Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ4184

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
104.004.596
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inschrijving in rechtsmiddelenregister van art 433 Rv binnen 8 dagen, art 3:301 lid 2 BW. Inschrijving in register van art 3:16 BW is niet hetzelfde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 383
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.004.596

(zaaknummer rechtbank: 85934 HA ZA 07-460)

arrest van de vierde civiele kamer van 9 juni 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. P.A.C. de Vries,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. D.M.H.M. van Dijk.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 21 november 2007 dat de rechtbank Almelo tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 5 december 2007 [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 21 november 2007 in hoger beroep te komen met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en een aantal producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans het bestreden vonnis zal bekrachtigen, zo nodig met aanvulling of wijziging van gronden, en [appellant] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 16 maart 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mrs. E.A.A. Luijten en R.P.H.W. Haas, beiden advocaat te Heerlen, en [geïntimeerde] door mr. D.M.H.M. van Dijk, advocaat te Arnhem. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Mr. van Dijk voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting bij brief van 10 februari 2009 een kopie van een arrest van dit hof van 2 oktober 2007 (rolnummer 2006/729) aan het hof gezonden.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3. De vaststaande feiten

3.1 De rechtbank heeft in haar vonnis van 21 november 2007 onder 2.1 tot en met 2.3 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. Daaraan kunnen ter aanvulling en ter nadere precisering nog de volgende vaststaande feiten worden toegevoegd.

3.2 De vader van partijen en [geïntimeerde] zijn met ingang van 1 januari 1980 een overeenkomst van maatschap aangegaan, die is vastgelegd in een notariële akte van 20 januari 1981. De vader heeft bij deze akte de volgende onroerende zaken in juridische zin ingebracht in de maatschap: het boerenwoonhuis met schuren, ligboxenstal, verdere aanhorigheden, ondergrond, erf, tuin, bouwland en grasland om en nabij de [adres], totale grootte 16.35.65 hectare (hierna: de onroerende zaken). Ten gevolge van deze inbreng behoren de onroerende zaken vanaf dat moment voor de onverdeelde helft toe aan vader en zijn in de huwelijksgemeenschap gevallen waarin hij destijds gehuwd was en behoren zij voor de andere onverdeelde helft toe aan [geïntimeerde].

3.3 Met ingang van 15 januari 1990 is de echtgenote van [geïntimeerde] toegetreden tot de maatschap, hetgeen is vastgelegd in een notariële akte van 17 oktober 1990, waarin verder de bepalingen waaronder deze maatschap is aangegaan zijn opgenomen. Uit die akte blijkt voorts dat partijen de eerdere inbreng hebben gehandhaafd (art. 3 lid 2), zodat de echtgenote van [geïntimeerde] door deze toetreding niet gerechtigd is geworden tot de eigendom van de onroerende zaken.

3.4 In de maatschapsakte van 17 oktober 1990 is verder bepaald dat de maatschap ten aanzien van een vennoot eindigt door zijn overlijden, in welk geval de overblijvende vennoten de maatschap voortzetten (artikel 10 lid 1 en 3). In artikel 10 lid 10 is het volgende opgenomen:

“Indien de maatschap ten aanzien van een vennoot eindigt door overlijden, zullen in afwijking van het bepaalde in lid 7 sub a, de gemeenschappelijke zaken niet verblijven aan de voortzettende vennoot doch heeft hij het recht op overneming van het aandeel van de andere vennoot daarin, waartoe hij zich binnen zes maanden na het einde van de maatschap dient te verklaren.”

In artikel 11 van de maatschapakte met als opschrift vaststelling overnamesom is vervolgens bepaald op welke wijze het bedrag wordt vastgesteld waarop de vennoot die is opgehouden vennoot te zijn of zijn rechtsopvolgers recht hebben.

.

3.5 De vader van partijen is op 14 juni 1994 overleden. Hij heeft bij testament [geïntimeerde] tot enige erfgenaam van zijn gehele nalatenschap benoemd. [appellant] heeft een beroep gedaan op zijn legitieme portie in de nalatenschap van zijn vader en is daardoor als erfgenaam gerechtigd geworden in zijn nalatenschap. De overige kinderen van de vader hebben berust in hun onterving. Door het overlijden van de vader is de huwelijksgemeenschap waarin hij was gehuwd ontbonden. In de nalatenschap van de vader, die is vervat in deze ontbonden huwelijksgemeenschap, zijn [geïntimeerde] en [appellant] als deelgenoten gerechtigd. In de ontbonden huwelijksgemeenschap waartoe de onverdeelde helft van de onroerende zaken behoort zijn door het overlijden van vader en het beroep van [appellant] op zijn legitieme portie dan gerechtigd de moeder van partijen, [geïntimeerde] en [appellant]. De moeder van partijen is op 13 mei 2006 overleden met achterlating van [geïntimeerde] als haar enige erfgenaam. Na het overlijden van moeder zijn [geïntimeerde] en [appellant] nog als enige deelgenoten gerechtigd in de ontbonden huwelijksgemeenschap die tussen hun ouders heeft bestaan en in de daarin begrepen onverdeelde helft in de onroerende zaken.

3.6 [geïntimeerde] heeft gebruik gemaakt van zijn recht op overneming van het aandeel van zijn vader in het vermogen van de maatschap inclusief het aandeel van zijn vader in de onroerende zaken. Daardoor is er een verplichting ontstaan ten laste van de ontbonden huwelijksgemeenschap tot levering aan [geïntimeerde] van de onverdeelde helft van de onroerende zaken tegen de op grond van artikel 11 van de maatschapakte van 17 oktober 1990 vast te stellen overnamesom.

3.7 Het hof heeft in een eerder tussen [geïntimeerde] en [appellant] gevoerde procedure op 13 juni 2006 en 19 december 2006 arresten gewezen (rolnummer 2005/00345), waartegen door geen van hen cassatieberoep is ingesteld. In deze arresten heeft het hof, met inachtneming van het recht van [geïntimeerde] op overname van het aandeel van zijn vader in de maatschap en de vaststelling van de overnamesom zoals opgenomen in artikel 11 van de maatschapakte van 17 oktober 1990 en onder beslissing op de in dat verband tussen [geïntimeerde] en [appellant] gerezen geschilpunten, de omvang van de legitimaire portie van [appellant] en daarmee de waarde van zijn aandeel in de nalatenschap van zijn vader vastgesteld op € 9.974,62. Het hof heeft in deze arresten niet de verdeling van de nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld.

3.8 [geïntimeerde] heeft opdracht gegeven aan notaris mr. R.B.H. van Goor te Wierden een ontwerp van een akte van verdeling op te stellen. [appellant] heeft aanvankelijk geweigerd deze akte te ondertekenen. Bij brief van 26 maart 2007 heeft mr. M.D. Ubbink, destijds de advocaat van [appellant], het volgende aan mr. Van Dijk, de advocaat van [geïntimeerde], laten weten:

“Cliënt is – om hem moverende redenen – intussen bereid mee te werken aan de tenaamstellling (de opdracht tot cassatie is dan ook ingetrokken). Hij is bereid de daartoe opgestelde concept-akte te ondertekenen, uitgezonderd het artikel strekkende tot verlening van finale kwijting (pagina 8, onder het kopje “kwijting”). Mede gezien de samenhang is finale kwijting eerst aan de orde nadat ook de nalatenschap van moeder zal zijn verdeeld.

Ik ga er vanuit dat uwerzijds met deze ondergeschikte aanpassing kan worden ingestemd.”

De notaris heeft het ontwerp van de akte in voornoemde zin aangepast. [appellant] heeft de akte niet ondertekend.

3.9 [geïntimeerde] heeft vervolgens [appellant] gedagvaard bij de rechtbank Almelo en gevorderd dat hij wordt veroordeeld de akte van levering overeenkomstig het door notaris Van Goor opgestelde ontwerp te ondertekenen. Bij het bestreden vonnis van 21 november 2007 is [appellant] daaroe veroordeeld, waarbij de rechtbank heeft bepaald dat dit vonnis in de plaats treedt van de notariële akte van levering indien [appellant] in gebreke blijft zijn medewerking te verlenen.

3.10 Op 14 december 2007 heeft [appellant] in de openbare registers als bedoeld in artikel 3:16 van het Burgerlijk Wetboek (BW) doen aantekenen dat hij hoger beroep heeft ingesteld van het vonnis van de rechtbank Almelo.

3.11 Op 14 december 2007 heeft [appellant] vervolgens meegewerkt aan het verlijden van de notariële akte van levering ten overstaan van genoemde notaris Van Goor, zulks onder voorbehoud van al zijn rechten. Een afschrift van deze akte is op diezelfde dag ingeschreven in de openbare registers.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [geïntimeerde] heeft als meest verstrekkend verweer in hoger beroep aangevoerd, dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat hij het ingestelde hoger beroep niet, zoals op straffe van niet-ontvankelijkheid is voorgeschreven in artikel 3:301 lid 2 BW, binnen acht dagen na het instellen daarvan heeft doen inschrijven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in artikel 433 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

[appellant] heeft dit beroep op niet-ontvankelijkheid bestreden.

4.2 Tussen partijen staat vast dat inschrijving in het rechtsmiddelenregister in de zin van art. 433 Rv door [appellant] niet heeft plaatsgevonden.

4.3 Vooropgesteld moet worden dat het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW ertoe strekt dat bij inschrijving van de uitspraak op de voet van art. 3:89 lid 1 BW zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de beroepstermijn verstreek geen rechtsmiddel is ingesteld. Zulks is van belang met betrekking tot de ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid. Uit constante jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat dit voorschrift strikt gehandhaafd dient te worden.

Het voorschrift strekt er niet toe het belang van de wederpartij van degene die het rechtsmiddel heeft ingesteld te beschermen, maar strekt ertoe de betrouwbaarheid van de openbare registers met het oog op de ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid zoveel mogelijk te waarborgen. Er is geen plaats voor onderzoek door de rechter naar de vraag of sprake is (geweest) van benadeling van derden als gevolg van dit verzuim.

Weliswaar is de sanctie van niet-ontvankelijkheid die art. 3:301 lid 2 BW verbindt aan het verzuim om het rechtsmiddel tijdig in te schrijven ingrijpend, maar de wetgever heeft bij deze wettelijke regeling bewust voor deze sanctie gekozen (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1401-1402). Bij dit alles moet nog bedacht worden dat het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW een eenvoudige formaliteit behelst, zodat de naleving daarvan voor de aanlegger niet bezwaarlijk is (HR 4 mei 2007, NJ 2008, 140 en 141).

4.4 De omstandigheden dat door de niet-inschrijving in het rechtsmiddelenregister geen belangen van derden zijn geschaad, dan wel dat [appellant] op 14 december 2007 het door hem ingestelde hoger beroep in de openbare registers heeft doen inschrijven en diezelfde dag - onder protest - zijn medewerking heeft verleend aan het verlijden van de akte van verdeling en levering, zoals bij het pleidooi is gebleken, kunnen hieraan niet afdoen. De strekking van voornoemde arresten van de Hoge Raad is immers dat voor de beoordeling van de ontvankelijkheid slechts van belang is of de appellant heeft voldaan aan de eenvoudige formaliteit van inschrijving in het rechtsmiddelenregister. Voornoemde omstandigheden kunnen de niet tijdige inschrijving dan ook niet helen.

4.5 Aan de niet-ontvankelijkheid staat evenmin in de weg dat in het bestreden vonnis is bepaald dat het in de plaats treden daarvan van de akte van levering eerst mogelijk is indien [appellant] in gebreke blijft zijn medewerking te verlenen, dan wel dat [appellant] op 14 december 2007 (onder protest) aan het verlijden van de akte van levering heeft meegewerkt. Deze omstandigheden doen er niet aan af dat het bestreden vonnis dient te worden aangemerkt als een uitspraak zoals bedoeld in art. 3:300 lid 2 en 3:301 lid 1 BW, waarvoor geldt dat het rechtsmiddel van hoger beroep op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen ervan dient te worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister.

4.6 Het hof verwerpt verder het betoog van [appellant] dat het onderhavige geding niet gaat om onenigheid over de vraag of de onroerende zaken aan [geïntimeerde] of [appellant] toegedeeld moeten worden, maar uitsluitend betrekking heeft op de omvang van het bedrag waarop [appellant] recht heeft na toedeling van de onroerende zaken aan [geïntimeerde], zodat daarom het vereiste van art. 3:301 lid 2 BW niet van toepassing zou zijn.

[geïntimeerde] heeft gevorderd om [appellant] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het verlijden van de akte van levering, op straffe van verbeurte van een dwangsom, dan wel te bepalen dat het te wijzen vonnis in plaats treedt van deze akte. [appellant] heeft geen reconventionele vordering ingesteld. Het gaat in dit geding enkel om de vraag of [appellant] gehouden is mee te werken aan levering van de onroerende zaken aan [geïntimeerde] in verband met de verdeling daarvan. Het bestreden vonnis bevat geen geschilpunten die geen betrekking hebben op het in de plaats treden van het vonnis voor de akte van levering (vgl. HR 24 december 1999, NJ 2000, 495). De niet-ontvankelijkheid treft dan ook de gehele vordering in hoger beroep.

4.7 Het voorgaande brengt mee dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.

4.8 Het hof ziet aanleiding – met name in de omstandigheid dat [appellant] heeft verzuimd het hoger beroep in te schrijven in het rechtsmiddelenregister en desondanks de procedure heeft voortgezet – om [appellant] in de kosten van het hoger beroep te veroordelen.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Almelo van 21 november 2007;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 300,- voor griffierecht.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, C.G. ter Veer en B.F. Keulen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2009