Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ3236

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
200.001.761
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2007:BB2038, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschade na aanrijding; hoogte van smartengeld en schadevergoeding wegens verlies van arbeidsvermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.001.761

(zaaknummer rechtbank 137791)

arrest van de derde civiele kamer van 14 juli 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de naamloze vennootschap N.V. Interpolis Schade,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerden,

advocaat: mr. F.J. Boom.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 26 april 2006, 1 november 2006 en 15 augustus 2007, die de rechtbank Arnhem tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerden (hierna gezamenlijk ook te noemen: Interpolis c.s., en afzonderlijk: [geïntimeerde sub 1], respectievelijk Interpolis) als gedaagden heeft gewezen. Van de vonnissen van 1 november 2006 en 15 augustus 2007 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 8 november 2007 Interpolis c.s. aangezegd van de vonnissen van 1 november 2006 en 15 augustus 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Interpolis c.s. voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof het vonnis van 15 augustus 2007 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, Interpolis c.s. hoofdelijk zal veroordelen aan hem te voldoen

(i) een bedrag van € 5.970,49 (25% van € 23.881,97) wegens materiële schade,

(ii) een bedrag van € 72.359,25 (25% van € 289.437,-) wegens verlies arbeidsvermogen,

(iii) een bedrag van € 17.500,- (25% van € 70.000,-) wegens immateriële schade (smartengeld),

althans telkens door het hof vast te stellen bedragen,

te vermeerderen met de wettelijke rente

(iv) vanaf 15 februari 2006 over de vorderingen wegens materiële schade en verlies arbeidsvermogen en

(v) vanaf 22 oktober 1995 over de vordering wegens immateriële schade,

telkens tot de dag der algehele voldoening,

(vi) een bedrag van € 2.842,- wegens buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2006 tot de dag der algehele voldoening, althans een door het hof vast te stellen bedrag,

(vii) de kosten van het geding (in beide instanties), daaronder begrepen (na)salaris procureur en/of (na) kosten van een eventuele executie.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben Interpolis c.s. de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Zij hebben geconcludeerd dat het hof [appellant] niet ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans de vordering van [appellant] zal afwijzen met instandhouding van de vonnissen van 1 november 2006 en 15 augustus 2007, zonodig onder verbetering van gronden, met veroordeling van [appellant] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Partijen hebben de zaak schriftelijk doen bepleiten en ieder pleitnotities in het geding gebracht. Aan de pleitnotities van Interpolis c.s. is een reactie op de pleitnotitie van [appellant] gehecht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3. De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het vonnis van 1 november 2006 onder 2.1 tot en met 2.7 feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen bezwaren geuit. Ook het hof zal van die feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellant] heeft bij een verkeersongeval op 22 oktober 1995 letsel opgelopen. Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde sub 1] 25% van de schade van [appellant] als gevolg van dit ongeval dient te vergoeden. In zoverre dient Interpolis als WAM-verzekeraar van [geïntimeerde sub 1] de schade van [appellant] te vergoeden.

[appellant] vordert in dit geding schadevergoeding als gevolg van het ongeval. De rechtbank heeft de vordering wegens materiële schade grotendeels toegewezen evenals de daarover gevorderde rente, de vordering wegens verlies arbeidsvermogen afgewezen, het gevorderde smartengeld toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 1995, met afwijzing van het meerdere, en de gevorderde buitengerechtelijke kosten afgewezen.

4.2 Met grief I keert [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank (vonnis van 15 augustus 2007, r.o. 2.4) dat – kort gezegd – niet aannemelijk is dat hij als gevolg van het ongeval van 22 oktober 1995 schade lijdt wegens verlies van arbeidsvermogen.

4.3 Aan [appellant] is voorafgaand aan dit oordeel in eerste aanleg opgedragen te bewijzen

1) dat hij vlak voor het ongeval van 22 oktober 1995 vergevorderde plannen had om kort na zijn WAO-herbeoordeling in november 1995 als zelfstandige zonder personeel een onderneming te starten,

2) dat hij tijdens de laatste WAO-herbeoordeling in 1994 enkel nog op psychische gronden arbeidsongeschikt was en

3) dat hij op het moment van het ongeval geen psychische en/of lichamelijke beperkingen meer ondervond om als zelfstandig ondernemer aan de slag te gaan.

4.4 Nadat [appellant] in eerste aanleg getuigen had doen horen, Interpolis c.s. hadden afgezien van contra-enquête en partijen conclusies na enquête hadden genomen, heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] in het onder 1) vermelde bewijs niet was geslaagd en daarom niet meer hoefde te worden beoordeeld of [appellant] in het onder 2) en 3) vermelde bewijs was geslaagd. De rechtbank oordeelde vervolgens dat het gestelde verlies van arbeidsvermogen niet aannemelijk was geworden, ook voor zover [appellant] dit mede baseerde op inkomsten uit het opknappen en verhuren van daartoe aangekocht onroerend goed. Zijn stellingen daaromtrent waren volgens de rechtbank vaag gebleven en wisselend gebleken. Op grond van de verklaring van zijn echtgenote, aangevuld met zijn verklaring als partijgetuige, vond de rechtbank niet aannemelijk geworden dat hij voldoende concrete plannen in die richting had. Op deze gronden is de vordering wegens verlies van arbeidsvermogen in eerste aanleg afgewezen.

4.5 [appellant] komt terecht niet op tegen het oordeel dat het aan hem is om tegenover de betwisting van Interpolis c.s. aannemelijk te maken dat hij schade lijdt wegens verlies van arbeidsvermogen. Van deze bewijslastverdeling gaat het hof uit.

4.6 De vraag of [appellant] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden en lijdt door verlies van arbeidsvermogen, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Hierbij komt het aan op de redelijke verwachting van het hof omtrent toekomstige ontwikkelingen.

4.7 [appellant] voert aan dat hij wel is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Hij stelt dat hij heeft bewezen dat hij in 1995 vergevorderde plannen had om na zijn WAO-herkeuring als zelfstandige zonder personeel aan de slag te gaan. Naast zijn eigen verklaring en die van zijn echtgenote, wordt die stelling volgens hem bevestigd en onderbouwd door de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], de schriftelijke verklaring van zijn huisarts [persoon A] en de getuigenverklaring van zijn voormalige advocaat [persoon B]. [appellant] wijst verder op de door hem overgelegde schriftelijke verklaringen van [persoon C] en verzoekt het hof om [persoon C] nogmaals als getuige te horen en hem te confronteren met de verklaring van [persoon B], die volgens hem overeenkomt met de eerdere verklaring van hemzelf.

4.8 Het hof leidt uit de getuigenverklaring van de echtgenote van [appellant], aangevuld met zijn verklaring als partijgetuige, af dat [appellant] de wens had om in 1995 na zijn WAO-herkeuring als zelfstandige zonder personeel aan de slag te gaan. Uit de getuigenverklaringen van [persoon C], [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] leidt het hof af dat [appellant] vóór het ongeval met hen over zijn wens heeft gesproken en dat hij destijds dacht zijn wens in 1996 te kunnen verwezenlijken. Het behoeft dus geen toelichting dat het ongeval deze wens van [appellant] heeft doorkruist.

4.9 Uit geen van de getuigenverklaringen is echter af te leiden dat [appellant] in vervolg op deze wens vlak voor het ongeval van 22 oktober 1995 vergevorderde plannen had om kort na zijn WAO-herbeoordeling in november 1995 als zelfstandige zonder personeel een onderneming te starten. Ook anderszins blijkt daarvan niet uit overgelegde bewijsstukken.

4.10 In het bijzonder blijkt niet dat [appellant] kort voor het ongeval bezig was met de gebruikelijke voorbereidingen voor de start van een onderneming als zelfstandige zonder personeel, bijvoorbeeld het voorbereiden en opstellen van een ondernemingsplan, het onderzoeken van de eventuele financieringsbehoefte al dan niet in overleg met een bank, het inwinnen van informatie bij de Kamer van Koophandel en/of de Belastingdienst, en dergelijke. De stelling dat hij de WAO-herkeuring van november 1995 wilde afwachten, biedt geen afdoende verklaring voor het ontbreken van concrete aanwijzingen dat [appellant] kort voor het ongeval vergevorderde plannen had om als zelfstandige zonder personeel aan de slag te gaan, omdat onderdeel van de bewijsopdracht is dat hij kort na die WAO-herbeoordeling en dus enkele weken na de keuring als zelfstandige zonder personeel aan de slag had willen gaan. Ook de stelling dat voorbereidingen niet nodig waren en er werk genoeg zou zijn in de directe omgeving, biedt daarvoor geen afdoende verklaring. Zonder toelichting, die ontbreekt, is namelijk niet in te zien dat [appellant] het inkomensverlies als gevolg van de beëindiging van de WAO-uitkering, doordat hij als zelfstandige zonder personeel aan de slag zou gaan, niet hoefde te overbruggen in afwachting van de uitvoering en betaling van na de start van zijn onderneming zonder enige voorbereiding verkregen opdrachten.

4.11 In een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen in het kader van de beoordeling van de vraag of [appellant] als gevolg van het ongeval verlies van arbeidsvermogen lijdt, past naar het oordeel van het hof niet dat kort voor de beoogde start van de onderneming ieder teken van voorbereiding van de uitvoering van zijn wens ontbreekt. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vlak voor het ongeval van 22 oktober 1995 vergevorderde plannen had om kort na zijn WAO-herbeoordeling in november 1995 als zelfstandige zonder personeel een onderneming te starten. [appellant] heeft bewijs aangeboden, zowel in het algemeen (memorie van grieven, p. 16) als specifiek (memorie van grieven nr. 34) tot het nogmaals horen van [persoon C] als getuige om hem te confronteren met de latere getuigenverklaring van [persoon B]. Zijn bewijsaanbiedingen strekken echter niet tot het bewijs van feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot een ander oordeel over de onder 4.10 besproken kwestie en worden daarom verworpen.

4.12 [appellant] verzoekt het hof desondanks te beoordelen of hij in het in r.o. 4.3 onder 2) en 3) vermelde bewijs is geslaagd.

4.13 Het feit dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vlak voor het ongeval van 22 oktober 1995 vergevorderde plannen had om kort na zijn WAO-herbeoordeling in november 1995 als zelfstandige zonder personeel een onderneming te starten, staat naar het oordeel van het hof in de weg aan de conclusie dat hij als gevolg van het ongeval schade lijdt wegens verlies van arbeidsvermogen. Dat is ook het geval wanneer hij aannemelijk heeft gemaakt hetgeen in 4.3 onder 2) en 3) is vermeld. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om in te gaan op hetgeen [appellant] aanvoert ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij is geslaagd in het in r.o. 4.3 onder 2) en 3) vermelde bewijs.

4.14 [appellant] legt aan zijn stelling dat hij als gevolg van het ongeval schade lijdt wegens verlies van verdienvermogen verder ten grondslag dat hij voorafgaand aan het ongeval tevens voornemens was om inkomsten te gaan verwerven uit het opknappen en verhuren van daartoe aangekocht onroerend goed. Volgens [appellant] heeft hij dit aannemelijk gemaakt met de getuigenverklaringen van hemzelf en zijn echtgenote. Interpolis c.s. hebben dit bestreden.

4.15 [appellant] heeft als getuige verklaard dat hij het werk als zelfstandige zonder personeel had willen combineren met opknapwerkzaamheden. Hij heeft verklaard dat zijn broer in het verleden de aankoop van een pand heeft geregeld, dat hij, [appellant], zich korte tijd met verhuurzaken ten aanzien van dat pand heeft beziggehouden, en dat hij het opknapwerk deed. Iets dergelijks had hij zelfstandig naast zijn werk als zelfstandige zonder personeel willen gaan doen, zo heeft hij verklaard. Zijn echtgenote heeft verklaard dat hij het plan had het pand dat hij samen met zijn broer bezat, te blijven onderhouden en deze onderneming misschien uit te breiden, en dat haar echtgenoot in de samenwerking met zijn broer het onderhoud en de verbouwing deed.

4.16 Het hof is van oordeel dat met de verklaring van de echtgenote van [appellant], aangevuld met zijn verklaring als partijgetuige, in het kader van redelijke verwachtingen omtrent toekomstige ontwikkelingen niet aannemelijk is geworden dat [appellant] in de situatie waarin het ongeval zich niet had voorgedaan, het werk als zelfstandige had gecombineerd met opknapwerkzaamheden in de door hem gestelde zin. De desbetreffende wens van [appellant] is op zichzelf onvoldoende om aannemelijk te achten dat hij als gevolg van het ongeval verlies van arbeidsvermogen lijdt. Ook hier ontbreken immers concrete aanwijzingen zoals genoemd onder 4.10, die erop zouden kunnen duiden dat hij voorafgaand aan het ongeval doende was zijn wens te verwezenlijken.

4.17 Op grond van het voorgaande is niet aannemelijk dat [appellant] als gevolg van het ongeval verlies van arbeidsvermogen lijdt. Grief I slaagt niet.

4.18 Met grief II bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank (vonnis van 15 augustus 2007, r.o. 2.8) dat wegens smartengeld een bedrag van € 10.000,- toewijsbaar is. Daartoe stelt hij dat hij voor de bepaling van het aan hem toe te kennen smartengeld de deskundige Tijbout heeft ingeschakeld, volgens wie € 70.000,- een passend smartengeld is. [appellant] wijst ter onderbouwing van het gevorderde bedrag op een vonnis van de rechtbank Utrecht van 8 januari 2003, Smartengeldgids 2003, nr. 245. Hij bestrijdt dat het rapport van dr. Mirandolle (productie 2 bij conclusie van antwoord) tot uitgangspunt kan worden genomen bij de begroting van het smartengeld. Slechts het in dit rapport vermelde percentage invaliditeit is volgens hem relevant. Indien het rapport van dr. Mirandolle wordt meegewogen, dienen alle medische rapportages in de begroting van het smartengeld te worden betrokken en wenst hij terzake nadere stukken in het geding te brengen.

4.19 Volgens Interpolis c.s. moet bij de begroting van het smartengeld aansluiting worden gezocht bij de uitspraken die zijn opgenomen in de Smartengeldgids 2003 onder nummers 233, 234 en 235. Interpolis c.s. wijzen erop dat Tijbout eenzijdig is ingeschakeld door [appellant] en niet motiveert waarom hij het bedrag van € 70.000,- passend vindt. Volgens hen is in het door de rechtbank begrote bedrag met alle relevante gegevens rekening gehouden.

4.20 De stelling van [appellant] dat Tijbout € 70.000,- een passend smartengeld vindt, behoeft bij gebreke van onderbouwing door Tijbout geen verdere bespreking.

4.21 Bij de begroting van het smartengeld naar billijkheid dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder in ieder geval de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan [geïntimeerde sub 1] te maken verwijt en de aard, ernst en duur van het geconstateerde letsel. Daarbij wordt acht geslagen op de bedragen die in vergelijkbare gevallen door de rechter zijn toegekend.

4.22 Aldus weegt allereerst mee dat het om verkeersaansprakelijkheid gaat en [geïntimeerde sub 1] als automobilist [appellant] als motorrijder heeft aangereden, terwijl haar daarvan een verwijt te maken valt.

4.23 In het kader van de aard, ernst en duur van het geconstateerde letsel weegt het hof het volgende mee. [appellant] was ten tijde van het ongeval 43 jaar. Hij heeft bij het ongeval onder andere een hersenschudding, een gescheurde lever en milt, een sleutelbeenfractuur links, een opperarmbeenfractuur links, een shocklong, een aandoening aan een aantal zenuwen met als gevolg gevoelsstoornissen en pijn, botvorming bij gewrichten, en uitval van diverse zenuwen aan arm en been opgelopen. Hij heeft na het ongeval tot maart 1996 in het ziekenhuis en aansluitend in een revalidatiecentrum verbleven. Hij heeft verscheidene operaties moeten ondergaan, die eveneens gepaard gingen met ziekenhuisopnames. Hij heeft een langdurige revalidatie doorgemaakt. Hij heeft moeite met de acceptatie van de blijvende gevolgen van het ongeval. De mate van invaliditeit als gevolg van het ongeval is op 55-58% van de gehele mens te stellen. Voorafgaand aan het ongeval was hij sinds enkele jaren 80-100% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO. In dit geding is niet komen vast te staan dat hij verlies van arbeidsvermogen lijdt als gevolg van het ongeval. Wel wordt rekening gehouden met het feit dat het ongeval zijn wens heeft doorkruist om uit de WAO te geraken en in de toekomst als zelfstandige zonder personeel aan de slag te gaan. Vast staat dat hij als gevolg van het ongeval verlies wegens zelfwerkzaamheid heeft. Voor het ongeval was hij, mede gezien zijn beroep als timmerman, in staat allerlei werkzaamheden in en om het huis zelf te verrichten. Door het ongeval is hij daarin ernstig beperkt. Verder herstel van zijn klachten en beperkingen als gevolg van het ongeval is niet te verwachten.

4.24 Het hof ziet in de door [appellant] aangehaalde uitspraak uit de Smartengeldgids 2003, nr. 245, wel enkele aanknopingspunten voor de begroting van het smartengeld, maar het hof ziet daar ook aspecten van het letsel vermeld die zich bij [appellant] niet hebben voorgedaan, zoals een verblijf van 3,5 jaar in een verpleeghuis, ongeveer een jaar niet kunnen praten, cognitieve stoornissen als gevolg van het ongeval en rolstoelafhankelijkheid. Dit zijn punten die gezien hun ernst en invloed op het dagelijks leven zwaar wegen bij de begroting van het smartengeld.

4.25 Bij vergelijking van de eerste twee door Interpolis c.s. aangehaalde zaken met de hiervoor onder 4.23 vermelde feiten en omstandigheden, die het hof meeweegt in de situatie van [appellant], valt op dat de benadeelde in die twee zaken, anders dan [appellant], tevens restgevolgen van een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval ondervindt. Het derde geval heeft als opvallend verschil met de zaak van [appellant] dat de benadeelde ten tijde van het ongeval 17 jaar was. Wanneer de toekomstverwachtingen van de benadeelde op jeugdige leeftijd zijn doorkruist, werkt dat in de verhouding tot de aansprakelijke partij in het algemeen smartengeldverhogend. In dit derde geval werd in 1992 een smartengeld van € 34.034,- toegekend, dat omgerekend naar heden neerkomt op € 49.526,- (Smartengeldgids 2009, nr. 349).

4.26 Het hof vergelijkt de hiervoor onder 4.22 en 4.23 vermelde feiten en omstandigheden in het bijzonder nog met Smartengeldgids 2009, nrs. 342-358, die een bandbreedte bestrijken tussen € 40.000,- en € 74.000,- bij hoofd-, hersen- en zenuwletsel en psychische schade. Dan valt op dat het bij toekenning van hogere bedragen dan € 40.000,- gaat om benadeelden die aanzienlijk jonger waren dan [appellant] ten tijde van het ongeval, en/of als gevolg van het ongeval een hersenbeschadiging met blijvende gevolgen hebben, en/of als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt zijn. Bij [appellant] is daarentegen tevens sprake van arm- en beenletsel met blijvende klachten en beperkingen, hetgeen niet voor al de genoemde gevallen geldt.

4.27 Gezien al het voorgaande en alles afwegende acht het hof een smartengeld van € 40.000,- in dit geval billijk. Naar niet in geschil is, is daarvan 25% oftewel € 10.000,- toewijsbaar.

4.28 Nu het hof het rapport van dr. Mirandolle niet gebruikt bij de begroting van het smartengeld, behoeft geen bespreking dat [appellant] bewijsstukken wenst over te leggen wanneer het hof dit rapport wel had willen gebruiken bij de begroting van het smartengeld.

4.29 De slotsom is dat grief II faalt.

4.30 Grief III is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (vonnis van 15 augustus 2007, r.o. 2.7, in combinatie met het tussenvonnis van 1 november 2006, r.o. 4.6 en 4.7) dat wegens reiskosten een vergoeding van € 0,32 per kilometer toewijsbaar is. [appellant] klaagt dat de rechtbank hem nimmer in de gelegenheid heeft gesteld dit bedrag nader toe te lichten. Hij meent van een zeer redelijke kilometervergoeding te zijn uitgegaan. Hij baseert het gevorderde bedrag van € 0,32 per kilometer op een gemiddelde aan benzinekosten, wegenbelasting en autoverzekering per gereden kilometer in de periode waarop de vordering wegens reiskosten betrekking heeft. De feitelijk gemaakte reiskosten lagen volgens hem beduidend hoger dan de door de rechtbank gehanteerde normbedragen van het Nationaal Platform Personenschade (NPP). [appellant] meent dat het oordeel van de rechtbank onjuist, onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is.

4.31 Interpolis c.s. voeren aan dat zij zich bereid hebben verklaard, hoewel het aantal kilometers niet bewezen was, tot vergoeding van het gevorderde aantal kilometers tegen een tarief van € 0,21 per kilometer overeenkomstig de aanbeveling van het NPP voor het jaar 2006. Zij bestrijden dat [appellant] aanspraak heeft op een hogere vergoeding per kilometer.

4.32 [appellant] stelt weliswaar dat zijn feitelijke reiskosten per kilometer beduidend hoger zijn dan € 0,21, maar zijn toelichting zoals weergegeven onder 4.30 bevat onvoldoende aanknopingspunten om de werkelijke reiskosten op een hoger bedrag te begroten en is ook onvoldoende om te kunnen dienen als onderbouwing van een schatting op een hoger bedrag per kilometer dan het toegewezen bedrag van € 0,21 per kilometer. Grief III slaagt evenmin.

4.33 Grief IV betreft de afwijzing van de vordering wegens buitengerechtelijke kosten (vonnis van 15 augustus 2007, r.o. 2.9). [appellant] stelt dat zijn vordering is gegrond op het bepaalde in artikel 6:96 BW in verbinding met het Rapport Voorwerk II. [geïntimeerde sub 1] heeft een wettelijke verplichting tot schadevergoeding jegens hem. Het betreft geen kosten ter instructie van de zaak waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden. De vordering is bij inleidende dagvaarding voldoende toegelicht. Tijdens de comparitie van partijen is niet om een toelichting verzocht, aldus steeds [appellant]. Hij biedt bewijs aan van zijn stellingen. Verder is volgens hem irrelevant dat hij een rechtsbijstandsverzekering heeft, waardoor hij zelf geen schade lijdt. Hij stelt dat het niet uitmaakt wie er wel of geen schade lijdt dan wel de toegewezen buitengerechtelijke kosten ontvangt, omdat alleen relevant is of de buitengerechtelijk door hem verrichte werkzaamheden een dergelijke kostenvergoeding rechtvaardigen.

4.34 Volgens Interpolis c.s. lijdt [appellant] geen schade wegens buitengerechtelijke kosten, doordat de kosten van zijn raadsman volledig door de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] zijn vergoed.

4.35 Op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 onder c BW, waarop [appellant] de vordering kennelijk baseert, heeft [appellant] aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten als gevolg van het ongeval indien het redelijke kosten betreft die hij in redelijkheid heeft gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Het verweer van Interpolis c.s. komt erop neer dat, ook indien [appellant] dergelijke kosten heeft gemaakt, [appellant] op dit punt geen vermogensschade lijdt doordat de kosten reeds zijn betaald door zijn rechtsbijstandsverzekeraar. Gezien dit verweer dient in dit geval, anders dan [appellant] betoogt, de toewijsbaarheid van de vordering niet alleen te worden beoordeeld naar de maatstaven van artikel 6:96 lid 2 onder c BW, maar dient ook vast te staan dat zijn vordering terzake nog niet is voldaan. [appellant] heeft niet betwist dat zijn rechtsbijstandsverzekeraar de gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft voldaan. Het hof moet daarvan dus uitgaan. Dat betekent dat [appellant] geen schade heeft geleden, hetgeen wel een voorwaarde is voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten. Het bewijsaanbod van [appellant] strekt er slechts toe dat het hof vaststelt dat aan de maatstaven van artikel 6:96 lid 2 onder c BW is voldaan en wordt daarom als niet terzake dienend gepasseerd. Grief IV faalt eveneens.

4.36 Grief V strekt ertoe dat Interpolis c.s. alsnog worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van [appellant]. [appellant] stelt dat hij in eerste aanleg in overwegende mate in het gelijk is gesteld en dat dit wordt bevestigd doordat hij in hoger beroep beoordeling van alle vorderingen in volle omvang wenst. Het hof oordeelt hierover als volgt.

4.37 De vordering van [appellant] bedraagt in totaal ruim € 98.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente. In eerste aanleg is hiervan in totaal een bedrag van € 15.391,34, te vermeerderen met wettelijke rente, toegewezen. Daarmee zijn Interpolis c.s. naar het oordeel van het hof in dit geval niet te beschouwen als de in eerste aanleg grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 237 lid 1 Rv. De stelling van [appellant] dat zijn grieven de strekking hebben om de zaak in volle omvang aan het oordeel van het hof voor te leggen, leidt niet tot een ander oordeel. Grief V faalt.

4.38 Ook anderszins verbindt het hof geen gevolgen aan de stelling van [appellant] dat de grieven de strekking hebben om de zaak in volle omvang aan het oordeel van het hof voor te leggen. Nu hij buiten het door de grieven ontsloten, hiervoor besproken gebied geen andere grieven aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, kan het hof niet verder in de beoordeling van de zaak treden.

4.39 [appellant] heeft een algemeen bewijsaanbod gedaan, maar hij heeft geen feiten of omstandigheden gesteld en te bewijzen aangeboden die kunnen leiden tot een ander oordeel dan hiervoor is gegeven. Het bewijsaanbod wordt daarom verworpen.

5. Slotsom

De grieven falen, zodat de bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 1 november 2006 en 15 augustus 2007;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Interpolis c.s. begroot op € 3.262,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 3.365,- voor griffierecht.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A Dozy, B.J. Lenselink en G. de Groot, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2009.