dat de granulaatmolen waarmee het arbeidsongeval had plaatsgevonden in bedrijf was. (...) Ik las op de granulaatmolen de volgende gegevens: John Brown Plastics Machinery, Cumberland Granulator, model 584, serie nr. 335600-8755. Ik zag op de granulaatmolen geen bouwjaar staan. Ten behoeve van de aansturing van de granulaatmolen was op de muur een schakelkast aangebracht. (...)

Van een soort gelijke granulaatmolen, die buiten bedrijf was, zag ik dat de frontplaat verwijderd was. (...) Ik zag dat de granulaatmolen bestond uit een rotor waarop drie messen waren aangebracht. De rotor werd aangedreven door een elektromotor. De messen draaiden dan met zeer weinig ruimte over de zeef. Het materiaal werd door de messen klein gesneden waarna het granulaat door de zeef viel. (...)

Op 30 november 2004 (...) zag ik dat de productielijn nr. 7 en ook de granulaatmolen buiten bedrijf was. (...) Ik zag dat de granulaatmolen op twee plaatsen kon worden ingeschakeld en wel:

1) op de begane grond bij de productielijn (...)

2) in de kelder via de schakelkast (...)

Met de knoppen op de schakelkast controleerde ik het mogelijke uitlopen van de granulaatmolen wanneer deze wordt uitgezet. Hiervoor werd de grondplaat van de bewuste granulaatmolen verwijderd. De zeef zit hiervoor en is vastgezet doormiddel van een constructie met moeren. (...) Bij de geopende granulaatmolen via de gaten in de zeef constateerde ik het volgende:

a) hoofdschakelaar “IN”, drukknop “AAN” vervolgens drukknop “Uit”, duurde het ongeveer 10 minuten voordat de granulaatmolen tot stilstand kwam.

b) drukknop “UIT” en hoofdschakelaar van stand “IN” naar “UIT”, duurde dit ongeveer 3 minuten.”

- als bevindingen:

“Op maandag 8 november 2004, omstreeks 16.30 uur, vond in de onderneming (...) een arbeidsongeval plaats. De getroffene was [geïntimeerde] (...). Deze had tijdens het schoonmaken van een granulaatmolen zijn beide handen bekneld en liep hierbij ernstig blijvend letsel op. (...)

Het slachtoffer had van zijn ploegleider,[A], de opdracht gekregen de granulaatmolen en de breker schoon te maken. Deze arbeidsmiddelen behoren tot de productielijn nr. 7. Van deze lijn moest van de blaasmachine een matrijs verwisseld worden. De granulaatmolens en blaasmachines hebben hun eigen aansturing. De blaasmachine van lijn nr. 7 stond uitgeschakeld. Het schoonmaken van de granulaatmolens, behoorde tot de taak van het slachtoffer en werd frequent door hem uitgevoerd. (+ 2 keer per dienst) De granulaatmachines waren in een kelder geplaatst onder de productielijnen. Tijdens het schoonmaken van de granulaatmolen, van productielijn nr. 7, was het slachtoffer alleen in de kelder aanwezig. Er waren geen getuigen die het arbeidsongeval zagen gebeuren.

In de veiligheiddsinstructies van de fabrikant (...) stond vermeld de waarschuwing: “Do not operate or service your granulator until you read these safety rules.” (...)

In de risico-inventarisatie- en evaluatie, opgesteld door de Arbodienst (...) wordt de opmerking gemaakt: “Er wordt geen voorlichting gegeven over het Arbobeleid en de aanwezige risicofactoren in het werk” (...) Verder wordt (...) aangegeven dat er speciale procedures aanwezig moeten zijn voor onderhoud-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden.

In het plan van Aanpak (...) opgesteld door de werkgever, is geen gereedmelding hiervan gemaakt. (...)

Volgens het slachtoffer had zijn vorige ploegleider hem (...) mondeling geïnstrueerd. Op welke manier en hoe de werkgever de doeltreffendheid hiervan had geborgd in zijn organisatie kon niet worden aangetoond. Een schriftelijke instructie over het veilig schoonmaken van een granulaatmolen kon men mij, rapporteur, niet overhandigen. De werkgever had niet gezorgd dat de werknemer, slachtoffer, doeltreffend was ingelicht over de te te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's alsmede over de maatregelen die er op gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken, aldus zijnde een overtreding van artikel 8, lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 aangewezen als een beboetbaar feit in artikel 33, lid 1 van diezelfde wet. (...)

Op grond van bovenstaande heeft dit ongeval, het schoonmaken van een granulaatmolen, alleen plaats kunnen vinden toen deze stond ingeschakeld. Vermoedelijk heeft betrokkene gedacht dat de granulaatmolen buitenbedrijf was, zoals met de blaasmachine het geval was (...) Het geluidsniveau in de kelder, geproduceerd door de diverse granulaatmolens, is zo groot dat men niet hoorbaar kan vaststellen welke granulaatmolen in bedrijf is. Bij het verwijderen van de zeef is waarschijnlijk de rotor tegen de zeef gekomen. Slachtoffer hield met beide handen de bovenkant van de zeef vast. Gezien de grote vervorming van de zeef is deze vermoedelijk met grote kracht tegen de constructie van de granulaatmolen geslagen, waardoor het slachtoffer zijn handen beknelde. Het schoonmaken van de granulaatmolen werd uitgevoerd terwijl deze niet was uitgeschakeld of spanningsloos gemaakt, aldus zijnde een overtreding van artikel 16, lid 10 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, juncto artikel 7.5 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, aangewezen als een beboetbaar feit in artikel 9.9c onder g van datzelfde besluit. (...)

Het slachtoffer is in verband met zijn verwondingen, die hij tengevolge van het arbeidsongeval heeft opgelopen in een ziekenhuis ter behandeling opgenomen en heeft daarbij blijvend letsel opgelopen. (...)

De werkgever nam na het arbeidsongeval de volgende maatregelen:

- Stelde een instructie op voor het openen van de molen en een waarschuwingsbord met de tekst niet aanzetten i.v.m. werkzaamheden; (...)

- veiligheidsschakelaars met vertragingsrelais werden besteld om te zorgen dat tijdens het uitlopen van de machine de afscherming niet kan worden verwijderd.”

4.6 In opdracht van [appellant] heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Andriessen & Geurts Expertises B.V. een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het ongeval en de schuldvraag. Het daarvan opgemaakte expertiserapport van 15 maart 2005 vermeldt:

“Voordat er aan de granulaatmolen (schoonmaak)werkzaamheden worden verricht dient deze te worden uitgeschakeld en spanningsloos te worden gemaakt. Dit gebeurt als volgt: de hoofdschakelaar op de schakelkast in de directe nabijheid van de molen wordt uitgeschakeld, op dat moment is de molen spanningsloos gemaakt en begint de rotor uit te lopen. Vervolgens worden de noodstoppen op de schakelkast en de molen zelf uitgeschakeld en wordt de “UIT”-knop op de schakelkast omgezet.

Na het uitschakelen van de machine volgens bovengenoemde procedure wordt gewacht totdat de rotor is uitgelopen. Daarna wordt de frontplaat verwijderd en worden de drie moeren van de zeef losgedraaid. Daarna kan de zeef worden verwijderd en is het vanaf dat moment mogelijk om tussen bewegende delen van de machine te komen wanneer die nog in bedrijf is. (...)

Bij mijn onderzoek is (...) gebleken dat het niet mogelijk is na verwijdering van de frontplaat en de moeren van de zeef bij bewegende delen van de machine te komen wanneer bij het uitschakelen van de machine de juiste procedure wordt gevolgd. Zoals gezegd, valt na het omzetten van de hoofdschakelaar de spanning weg, de uitlooptijd van de rotor heb ik tweemaal geklokt op 1 minuut en 35 seconden. Tevens hebben wij proefondervindelijk vastgesteld dat het drie minuten duurt om de frontplaat en de moeren te verwijderen, de rotor staat dus al bijna 1,5 minuut stil voordat men bij de bewegende delen van de machine komt. Wanneer echter de machine alleen met de “UIT”-knop wordt afgezet dan is de uitlooptijd van de rotor 9 minuten en 31 seconden. Dan is het wel mogelijk om bij het verwijderen van de zeef tijdens de uitloop tussen bewegende delen bekneld te raken, maar dan is (...) niet de juiste procedure gevolgd. (...)

Volgens de arbeidsinspectie waren er onvoldoende (schriftelijke) veiligheidsinstructies gegeven. De arbeidsinspectie miskent daarmee dat er op de betreffende machine vier, goed zichtbare waarschuwingen waren aangebracht waarvan het niet goed is voor te stellen dat betrokkene die nooit heeft gezien. Betrokkene heeft kennis genomen van het bedrijfsreglement. Hij heeft hiervoor volgens de arbeidsovereenkomst getekend (...) In het bedrijfsreglement zijn (algemene) veiligheidsinstructies opgenomen (...) Volgens opdrachtgever is betrokkene afdoende mondeling geïnstrueerd over de veiligheidsvoorschriften die bij werkzaamheden aan de betreffende machine in acht moeten worden genomen.”

4.7 Bij beschikking van 22 maart 2005 is door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna te noemen: Staatssecretaris SZW) aan [appellant] een bestuurlijke boete van € 4.050,- opgelegd wegens overtreding van artikel 16 lid 10 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna te noemen: Arbowet) juncto artikel 7.5 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna te noemen: Arbobesluit). Het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar werd bij beschikking van 1 september 2005 door de Staatssecretaris SZW gegrond verklaard. Die beslissing op bezwaar vermeldt:

“(...) De boeteoplegging is in casu niet misplaatst. (...) Ik kom tot de conclusie dat sprake is van overtreding van artikel 7.5, tweede lid van het Arbobesluit, nu sprake was van het uitvoeren van reinigingswerkzaamheden aan de granulaatmolen terwijl deze niet was uitgeschakeld of spanningsloos was gemaakt. Artikel 9.1, Arbobesluit, legt de verplichting tot naleving van – onder meer – artikel 7.5, tweede lid Arbobesluit op de werkgever. Deze overtreding is aan de werkgever, in casu [appellant] toe te rekenen. (...) Geen boete is opgelegd op grond van artikel 8, eerste lid Arbowet, het onvoldoende geven van voorlichting over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken. (...) Verwijtbaarheid is geen bestanddeel van de bepalingen die het opleggen van een boete voorschrijven. In beginsel (...) kan een boete worden opgelegd als vaststaat dat artikel 7.5, tweede lid Arbobesluit is overtreden. Echter, bij het bepalen van de hoogte van de boete vereist de evenredigheidsbeoordeling dat de verwijtbaarheid van het beboetbare feit in de besluitvorming wordt betrokken. (...) Er zijn geen schriftelijke instructies met betrekking tot het spanningsloos maken van de granulaatmolen wanneer schoonmaakwerkzaamheden worden uitgevoerd. Ook het bedrijfsreglement bepaalt hierover niets. De waarschuwingsborden op de granulaatmolen kunnen niet als instructie worden aangemerkt. (...) Uit meerdere verklaringen blijkt echter dat het slachtoffer mondeling is geïnstrueerd met betrekking tot het uitschakelen van de granulaatmolen voordat deze wordt schoongemaakt. (...) Nu voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer was geïnstrueerd (...) en hij de granulaatmolen toch niet heeft uitgeschakeld voordat hij begon met de schoonmaakwerkzaamheden, heeft hij gehandeld in strijd met de instructies. (...) Ten aanzien van het houden van toezicht (...) bestond er voor [appellant] geen aanleiding om in meer toezicht te voorzien zij in casu heeft gedaan. [appellant] heeft derhalve voldaan aan haar toezichtsplicht.

Conclusie

Nu aannemelijk is geworden dat [appellant] in casu voldoende instructies en toezicht heeft gehouden, heeft [appellant] er alles aan gedaan wat in redelijkheid van hem verwacht mag worden om deze overtreding, het niet stil zetten van de machine door de werknemer, te voorkomen. De overtreding is [appellant] derhalve niet verwijtbaar.”

4.8 Zonder daarmee de aansprakelijkheid voor het ongeval te willen erkennen, heeft [appellant] naar aanleiding van dat ongeval een bedrag van totaal € 7.000,- aan [geïntimeerde] betaald.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 Nu [appellant] geen grieven heeft aangevoerd tegen het (comparitie)vonnis van 11 oktober 2006, zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep tegen dat vonnis.

5.2 De grieven van [appellant], die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, zijn gericht tegen de verklaring voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] als gevolg van het bedrijfsongeval op 8 november 2004 geleden schade, en de veroordeling van [appellant] tot betaling van de als gevolg daarvan door [geïntimeerde] geleden en te lijden schade op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede tegen de veroordeling van [appellant] tot betaling van € 7.000,- als schadevoorschot, van € 1.158,- aan buitengerechtelijke (incasso)kosten en van proceskosten.

5.3 [geïntimeerde] heeft zijn vordering in eerste aanleg alleen gebaseerd op een schending van een op [appellant] als werkgever rustende veiligheidsverplichting zoals bedoeld in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Bij memorie van antwoord handhaaft [geïntimeerde] die grondslag, maar daarbij stelt [geïntimeerde] (in punt 7.2) zijn vordering subsidiair (ook) te baseren op een schending van de werkgeversverplichting om zich als een goed werkgever te gedragen zoals bedoeld in artikel 7:611 BW. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] daarmee zijn (grondslag van) eis vermeerdert. Als uitgangspunt in hoger beroep geldt dat de bevoegdheid van oorspronkelijk eiser tot vermeerdering van eis beperkt is in die zin, dat hij zijn eis slechts kan vermeerderen niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord. Dit brengt mee dat [geïntimeerde] bevoegd is tot de in zijn memorie van antwoord opgenomen vermeerdering van (grondslag van) eis. Indien het nodig mocht blijken over de pas in hoger beroep toegevoegde subsidiaire grondslag van eis te oordelen, zal het hof [appellant] eerst in de gelegenheid stellen haar standpunt met betrekking tot die aldus vermeerderde (grondslag van) eis naar voren te brengen en toe te lichten.

5.4 [geïntimeerde] baseert zijn vorderingen primair op een schending van een op [appellant] als werkgever rustende veiligheidsverplichting. Kort samengevat stelt hij dat [appellant] artikel 7.5 lid 2 Arbobesluit heeft overtreden en haar zorgplicht jegens hem heeft geschonden door geen veiligheidsinstructies te hebben verstrekt en geen veiligheidsmaatregelen te hebben getroffen, zodat [appellant] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het hem overkomen bedrijfsongeval. [geïntimeerde] stelt dat hij, naast het letsel dat in rechtsoverweging 4.4 is genoemd, psychische klachten ondervindt. [geïntimeerde] stelt voorts dat [appellant] de na het ongeval genomen maatregelen (instructie, waarschuwingsbord en veiligheidsschakelaars met vertragingsrelais) eerder had moeten nemen en zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van, althans onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar, de mogelijke gevaren van het werken met de granulaatmolen.

5.5 [appellant] verweert zich, kort samengevat, door te stellen dat uit de door de Staatssecretaris SZW vastgestelde overtreding van artikel 7.5 lid 2 Arbobesluit niet volgt dat zij aansprakelijk is, nu haar ter zake daarvan geen boete is opgelegd en die in de beschikking van 1 september 2005 opgenomen vaststelling geen dwingende bewijskracht toekomt. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] de overtreding zelf heeft veroorzaakt, dat haar blijkens de beschikking van de Staatssecretaris SZW geen verwijt treft en dat de van haar te vergen zorgplicht niet een absolute waarborg voor de veiligheid van de werknemer inhoudt. Volgens [appellant] kan van haar niet worden gevergd verdergaande veiligheidsvoorzieningen te treffen dan het uitschakelen van de granulaatmolen bij schoonmaakwerk, omdat (zoals het expertiserapport van 15 maart 2005 bevestigt) niet gemakkelijk bij de bewegende delen van de machine kan worden gekomen. Daarnaast is het volgens [appellant] economisch niet verantwoord om bij elk bewegend deel een afdoende veiligheidsvoorziening aan te brengen waardoor de machine automatisch stilvalt wanneer de bescherming wordt verwijderd. [appellant] stelt aan haar instructieverplichting jegens [geïntimeerde] te hebben voldaan en dat [geïntimeerde] als (tijdelijk) assistent-ploegleider zelf was belast met het toezicht op de naleving van veiligheidsvoorschriften, zodat van [geïntimeerde] meer mocht worden verwacht dan van een gewone werknemer. [appellant] stelt, ten slotte, dat zij op grond van de eerder verrichte risico-inventarisatie onbekend was (en mocht zijn) met het onderhavige risico en dat uit de na het ongeval getroffen extra maatregelen niet mag worden afgeleid dat de veiligheidsmaatregelen eerder niet voldeden.

5.6 Het hof overweegt dat het ongeval [geïntimeerde] is overkomen tijdens de normale uitoefening van zijn werkzaamheden. Dit brengt mee dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg van dat ongeval lijdt, tenzij [appellant] aantoont dat zij de onderhavige veiligheidsverplichting is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde]. Niet is gesteld dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde], zodat [appellant] alleen dan niet aansprakelijk is voor de schade als gevolg van dat ongeval, indien [appellant] aantoont dat zij de werkomgeving en de arbeid van [geïntimeerde] op zodanige wijze had georganiseerd als redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat [geïntimeerde] bij het schoonmaken van de granulaatmolen schade zou lijden. [appellant] stelt met recht dat die op haar rustende inspanningsverbintenis geen absolute waarborg beoogt te scheppen voor de bescherming van [geïntimeerde] tegen gevaar. Wat van [appellant] in redelijkheid mag worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het geval.

5.7 Dat bij de beslissing op bezwaar van 1 september 2005 door de Staatssecretaris SZW geen boete aan [appellant] is opgelegd, neemt niet weg dat bij die beslissing is vastgesteld dat [appellant] artikel 7.5 lid 2 Arbobesluit heeft overtreden. Voor zover hier van belang is [appellant] op grond van dat voorschrift verplicht slechts onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden aan de granulaatmolen uit te (doen) voeren, indien de granulaatmolen is uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt. Tussen partijen is niet in geschil dat de bewuste granulaatmolen op het moment van het ongeval niet drukloos of spanningsloos was. [geïntimeerde] stelt echter dat hij de granulaatmolen vóór aanvang van het schoonmaakwerk had uitgeschakeld en dat hij niet weet waarom of waardoor deze nadien (weer) was ingeschakeld, terwijl [appellant] daarentegen juist ontkent dat de machine vooraf door [geïntimeerde] spanningsloos was gemaakt. Die partijen verdeeld houdende kwestie doet er echter niet aan af dat een publiekrechtelijke veiligheidsvoorschrift niet werd nageleefd en dat daarom als uitgangspunt heeft te gelden dat schending van dit voorschrift aan [appellant] is toe te rekenen, zoals de Staatssecretaris SZW heeft vastgesteld.

5.8 [appellant] verweert zich met de stelling dat [geïntimeerde] de overtreding van het eerdergenoemde publiekrechtelijke veiligheidsvoorschrift zelf heeft veroorzaakt en dat [geïntimeerde] de mondeling gegeven instructies voor het uitschakelen van de granulaatmolen op 8 november 2004 niet correct heeft uitgevoerd, maar deze (door [geïntimeerde] ontkende) stellingen van [appellant] behoeven geen afzonderlijke bespreking. Blijkens de stellingen en stukken van partijen is immers de granulaatmolen in die zin een gevaarlijke machine, dat vanwege de bij een gedeeltelijke ontmanteling vrijkomende beweegbare en snijdende delen het risico bestaat dat bij een fout of onvoorzichtigheid letsel kan worden opgelopen. Daar het schoonmaken van de granulaatmolen steeds een gedeeltelijke ontmanteling vereist, brengt dat schoonmaakwerk steeds het kenbare risico op een ongeval als het onderhavige met zich mee. [appellant] stelt dat de in 2001 opgemaakte Risico-inventarisatie en -evaluatierapporten geen bijzondere aandacht vroegen voor de onderhavige machinelijn en dat zij blijkens de beslissing van 1 september 2005 volgens de Staatssecretaris SZW heeft voldaan aan haar toezichtsplicht, maar uit deze door [appellant] gestelde feiten volgt nog niet dat zij de op haar rustende veiligheidsverplichting zoals bedoeld in artikel 7:658 BW is nagekomen. Niet is gesteld of gebleken dat het bedrijfsreglement bijzondere voorschriften bevat over het werken met granulaatmolens of dat [appellant] enige schriftelijke instructie voor het schoonmaken van granulaatmolens heeft verstrekt. Voor een gevaarlijke machine zoals de granulaatmolen geldt in het bijzonder dat daarop aangebrachte waarschuwende teksten of door mondelinge instructies gegeven waarschuwingen niet steeds voldoende zijn om aan de onderhavige veiligheidsverplichting te voldoen. [appellant] stelt wel dat op maandelijkse overleggen steeds over Arbobeleid en/of veiligheid werd gesproken, maar niet dat en hoe frequent binnen haar bedrijf de veiligheid van de werkomgeving en het schoonmaakwerk aan de granulaatmolens onder de aandacht is gebracht. Uit de door [appellant] ingeroepen schriftelijke verklaring van 19 april 2005 van voormalig ploegleider H. Kerkhoven volgt slechts dat [geïntimeerde] medio 2000 meermalen mondeling daarover is geïnstrueerd. In ieder geval volgt uit de stellingen van [appellant] niet dat moet worden getwijfeld aan de in het boeterapport van 25 januari 2005 door de Arbeidsinspectie gerelateerde bevindingen inzake de algemeen gebrekkige voorlichting over risicofactoren in het werk bij [appellant], over het niet-gereedmelden van al in 2001 geadviseerde bijzondere procedures voor reinigingswerkzaamheden binnen het bedrijf van [appellant] en over de niet gebleken borging van mondeling gegeven instructies inzake het schoonmaakwerk aan de granulaatmolens. Evenmin volgt daaruit dat zodanige waarschuwingen of instructies zijn gegeven dat dit naar verwachting zou leiden tot een zodanig handelen of nalaten van [geïntimeerde] dat daardoor het latente gevaar werd vermeden.

5.9 Temeer indien daarbij ook nog in aanmerking wordt genomen dat [appellant] al jaren beschikte over door de fabrikant van de granulaatmolen opgestelde “Safety Instructions” als deels geciteerd in rechtsoverweging 4.1, dat het geluidsniveau in de kelder onbestreden zodanig was dat niet hoorbaar kon worden vastgesteld welke van de daar aanwezige granulaatmolens precies uitgeschakeld was en niet in geschil is dat schoonmaakwerk aan granulaatmolens door [geïntimeerde] steeds meermalen per dienst moest worden verricht, mocht van [appellant] worden verwacht dat harerzijds was onderzocht of (meer dan aanwezige) preventieve maatregelen bij het schoonmaakwerk aan de granulaatmolens mogelijk waren en, zo dat niet het geval mocht blijken te zijn, of op een voldoende effectieve wijze voor het gevaar bij dat schoonmaakwerk kon worden gewaarschuwd. Uit de stellingen van [appellant] volgt echter niet dat een dergelijk gericht onderzoek ooit is gedaan. Bij gebreke van een dergelijk onderzoek passeert het hof de door [appellant] verder ook niet nader geconcretiseerde en onderbouwde stelling dat het economisch niet verantwoord is om bij elk beweegbaar deel van de granulaatmolens een veiligheidsvoorziening aan te brengen waardoor deze automatisch stilvalt wanneer de bescherming wordt verwijderd.

5.10 Voor zover [appellant] stelt dat geen verdergaande veiligheidsmaatregelen van haar konden worden gevergd omdat de bewegende delen bij het volgen van de juiste procedure door [geïntimeerde] al stil zouden hebben moeten staan voordat hij daar na de gedeeltelijke ontmanteling van de machine feitelijk bij kon komen, passeert het hof dat verweer. Uit de stellingen van partijen en het boeterapport van 25 januari 2005 volgt dat bij de granulaatmolens inmiddels additionele (veiligheids)voorzieningen zijn getroffen ter voorkoming van een ongeval zoals dit zich met [geïntimeerde] heeft voorgedaan. Niet is gesteld dat deze voorzieningen eerder onmogelijk waren en enkel op grond van de volgens [appellant] daarvoor gemaakte (extra)kosten van € 1.500,- exclusief arbeidskosten per granulaatmolen, kan niet worden geoordeeld dat het aanbrengen van deze voorzieningen destijds niet van [appellant] kon worden gevergd.

5.11 Het hof gaat ook voorbij aan het door [appellant] gevoerde verweer dat van [geïntimeerde] vanwege zijn jarenlange ervaring en kennis als assistent-ploegleider een bijzondere aandacht voor (de naleving van) veiligheidsvoorschriften kon worden verwacht. Bij een gevaarlijke machine zoals de granulaatmolen diende [appellant] ook rekening te houden met het ervaringsfeit dat werknemers zoals [geïntimeerde] door een regelmatige en frequente omgang met een machine niet steeds de voorzichtigheid in acht zullen nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is, ook al is hun door mondelinge instructies en op de machine aangebrachte waarschuwingsteksten op het gevaar gewezen. Bovendien kan bij de beantwoording van de vraag of [appellant] heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mocht worden verwacht van belang zijn of zij de gestelde (door [geïntimeerde] betwiste) niet-naleving van de juiste procedure door [geïntimeerde] redelijkerwijs heeft kunnen voorzien, maar van doorslaggevende betekenis is zulks niet. Voor de aansprakelijkheid van [appellant] is immers niet vereist dat zij de vermeend onzorgvuldige gedraging van [geïntimeerde] heeft (kunnen) voorzien die tot het ongeval heeft geleid. Uitgangspunt is dat [appellant] rekening moest houden met het algemene ervaringsfeit dat ook ervaren en met de werkomstandigheden bekende werknemers, niet steeds de noodzakelijke voorzichtigheid zullen betrachten. Het achterwege laten van maatregelen of aanwijzingen die redelijkerwijs nodig zijn om schade voor [geïntimeerde] als gevolg van risicovolle arbeidsomstandigheden te voorkomen, kan dan ook niet worden gerechtvaardigd met het door [appellant] gedane beroep op hetgeen van [geïntimeerde] mocht worden verwacht ten aanzien van de in acht te nemen noodzakelijke zorgvuldigheid.

5.12 Gelet op het voorgaande dienen de bij het bestreden vonnis van 28 november 2007 toegewezen verklaring voor recht inzake de aansprakelijkheid van [appellant] voor het bedrijfsongeval en de daarbij toegewezen veroordeling van [appellant] tot betaling van de als gevolg daarvan door [geïntimeerde] geleden en te lijden schade op te maken bij staat, te worden bekrachtigd. Nu [appellant] aansprakelijkheid is zal dat - bij afwezigheid van opzet of bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde] - in beginsel voor de volledige schade van [geïntimeerde] zijn, zodat het door [appellant] gedane beroep op een verminderde schadeplichtigheid wegens gestelde medeschuld van [geïntimeerde] faalt.

Slotsom

5.13 Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep tegen het vonnis van 11 oktober 2006. De grieven falen, zodat de bestreden vonnissen van 16 mei 2007 en 28 november 2007 moeten worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5.14 Gezien deze op de primaire grondslag van de vordering reeds te geven beslissingen, komt het hof aan een beoordeling van de in hoger beroep toegevoegde subsidiaire grondslag van eis niet meer toe. Om die reden zal het hof [appellant] niet in de gelegenheid stellen haar standpunt met betrekking tot de aldus vermeerderde (grondslag van) eis naar voren te brengen en toe te lichten.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van het vonnis van

11 oktober 2006 dat de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel) tussen partijen heeft gewezen;

bekrachtigt de vonnissen van 16 mei 2007 en 28 november 2007 die de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel) tussen partijen heeft gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 254,- voor griffierecht;

verklaart de proceskostenbeslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.G.W.M. Stienissen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2009.