Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ4265

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
30-07-2009
Zaaknummer
24-003088-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In verdachtes keuken werden twee pistolen met munitie aangetroffen en in zijn schuur werden vier fietsen (waaronder een gestolen fiets) aangetroffen.

Vrijspraak van opzetheling. Geen bewijs voor opzet van verdachte.

Veroordeling wegens voorhanden hebben van pistolen en bijbehorende munitie. Verdachte was zich naar het oordeel van het hof in voldoende mate bewust van de aanwezigheid van de wapens in zijn woning.

Volgt oplegging van (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-003088-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-607221-07

Arrest van 7 juli 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 november 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1976] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans uit anderen hoofde verblijvende in Huis van Bewaring Zwolle te Zwolle,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.H.H. Nauta, advocaat te Lelystad.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis - voor zover vatbaar voor hoger beroep - wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte wegens de feiten 1 en 3 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis - voor zover daarvoor vatbaar - vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1:

hij op of omstreeks 13 juni 2007 in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten

- een pistool (merk walther spec. ausf.kaliber 7.65 mm) en/of

- een pistool (merk Star (kaliber 9mm/.380) en/of

munitie van categorie III, te weten acht patronen (kaliber 7.65 mm) en/of zeven patronen (kaliber 9mm/.380), voorhanden heeft gehad;

3:

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 13 juni 2007 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een fiets (merk Gazelle type Luzern) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van genoemde fiets wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Vrijspraak

Het hof overweegt ten aanzien van de onder 3 aan verdachte ten laste gelegde opzetheling dat, om tot een bewezenverklaring van dat feit te komen, er bewijs voorhanden moet zijn dat ten tijde van het verwerven van de fiets verdachte wist dat het een goed betrof dat door misdrijf was verkregen. Het bewijs voor die wetenschap bij verdachte is in het dossier niet voorhanden en het vloeit evenmin voort uit de behandeling van de zaak ter terechtzitting. Het hof acht daarom niet bewezen hetgeen onder 3 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Overweging ten aanzien van het bewijs

De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat verdachte van dat feit moet worden vrijgesproken, omdat verdachte niet over de in de keuken van zijn woning aangetroffen wapens - die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] altijd bij zich droegen - kon beschikken, niet wist dat ze in de keuken lagen en hij die wapens dus niet voorhanden heeft gehad.

Voor strafbaarheid van het onder 1 ten laste gelegde 'voorhanden hebben' van wapens en de bijbehorende munitie in de zin van artikel 26 van de Wet wapens en munitie is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van die wapens of die munitie1.

Bij beantwoording van de vraag of bij verdachte sprake is geweest van een voldoende mate van bewustheid van de aanwezigheid van de wapens en munitie in zijn woning, heeft het hof acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden.

De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren bekenden van verdachte die vaker bij hem over de vloer kwamen. Vast staat dat verdachte wist dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] elk over een vuurwapen beschikten en dat zij hun wapen altijd bij zich droegen.

Verdachte heeft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet verboden om hun wapen bij zich te hebben, wanneer zij hem in zijn woning bezochten en/of daar overnachtten.

Verdachte heeft de wapens van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in zijn handen gehad. Volgens zijn eigen verklaring kan dat het geval zijn geweest op 12 juni 2007, de dag voordat de wapens in zijn keuken werden aangetroffen.

Verdachte kon ter terechtzitting van het hof desgevraagd aangeven welk wapen van [medeverdachte 1] en welk wapen van [medeverdachte 2] was.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden vrijelijk toegang tot de woning van verdachte.

Onder deze omstandigheden, waarin verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vrije toegang tot zijn woning heeft verschaft, wetende van het wapenbezit van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en zonder dat hij hen heeft verboden die wapens naar zijn woning mee te nemen, is verdachte zich er naar het oordeel van het hof in voldoende mate bewust van geweest dat de aanwezigheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in zijn woning ook de aanwezigheid van wapens en munitie in zijn woning betekende. Het hof acht ten aanzien van verdachte, die in de woning woonde en ook feitelijk in de woning verbleef toen de wapens werden aangetroffen, en daarmee zelf over alle goederen die zich in zijn woning bevonden de beschikking had, het voorhanden hebben van de beide wapens en de bijbehorende munitie wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op 13 juni 2007 in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, wapens van categorie III, te weten

- een pistool (merk Walther spec. ausf. kaliber 7.65 mm) en

- een pistool (merk Star (kaliber 9mm/.380) en

munitie van categorie III, te weten acht patronen (kaliber 7.65 mm) en zeven patronen (kaliber 9mm/.380), voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

1:

met betrekking tot de wapens:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

met betrekking tot de munitie:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder gelet op het navolgende.

Verdachte heeft op 13 juni 2007 in zijn woning twee vuurwapens (pistolen) en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Deze wapens waren doorgeladen, en dus gereed voor direct gebruik. Het voorhanden hebben van twee doorgeladen vuurwapens levert een grote mate van gevaarzetting op. Daar komt bij dat de kinderen van verdachte, die bij hun moeder wonen, ook wel in de woning van verdachte verbleven.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof voorts gelet op het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 maart 2009, waaruit blijkt dat de verdachte in 1999 wegens een soortgelijk delict een transactie heeft voldaan.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting zijn gebleken.

Het hof is op grond van het bovenstaande, uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van het door verdachte begane strafbare feit, van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend en noodzakelijk is.

Het hof komt tot een andere strafoplegging dan door de advocaat-generaal gevorderd in verband met de vrijspraak van feit 3.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van onder 2 tenlastegelegde;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover daarvoor vatbaar, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van twee maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S.H. Wachter, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. K. Lahuis, in tegenwoordigheid van mr. A. Meester als griffier.