Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ4286

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-07-2009
Datum publicatie
03-08-2009
Zaaknummer
24-000007-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede ter zake van overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een werkstraf van 31 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis en een geldboete van € 1200,-, subsidiair 24 dagen vervangende hechtenis. Ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit ontzegt het hof aan veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000007-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-601033-06

Arrest van 6 juli 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 oktober 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1957] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van € 1200,-, subsidiair 24 dagen vervangende hechtenis, alsook een werkstraf van 31 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal veroordelen tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden.

De beslissing op het hoger beroep

Van de terechtzitting in eerste aanleg is geen proces-verbaal opgemaakt. Daarom kan het hof niet beoordelen of het onderzoek in eerste aanleg overeenkomstig de wet heeft plaatsgevonden en of het vonnis aan de wettelijke eisen voldoet. Het vonnis zal om deze reden worden vernietigd en het hof zal opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 juni 2006 in de gemeente [gemeente] als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

2.

hij op of omstreeks 24 juni 2006 in de gemeente [gemeente] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B en/of BE, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straat], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 juni 2006 in de gemeente [gemeente] als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

2.

hij omstreeks 24 juni 2006 in de gemeente [gemeente] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B en BE, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorieën was afgegeven, op de weg, de [straat], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorieën heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze begaan zijn en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte is op 24 juni 2006 bevolen zijn medewerking te verlenen aan de ademanalyse en de hem te geven aanwijzingen op te volgen. Verdachte heeft geen gevolg aan dit bevel gegeven, waardoor het onderzoek niet tot resultaat heeft geleid. Zodoende heeft verdachte de handhaving van de verkeerswetgeving belemmerd. Daarnaast heeft verdachte omstreeks 24 juni 2006 te [plaats] een personenauto bestuurd terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte heeft daarmee een tegen hem genomen administratieve maatregel genegeerd, welke in het leven is geroepen om de verkeersveiligheid te beschermen.

Het hof heeft gelet op het verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 maart 2009 waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde werkstraf, in combinatie met een geldboete, alsmede de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, passend en geboden zijn.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c (oud), 22d, 23 (oud), 24 (oud), 24c (oud), 57 (oud) en 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 (oud), 163 (oud), 176 (oud) en 179 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van eenendertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast;

een geldboete van duizend tweehonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vierentwintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen maanden.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. J.A. Wiarda en mr. H. Kalsbeek, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mrs. Wiarda en Kalsbeek voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.