Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ2749

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200.011.751
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet; werknemer volgt het protocol niet op. Is voldoende aannemelijk dat ontslag op staande voet is gerechtvaardigd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0551
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.011.751

(zaaknummer rechtbank 274.948 CV EXPL 08-5277)

arrest van de vijfde civiele kamer van 28 april 2009

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Kongsberg Actuations Systems B.V.,

gevestigd te Enschede,

appellante,

advocaat: mr. W.A.J. Hagen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.J. van Beek.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 12 juni 2008 dat de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede) tussen appellante (hierna ook te noemen: Kongsberg) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser in kort geding heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Kongsberg heeft bij exploot van 1 juli 2008 [geïntimeerde] aangezegd van dat vonnis van 12 juni 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Kongsberg twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Kongsberg van al hetgeen Kongsberg ter zake doorbetaling salaris en proceskostenveroordeling op grond van het vonnis van 12 juni 2008 aan [geïntimeerde] heeft voldaan, deze bedragen zal vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve betaaldata tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof Kongsberg in haar vordering niet ontvankelijk zal verklaren althans haar deze vorderingen zal ontzeggen, met veroordeling van Kongsberg in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep.

2.4 Vervolgens heeft Kongsberg de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de kantonrechter vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

3.2 In februari 1998 is [geïntimeerde] (geboren op [datum] 1978) in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) Kongsberg in de functie van operator. Met ingang van 1 februari 2004 vervulde [geïntimeerde] de functie van teamleider. Het laatste salaris van [geïntimeerde] bedroeg

€ 2.000,16 bruto per maand te vermeerderen met een ploegentoeslag van 25%, zijnde

€ 500,15 bruto per maand.

3.3 Naar aanleiding van een drietal incidenten (op 21 december 2007, in de nacht van 22 op 23 januari 2008 en 21 februari 2008) heeft Kongsberg [geïntimeerde] op 22 februari 2008 op staande voet ontslagen.

Incident 21 december 2007

3.4 Volgens het protocol moet de teamleider voor 15.00 uur ’s middags controleren of er voldoende controlekogels (afmeting circa 3,5 mm) aanwezig zijn. Op 21 december 2007 vanaf 18.30 uur was [geïntimeerde] vrij in verband met een feest. Er was geen plaatsvervangende teamleider. Rond 21.00 uur is [geïntimeerde] door een operator van zijn team gebeld omdat de controlekogels op waren. Hierop heeft [geïntimeerde] met de heer [persoon A] (de afdelingsmanager) gebeld, maar die beantwoordde de telefoon niet. Vervolgens heeft [geïntimeerde] geen verdere actie ondernomen. Het team dat om 22.00 uur de dienst van het team van [geïntimeerde] heeft overgenomen heeft geconstateerd dat er geen kogel in de leiding zat, maar is doorgegaan met de productie en heeft het product niet onder MRB gezet (hetgeen volgens het protocol zou moeten).

3.5 In januari 2008 blijkt – naar aanleiding van een klacht van een klant – dat de leidingen die op 21 december 2007 ‘s avonds/’s nachts zijn geproduceerd niet goed zijn. De oorzaak hiervan is dat zonder controlekogels is gewerkt. Naar aanleiding van deze klacht van een klant organiseert Kongsberg op 17 januari 2008 een bijeenkomst voor alle teamleiders, waaronder [geïntimeerde], waarbij het belang van de kwaliteit van de producten is benadrukt. Op 21 januari 2008 heeft een bijeenkomst voor alle medewerkers plaatsgevonden waarin het belang van systematiek, orde, netheid en discipline is benadrukt.

Incident 22-23 januari 2008

3.5 In de nacht van 22 op 23 januari 2008 is verschillende keren het alarm afgegaan. [geïntimeerde] danwel de collega van [geïntimeerde] heeft dit alarm afgezet, zonder de oorzaak van het alarm te onderzoeken of het product onder MRB te zetten. Dit is in strijd met het protocol.

3.6 Op 6 februari 2008 heeft Kongsberg een brief gestuurd aan [geïntimeerde] en daarin vermeld:

“Betreft: Officiële en allerlaatste waarschuwing

Geachte heer [geïntimeerde],

In navolging op ons gesprek van maandag 4 februari jl. doe ik u een officiële en allerlaatste waarschuwing toekomen.

Sinds de aanstelling van Dhr. [persoon A] in september 2007 als afdelingsmanager Extrusie en Braiding is de nadruk binnen ons productieproces komen te liggen op kwaliteitsverbetering, klachtenvermindering en rootcause analyses. Als teamleider bent u hierbij middels diverse teamoverleggen en presentaties betrokken geweest.

In week 50 2007 hebben Dhr. [persoon A] en ikzelf [de heer [persoon B]; toevoeging hof] alle operators en teamleiders een presentatie gegeven over kwaliteitsissues, hoe te handelen bij het afgaan van een alarm, dat producten alleen gereed gezet mogen worden als er geen enkele twijfel bestaat over de kwaliteit van de producten. Daar is ook gezegd dat de kwaliteit van onze producten altijd boven kwantiteit gaat en dat er geen consequenties zullen volgen voor afval. Onze klanten moeten ervan verzekerd zijn dat zij altijd kwalitatief hoogwaardige producten van ons ontvangen. U als teamleider was ervoor verantwoordelijk die kwaliteit ook te waarborgen.

Op 16 januari 2008 ontvingen wij een klacht van onze klant Landrover over geblokkeerde leidingen. We hebben geconstateerd dat u toen, geheel tegen de regels en procedures in, besloten heeft verder te produceren zonder kogel in de lijn. Uw excuus was dat de kogels op waren. Op de vraag waarom u het gereed product niet onder MRB gezet heeft, reageerde u laconiek en onverschillig. Ik kreeg de indruk dat het u allemaal niet zoveel deed. Het kon gebeuren en het zou niet weer gebeuren.

Op 17 januari 2008 zijn alle teamleiders, waaronder uzelf, als gevolg van deze klacht voor een ingelast teamleidersoverleg bij elkaar geroepen. Op de vraag of alle teamleiders er altijd 100% zeker van zijn dat hun producten kwalitatief 100% in orde zijn was u de enige die bevestigend antwoordde. Wederom is hier benadrukt dat dit soort acties absoluut niet kunnen en dat er bij herhaling verstrekkende consequenties zijn voor betrokken werknemers. Nadrukkelijk benoemt dat bij enige twijfel de producten onder MRB gezet dienen te worden. De verantwoordelijkheid van teamleiders houdt niet op bij het voeren van een stabiel productieproces, maar bij het gereed zetten van kwalitatief goede producten.

Op maandag 21 januari 2008 is onze European Operations Director, de heer [persoon C] ook weer als rechtstreeks gevolg van deze klacht een aantal dagen in Enschede geweest om met de afdeling Extrusie en Braiding root causes te bepalen en de principes van 5 S nieuw leven in te blazen.

In de nacht van 22 op 23 januari heeft u gewerkt en er is in die nacht meerdere malen het alarm afgegaan. Met de kennis en wetenschap nog vers in uw hoofd over hoe te handelen bij twijfel over de kwaliteit van de producten heeft u het alarm afgezet in de veronderstelling dat er water op de leiding zat en vervolgens geen vervolgonderzoek gedaan naar de oorzaak van het alarm. Ook heeft u, in tegenstelling tot de bekende procedures, het product niet onder MRB gezet voor nader onderzoek of uw afdelingshoofd geattendeerd op het herhaaldelijke alarm.

Op vrijdag 25 januari hebben dhr. [persoon A] en ondergetekende met u gesproken en wederom was uw reactie zeer laconiek en leek u niet doordrongen van de ernst van deze situatie. Ja, het alarm was afgegaan, maar er zat water op de leiding en u zag geen reden het product onder MRB te zetten. Gelukkig is het probleem intern ontdekt, maar ook hier hadden wij potentieel veel schade bij onze klanten kunnen veroorzaken.

Het vertrouwen in uw functioneren als teamleider is als gevolg van deze opeenstapeling van fouten en uw houding geheel verdwenen. Wij hebben u op maandag 4 februari jongstleden dan ook medegedeeld dat u met onmiddellijke ingang uit uw functie van teamleider wordt gezet en als operator in een ander team werkzaam mag blijven bij Kongsberg Automotive. Dit heeft u geaccepteerd.

Tot slot wijs ik u op het feit dat dit uw allerlaatste officiële waarschuwing is. Mocht zich in de toekomst een situatie voordoen waarbij aantoonbaar is dat u procedures niet gevolgd hebt, u onachtzaam heeft gehandeld of producten goedgekeurd heeft terwijl er gerede twijfel bestond over de kwaliteit zal dit onherroepelijk consequenties hebben in de vorm van ontslag op staande voet. (…)”

Incident 21 februari 2008

3.7 Op 21 februari 2008 is [geïntimeerde] bij een alarm aan een productielijn van een collega te hulp geschoten. Hij heeft samen met deze collega de storing conform het protocol opgelost. Korte tijd daarna is weer het alarm van deze productielijn afgegaan. De collega was op dat moment niet bij zijn productielijn en [geïntimeerde] is er naartoe gegaan. [geïntimeerde] heeft de storing verholpen, maar heeft er geen stuk leiding tussenuit geknipt en heeft het product ook niet onder MRB gezet (wat volgens het protocol zou moeten). De teamleider (de heer [persoon D]) heeft dit gezien en heeft [geïntimeerde] erop aangesproken. Uiteindelijk heeft [geïntimeerde] de storing conform het protocol opgelost.

3.8 Bij brief van 22 februari 2008 heeft Kongsberg [geïntimeerde] op staande voet ontslagen. In deze ontslagbrief staat onder meer:

“In navolging op ons gesprek van donderdag 21 februari jl. deel ik u hierbij mede dat wij u hierbij met onmiddellijke ingang op staande voet ontslaan.

U bent op 25 januari jl. geschorst vanwege de twee gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in december en januari 2008. De details rondom deze gebeurtenissen staan beschreven in uw officiële en allerlaatste waarschuwing van 6 februari (bijlage I).

(…)

Op donderdag 21 februari jl. was u werkzaam op lijn 4 van de afdeling Extrusie. Vervolgens is er een alarm afgegaan op lijn 5, waar op dat moment geen operator aanwezig was. Het alarm was kort daarvoor ook afgegaan bij lijn 5. De productie is toen door u en uw collega operator, de heer [persoon E], onderbroken, de lijn is teruggeknipt en het proces is opnieuw opgestart. Toen het alarm kort daarna weer ging bij lijn 5 bent u daar naartoe gegaan en heeft gekeken naar een mogelijke oorzaak van het alarm. Er was een doekje verschoven wat dient ter voorkoming van waterlekkage. U hebt het doekje teruggeschoven en de productie door laten lopen. Geheel tegen de regels en procedures in heeft u verzuimd de leiding door te knippen en het onder alarm geproduceerde product te isoleren. Uw teamleider, dhr. [persoon D], die verderop bezig was met de assistent afdelingshoofd, dhr. [persoon F] zag hoe u omging met dit alarm en is naar u toegekomen en heeft dit geconstateerd en u de opdracht gegeven alsnog de leiding terug te knippen tot het punt waarop het alarm was afgegaan. U reageerde in eerste instantie geïrriteerd en gaf aan dat het bedrijf dan maar een automatische hakker in de lijn zou moeten installeren, waarna u alsnog gehoor gaf aan de opdracht. Notabene, als de teamleider dat niet gezien zou hebben was het onopgemerkt gebleven met alle mogelijke gevolgen voor onze klanten vandien! (…)

Diezelfde middag om 13.00 uur hebben uw afdelingshoofd en de personeelsfunctionaris, mevrouw [persoon G], nogmaals met u gesproken. (…) Tijdens dit gesprek gaf u aan dat dit incident wat u betreft niks te maken had met kwaliteitsissues, maar met de relatie tussen u en uw teamleider, dhr. [persoon D]. (…) Wij hebben u uitgelegd dat uw relatie met uw teamleider hier niet aan de orde was, maar dat u niet correct gehandeld heeft na het afgaan van het alarm.

U stelt dat u niet verantwoordelijk was voor deze lijn, omdat u op lijn 4 werkzaam was. Wij hebben u uitgelegd dat u niet had hoeven reageren op het alarm, maar door het wel te doen en het opheffen van de alarminstallatie, zonder daarbij procedures van terugknippen of onder MRB zetten van het product, u wel degelijk verantwoordelijk bent geworden. (…) U zei dat u door uw jarenlange ervaring vond dat u wel kon inschatten of het noodzakelijk was om de lijn door te knippen. U hebt meerdere malen gezegd dat u vindt dat u goed werkt. Op de vraag hoe u er zo zeker van kon zijn dat er behalve water geen andere gebreken in de leiding konden zitten, moest u het antwoord schuldig blijven.

Wij hebben u gevraagd of u na de officiële waarschuwing en de gebeurtenissen van de afgelopen maanden begrepen had wat de procedures en regels omtrent kwaliteit waren. Of u begrepen had dat bij een alarm de productie stopgezet dient te worden, de lijn terug geknipt moet worden en het product onder MRB geplaatst moet worden. U hebt daarop geantwoord dat u deze regels en procedures duidelijk waren en dat u moest erkennen dat u wederom onjuist heeft gehandeld. (…)”

3.9 Bij bief van 2 april 2008 heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen en aangeboden zijn werkzaamheden te hervatten.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De eerste vraag die voorligt in dit hoger beroep is of er thans nog sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van [geïntimeerde]. Arbeid en loon dienen om in het levensonderhoud te voorzien. Daarom ligt het spoedeisend belang in de aard van de vordering van [geïntimeerde] besloten.

4.2 Beoordeeld dient te worden of voorshands voldoende aannemelijk is dat het ontslag op staande voet in een (eventuele) bodemprocedure zal standhouden. Hiertoe dienen de door Kongsberg aan [geïntimeerde] opgegeven dringende redenen te worden beoordeeld. Het gaat daarbij om de incidenten van 21 december 2007, van 22 op 23 januari 2008 en 21 februari 2008 welke hebben geleid tot het bij brief van 22 februari 2008 door Kongsberg aan [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet.

4.3 Het hof stelt voorop dat, gelet op de ingrijpende gevolgen van een ontslag op staande voet voor de werknemer, de daarvoor door de werkgever opgegeven reden zodanig dringend moet zijn, dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de arbeidsovereenkomst nog langer laat voortduren. Een dringende reden voor de werkgever bestaat ingevolge artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek (hierna ook te noemen: BW) in ‘daden, eigenschappen of gedragingen’ van de werknemer die tengevolge hebben dat ‘van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren’. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende reden sprake is dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.

4.4 Het hof is voorshands van oordeel dat thans niet voldoende aannemelijk is dat de rechter aan wie de onderhavige vordering in een bodemgeschil wordt voorgelegd, tot het oordeel zal komen dat de door Kongsberg aan [geïntimeerde] opgegeven dringende redenen het ontslag op staande voet kunnen dragen.

4.5 Met betrekking tot het eerste incident op 21 december 2007 is het hof van oordeel dat [geïntimeerde], toen de controlekogels op waren geen verantwoordelijkheid droeg voor de productie, [geïntimeerde] was op dat moment vrij. Kongsberg stelt in de procedure dat [geïntimeerde] heeft verzuimd die dag om 15.00 uur de controlekogels te controleren, maar [geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd betwist en Kongsberg heeft dit in de brief van 6 februari 2008 en de ontslagbrief van 22 februari 2008 ook niet aan [geïntimeerde] verweten noch aan het ontslag ten grondslag gelegd. Om die reden acht het hof het niet alleen niet aannemelijk dat [geïntimeerde] zou hebben verzuimd de controlekogels te controleren, maar kan die gestelde omstandigheid ook niet als redengevend voor het ontslag worden beschouwd. Het is Kongsberg die bij afwezigheid van een teamleider moet zorgen voor vervanging, dan wel ervoor moet zorgen dat de operators goed zijn geïnstrueerd. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] heeft gehandeld terwijl hij dit niet had hoeven doen. Niet gesteld of gebleken is bovendien dat door dit handelen gevolgen zijn ingetreden die zich zonder dit handelen niet zouden hebben voorgedaan. Dit eerste incident kan naar het voorlopig oordeel van het hof dan ook niet aan [geïntimeerde] worden toegerekend.

4.6 Het tweede incident op 22-23 januari 2008 is niet volgens het protocol afgehandeld. Door partijen zijn echter verschillende versies van dit incident naar voren gebracht. Kongsberg stelt dat [geïntimeerde] het alarm zelf op onjuiste wijze heeft afgehandeld. [geïntimeerde] stelt daarentegen dat een collega het alarm heeft afgehandeld en dat hij heeft verzuimd te controleren of het alarm op juiste wijze is afgehandeld. Aldus zou sprake zijn van een inschattingsfout van [geïntimeerde]. De daadwerkelijke gang van zaken met betrekking tot dit incident kan niet op eenvoudige wijze in de onderhavige kort gedingprocedure worden vastgesteld, zodat van de versie van Kongsberg niet kan worden uitgegaan. Het hof neemt dan ook tot uitgangspunt dat bij dit tweede incident sprake was van een inschattingsfout aan de zijde van [geïntimeerde]. Deze inschattingsfout kan [geïntimeerde], die op dat moment teamleider was, naar het voorlopig oordeel van het hof worden toegerekend.

4.7 Bij het derde incident op 21 februari 2008 heeft [geïntimeerde] bij het eerste alarm de storing samen met zijn collega volgens het protocol opgelost. Bij het tweede alarm is [geïntimeerde] op basis van zijn ervaring in eerste instantie afgeweken van het protocol. Nadat [geïntimeerde] hierop is aangesproken door zijn leidinggevende, heeft [geïntimeerde] het alarm uiteindelijk conform het protocol afgehandeld. Naar het voorlopig oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat, zoals Kongsberg stelt, [geïntimeerde] meermaals heeft geweigerd een opdracht uit te voeren, nu [geïntimeerde] dat gemotiveerd heeft betwist en in de ontslagbrief van 22 februari 2008 daarvan ook geen melding wordt gemaakt. Uit dit laatste volgt dat Kongsberg het gestelde meermalen weigeren een opdracht uit te voeren ook niet aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd. Evenals bij het eerste incident heeft ook hier te gelden dat [geïntimeerde] handelde terwijl hij geen verantwoordelijkheid had voor de productielijn waar het alarm afging. Door wel te handelen werd [geïntimeerde] weliswaar mede verantwoordelijk voor het op juiste wijze afhandelen van de storing, hetgeen uiteindelijk ook is gebeurd, maar deze inzet van [geïntimeerde] maakt naar het voorlopig oordeel van het hof dat het in eerste instantie op onjuiste wijze afhandelen van de storing [geïntimeerde] minder zwaar dient te worden toegerekend.

4.8 Bij de beoordeling van de drie incidenten neemt het hof tevens in aanmerking dat [geïntimeerde] al tien jaren bij Kongsberg werkte, dat uit de beoordelingsformulieren volgt dat [geïntimeerde] goed werkte – hetgeen ook blijkt uit de promotie van [geïntimeerde] naar teamleider in 2004 – en dat [geïntimeerde] bij het eerste en derde incident heeft gehandeld waar hij dat in beginsel niet had hoeven doen. Bovendien blijkt uit de stukken dat Kongsberg pas recentelijk, na de komst van de heer [persoon A] in september 2007, een ander beleid heeft ingevoerd, waarbij kwaliteit en niet kwantiteit voorop stond. Aldus is niet uit te sluiten dat [geïntimeerde] – zoals hij zelf stelt – nog niet (voldoende) aan deze cultuuromslag was gewend.

4.9 De drie incidenten in combinatie met de overige omstandigheden van het geval rechtvaardigen naar het voorshands oordeel van het hof het aan [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet niet. De grieven van Kongsberg falen dan ook.

Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Kongsberg in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede) van 12 juni 2008;

veroordeelt Kongsberg in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 632,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 254,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena, M.L. van der Bel en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2009.