Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ3061

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
200.022.960
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 36 Pachtwet (oud)

Oud recht. De door de verpachter gedane kennisgeving van niet-verlenging (gedaan aan de enige pachter van dat moment) verhinderde dat de pachtovereenkomst van rechtswege werd verlengd.

Vervolgens was verlenging van de pachtovereenkomst alleen mogelijk op verzoek van de pachter. Die pachter heeft om verlenging verzocht, maar dat verzoek is afgewezen zonder dat tegen die beschikking hoger beroep is ingesteld. Daaruit volgt dat de pachtovereenkomst na ommekomst van de huidige pachttermijn eindigt.

De omstandigheid dat geïntimeerde bij vonnis van 11 juni 2007 als medepachter is aangemerkt, brengt in het vorenstaande geen verandering, omdat de beschikking in de verlengingsprocedure ten aanzien van hem geen andere beslissing bevat dan ten aanzien van zijn moeder; het verlengingsverzoek is immers zonder meer afgewezen. Dat de beschikking in de verlengingsprocedure geen rekening hield met zijn belang als medepachter, had voor geïntimeerde aanleiding kunnen zijn om tegen die beschikking hoger beroep in te stellen. Hij heeft dat nagelaten en moet daarvan de gevolgen dragen. Uit het vorengaande volgt dat geïntimeerde medepachter is geworden in een pachtverhouding die na ommekomst van de huidge pachttermijn eindigt.

De door geïntimeerde in dit geding verdedigde en in het bestreden vonnis aanvaarde opvatting, volgens welke het vonnis 11 juni 2007 tot gevolg had dat verpachter andermaal kennis diende te geven dat hij geen verlenging wenste, nu aan geïntimeerde, verdaagt zich niet met het stelsel van de Pachtwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2009/97

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.022.960

(zaaknummer rechtbank 219470)

arrest van de pachtkamer van 7 juli 2009

inzake

[appellant],

wonende te [adres],

appellant,

advocaat: mr. H.P. Abma,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [adres],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.K.E. Buysrogge.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 22 september 2008 en 22 december 2008, die de pachtkamer van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Gorinchem, tussen appellant (hierna: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna: [geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen. Van het vonnis van 22 december 2008 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 12 januari 2009 [geïntimeerde] aangezegd van genoemd vonnis van 22 december 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven en een “slotgrief” tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, en heeft hij geconcludeerd (deels door verwijzing naar de appeldagvaarding) dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, alsnog:

I. voor recht zal verklaren dat de pachtrelatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] eindigt per 1 november 2009;

II. [geïntimeerde] zal veroordelen het gepachte in de gemeente [...], per 1 november 2009, althans een door het hof vast te stellen datum, te ontruimen en te verlaten en in behoorlijke staat op te leveren en ter beschikking te stellen van [appellant], met machtiging van [appellant] om, indien [geïntimeerde] aan deze veroordeling niet zal voldoen, de ontruiming zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van justitie en politie;

III. [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling aan [appellant], tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van een bedrag aan buitengerechtelijke kosten op basis van twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, althans een zodanig bedrag als het hof zal vermenen te behoren;

IV. [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, salaris advocaat daaronder begrepen; een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en verweer gevoerd, en heeft hij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis, zo nodig met verbetering van gronden, zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2 [appellant] is eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [...], tezamen groot 3.97.00 ha.

3.3 Tussen de vader van [appellant] en de grootvader van [geïntimeerde] heeft van 1956 tot 1966 een pachtovereenkomst bestaan met betrekking tot bedoeld perceel. In 1966 hebben de vader en de oom van [geïntimeerde] de pachtovereenkomst overgenomen. Vanaf 1996 hebben zij hun bedrijf in maatschapsverband met ook [geïntimeerde] gevoerd. In 2003 is de vader van [geïntimeerde] overleden.

3.4 Bij overeenkomst tot wijziging van de pachtovereenkomst in mei 2005 is de oom van [geïntimeerde] gestopt als pachter en heeft de moeder van [geïntimeerde] de pachtovereenkomst voortgezet. Met ingang van 1 mei 2005 oefenen de moeder van [geïntimeerde] en [geïntimeerde] in maatschapsverband hun bedrijf uit.

3.5 [appellant] heeft bij brief van 26 oktober 2006 aan de moeder van [geïntimeerde] kennis gegeven geen verlenging van de pachtovereenkomst te wensen.

3.6 De moeder van [geïntimeerde] heeft op 24 november 2006 de pachtkamer te Gorinchem verzocht de pachtovereenkomst met zes jaar te verlengen. Tevens heeft zij gevorderd [geïntimeerde] aan te merken als medepachter.

3.7 Bij beschikking van 11 juni 2007 heeft de pachtkamer te Gorinchem het verzoek tot verlenging van de pachtovereenkomst afgewezen op de grond dat de moeder van [geïntimeerde] op 17 juli 2007 65 jaar werd. Bij vonnis van dezelfde datum heeft de pachtkamer te Gorinchem [geïntimeerde] als medepachter aangemerkt. Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld, noch tegen bedoelde beschikking noch tegen bedoeld vonnis.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de huidige pachttermijn per 1 november 2009 eindigt en ook niet dat dan de pacht ten aanzien van de moeder van [geïntimeerde] een einde neemt. Tussen hen is wel in geschil of de pacht ook ten aanzien van [geïntimeerde] eindigt. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat [appellant] – nadat [geïntimeerde] bij het onder 3.7 bedoelde vonnis medepachter was geworden – opnieuw overeenkomstig het tweede lid van artikel 36 Pachtwet kennis had dienen te geven dat hij geen verlenging wenste, nu aan het adres van [geïntimeerde] als medepachter. Volgens [appellant] heeft de onder 3.7 bedoelde beschikking tot gevolg dat de pacht eindigt, ook ten aanzien van [geïntimeerde].

4.2 In dit geding vordert [appellant] een verklaring voor recht dat de pachtovereenkomst tussen [geïntimeerde] en hem per 1 november 2009 eindigt, met veroordeling van [geïntimeerde] tot ontruiming en met nevenvorderingen. Bij het bestreden vonnis heeft de pachtkamer in eerste aanleg de vorderingen afgewezen. Daartegen komt [appellant] in dit hoger beroep op.

4.3 Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken.

4.4 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Waar het in dit geding gaat om de werking van de onder 3.7 bedoelde beschikking en het in dezelfde alinea bedoelde vonnis, die beide dateren van vóór

1 september 2007, blijft de Pachtwet echter van belang.

4.5 Het hof oordeelt als volgt. De onder 3.5 bedoelde kennisgeving (gedaan aan de enige pachter van dat moment, namelijk de moeder van [geïntimeerde]) verhinderde dat de pachtovereenkomst van rechtswege werd verlengd. Vervolgens was verlenging van de pachtovereenkomst alleen nog mogelijk op verzoek van de pachter. Het hof verwijst in dit verband naar artikel 36 Pachtwet. De moeder van [geïntimeerde] heeft als pachter om verlenging verzocht, maar dat verzoek is afgewezen zonder dat tegen die beschikking hoger beroep is ingesteld. Uit een en ander volgt dat de pachtovereenkomst na ommekomst van de huidige pachttermijn en dus per 1 november 2009 eindigt.

4.6 De omstandigheid dat [geïntimeerde] bij vonnis van 11 juni 2007 als medepachter is aangemerkt, brengt in het vorenstaande geen verandering, omdat de beschikking in de verlengingsprocedure ten aanzien van [geïntimeerde] geen andere beslissing bevat dan ten aanzien van diens moeder; het verlengingsverzoek is immers zonder meer afgewezen. Dat de beschikking in de verlengingsprocedure geen rekening hield met zijn belang als medepachter, had voor [geïntimeerde] aanleiding kunnen zijn om tegen die beschikking hoger beroep in te stellen. Hij heeft dat nagelaten en moet daarvan de gevolgen dragen. Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] medepachter is geworden in een pachtverhouding die per 1 november 2009 eindigt.

4.7 De door [geïntimeerde] in dit geding verdedigde en in het bestreden vonnis aanvaarde opvatting, volgens welke het vonnis van 11 juni 2007 tot gevolg had dat [appellant] andermaal kennis diende te geven dat hij geen verlenging wenste, nu aan [geïntimeerde], verdraagt zich niet met het stelsel van de Pachtwet, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen.

4.8 Uit het voorgaande volgt dat de grieven slagen. Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven en de vorderingen van [appellant] zijn alsnog toewijsbaar, met uitzondering van die met betrekking tot buitengerechtelijke kosten. Wat betreft die kosten is onvoldoende toegelicht dat sprake is van kosten anders dan die waarvoor de veroordeling in de proceskosten reeds een vergoeding insluit.

4.9 In overeenstemming met de vordering van [appellant] zal het hof zijn arrest wat betreft de daarin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Daarmee geeft het hof geen oordeel over de vatbaarheid van dit arrest voor cassatie in verband met het vervallen van artikel 134 Pachtwet per 1 september 2007 en de inwerkingtreding van onder meer artikel 1019q Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met ingang van dezelfde datum. Weliswaar heeft de Hoge Raad onlangs een beslissing gegeven over het overgangsrecht z zoals van toepassing op ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe pachtrecht reeds lopende procedures (beschikking van 19 december 2008, LJN BG3714, NJ 2009, 22), maar de reikwijdte van die beslissing – die anders dan de onderhavige procedure een verlengingsprocedure betrof – is niet geheel zeker.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Gorinchem, van 22 december 2008 en doet opnieuw recht;

verklaart voor recht dat de pachtrelatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] eindigt per 1 november 2009;

veroordeelt [geïntimeerde] het gepachte in de gemeente [...], per 1 november 2009 te ontruimen en te verlaten en in behoorlijke staat op te leveren en ter beschikking te stellen van [appellant], met machtiging van [appellant] om, indien [geïntimeerde] aan deze veroordeling niet zal voldoen, de ontruiming zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van justitie en politie;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] voor wat betreft de eerste aanleg begroot op € 300,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, op € 107,— voor griffierecht en op € 85,44 voor explootkosten en voor wat betreft het hoger beroep begroot op € 894,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, op € 254,— voor griffierecht en op € 85,98 voor explootkosten;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, M.M. Olthof en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2009.