Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ1486

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
08/00065
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting.

Belastingplicht voor stichting die als intermediair fungeert op het terrein van bedrijfsbeveiliging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1477

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummers 08/00065

uitspraakdatum: 23 juni 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Stichting X, gevestigd te Z (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 4 januari 2008, nummer AWB 07/395, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2003 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 14.959.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig in beroep gekomen. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 4 januari 2008 ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft bij faxbericht, ingekomen bij het Hof op 13 februari 2008, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009 te Arnhem. Belanghebbende is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door A, directeur van B Groep. Ook de Inspecteur is verschenen.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is een stichting die in 1994 is opgericht door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Q, de politie van de regio en de Industriële Kring. Deze partijen zijn in het bestuur van de stichting vertegenwoordigd. Tussen partijen wordt doorlopend overleg gevoerd, bijvoorbeeld om te komen tot incidentele aanvullende beveiliging van het bedrijventerrein X of het plaatsen van camera’s. De stichting heeft geen personeel in dienst.

2.2. In de akte van oprichting van belanghebbende is – voor zover van belang - het volgende bepaald:

“Artikel 2

De stichting heeft ten doel het bevorderen van een ongestoord gebruik van goederen en zaken op het bedrijventerrein X – en andere bedrijventerreinen in Q en omstreken – door de bij de stichting aangesloten ondernemers, alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen aldaar, en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.

Artikel 3

De stichting tracht dit doel ondermeer te bereiken door het (doen) aanbieden aan die aangeslotenen van een pakket van beveiligingsmiddelen en – maatregelen. Dit pakket wordt samengesteld door de gemeente Q, het politiekorps, en de bij de stichting aangesloten ondernemers, in nauw overleg met de beveiligingsbedrijfstak.”

2.3. De stichting is op 19 oktober 2001 met B Beveiligingsdiensten BV (hierna: B) een raamovereenkomst aangegaan voor de beveiliging van het bedrijventerrein X in Q. Daarvóór had de stichting een raamovereenkomst gesloten met beveiligingsbedrijf C. Met laatstgenoemd bedrijf was belanghebbende geen winstdelingsregeling overeengekomen.

2.4. De raamovereenkomst vermeldt – voor zover van belang – het volgende:

“1. Onderwerp van de overeenkomst

1.1. (…)

1.2. De Stichting X verplicht zich jegens B Beveiligingsdiensten om alle bij de Stichting X aangesloten Gebruikers, in kennis te stellen van de samenwerking tussen de Stichting X en B Beveiligingsdiensten en daarmee de Gebruikers te informeren omtrent het aanbod van beveiligingsdiensten van B Beveiligingsdiensten.

1.3. Het hiervoor vermelde aanbod van beveiligingsdiensten, hierna te noemen ‘dienstverlening’, heeft betrekking op collectieve surveillance, zijnde de basisdienstverlening en eventueel met de individuele Gebruikers overeen te komen andere (beveiligings-)diensten. Bijlage 2.

De basisdienstverlening en eventuele andere (beveiligings-)dienstverlening worden nader omschreven in bijlage 1.

(…)

4. Dienstverlening B Beveiligingsdiensten

4.1. B Beveiligingsdiensten spant zich in de door haar beveiligde en/of bewaakte objecten, goederen en personen op het bedrijventerrein zo goed mogelijk te beveiligen, met zorgvuldig op betrouwbaarheid en vakkennis geselecteerde werknemers.

4.2. B Beveiligingsdiensten verbindt zich jegens de Stichting X om aan alle Gebruikers de basisdienstverlening aan te bieden zoals omschreven in bijlage 1. Mogelijkheden van aanvullende dienstverlening ten behoeve van individuele Gebruikers zijn nader beschreven in bijlage 2.

4.3. (…)

4.4. B Beveiligingsdiensten draagt zorg voor doorlopende acquisitie op het bedrijventerrein X. (…)

5. Financiën

5.1. (…) Jaarlijks zal een begroting worden opgesteld waarin in ieder geval het totaal aantal uren en de daaraan verbonden kosten worden beschreven. Deze kosten worden verdeeld over de Gebruikers. De Stichting X is niet aansprakelijk voor eventuele exploitatie tekorten van B Beveiligingsdiensten.

5.2. (…)

5.3. B Beveiligingsdiensten verbindt zich jegens de Stichting X om van de, op basis van de door haar met Gebruikers gesloten overeenkomsten betreffende de basisdienstverlening, geïnde bedragen, die het totaal van het exploitatiebedrag van enig jaar te boven gaan, 50% jaarlijks af te dragen aan de Stichting.(…)

5.4. (…)

5.5. B Beveiligingsdiensten is verantwoordelijk voor de facturering aan de Gebruikers, evenals voor de incasso van alle facturen.”

2.5. Ongeveer 85% van de ondernemers van het bedrijventerrein neemt beveiligingsdiensten af van B. Bij aanvang van de samenwerking met B hebben deze ondernemers van belanghebbende een brief ontvangen, waarin de diensten van B onder de aandacht zijn gebracht. Indien een nieuw bedrijf zich op het bedrijventerrein vestigt, wordt deze door B benaderd.

2.6. Van 2001 tot en met 2006 heeft belanghebbende een positief resultaat behaald. De winst in het jaar 2003 bedroeg € 17.749. De winstreserves bedroegen ultimo 2003 € 65.885. Ultimo 2006 bedroeg het eigen vermogen van de stichting € 92.225 en bedroegen de liquide middelen € 57.889.

2.7. Belanghebbende heeft in 2007 beveiligingscamera's geleased en enige camera's aangeschaft. Door de betaalde leasevergoedingen en de afschrijving op de camera's bedraagt het bedrijfsresultaat in 2007 - zonder rekening te houden met een investeringsaftrek - € 8.300 negatief.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbende subjectief belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Daarbij zijn de volgende vragen aan de orde:

1. Is belanghebbende belastingplichtig op grond van artikel 2, lid 1, aanhef en letter d, dan wel artikel 4, aanhef en letter a, Wet Vpb (tekst 2003).

2. Bij een bevestigende beantwoording is nog de vraag of belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel is vrijgesteld van belastingplicht.

4. Beoordeling van het geschil

Onderneming

4.1. Ingevolge artikel 2, lid 1, aanhef en letter d, Wet Vpb (tekst 2003), is een stichting belastingplichtig indien en voor zover een onderneming wordt gedreven. Van het drijven van een onderneming is sprake indien met behulp van een organisatie van kapitaal en arbeid wordt deelgenomen aan het maatschappelijke verkeer met het oogmerk om daarmee winst te behalen. Voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende een onderneming drijft, is de aard van de werkelijke activiteiten beslissend.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een organisatie van kapitaal en arbeid drijft. Belanghebbende heeft dit desgevraagd ter zitting bevestigd. Partijen houdt verdeeld of sprake is van deelname aan het maatschappelijke verkeer met het oogmerk om winst te behalen.

4.3. Belanghebbende tracht haar doel te bereiken door het zoeken naar de beste aanbieder voor de beveiliging van het bedrijventerrein, met deze aanbieder een (raam)overeenkomst te sluiten, en vervolgens het met de aanbieder overeengekomen pakket van beveiligingsmaatregelen en -middelen aan te bieden aan de op het bedrijventerrein gevestigde ondernemers. Daarnaast zal belanghebbende, als de situatie daarom vraagt, de aanbieder zelf opdracht geven tot het verrichten van extra beveiligingsmaatregelen. Met deze werkzaamheden als intermediair neemt belanghebbende deel aan het maatschappelijke verkeer. Anders dan belanghebbende betoogt, is van een samenwerkingsverband met leden geen sprake, zodat niet gesproken kan worden van een organisatie met een besloten karakter. Een lidmaatschap van belanghebbende is immers niet mogelijk en ook worden er geen specifieke voorwaarden gesteld aan toetreding. Het pakket van beveiligingsmaatregelen en -middelen wordt aangeboden aan alle ondernemers op het bedrijventerrein, die de vrijheid hebben al dan niet op het aanbod in te gaan. De doelstelling van belanghebbende, zoals verwoord in de statuten, staat zelfs toe dat ook ondernemers op andere bedrijventerreinen in Q en omstreken beveiligingsdiensten via tussenkomst van belanghebbende afnemen. Dat de afnemers een beveiligingsovereenkomst aangaan met de aanbieder B en dat B verantwoordelijk is voor de facturering, doet niet af aan de werkzaamheden die belanghebbende als intermediair in het maatschappelijke verkeer heeft verricht.

4.4. In de raamovereenkomst tussen belanghebbende en B is bepaald dat van de door B verkregen inkomsten uit de basisdienstverlening, voor zover deze inkomsten een vooraf vastgesteld exploitatiebedrag overschrijden, 50% aan belanghebbende wordt afgedragen. Deze exploitatie-overschotten worden door belanghebbende niet doorbetaald aan de afnemers van de beveiligingsdiensten. De door belanghebbende gepleegde investeringen worden voor rekening en risico van belanghebbende uitgevoerd.

4.5. Vaststaat dat belanghebbende van 2001 tot en met 2006 jaarlijks een exploitatie-overschot heeft behaald, dat in 2003 het exploitatie-overschot € 17.479 heeft bedragen, en dat ultimo 2003 de totale winstreserve van belanghebbende € 65.885 bedroeg. Gelet daarop is de conclusie gerechtvaardigd dat bij belanghebbende een winstoogmerk aanwezig is.

4.6. Belanghebbende heeft gesteld, hetgeen door de Inspecteur is erkend, dat in 2007 een negatief bedrijfsresultaat van € 8.300 is geleden. Dit verlies is veroorzaakt door de leasing van beveiligingscamera’s en door de afschrijving op aangekochte camera's. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat, gelet op een leasetermijn en afschrijvingsperiode van vijf jaren, de verwachting is dat tot en met 2011 jaarlijks een dergelijk negatief bedrijfsresultaat zal worden gerealiseerd, maar dat nadien mutatis mutandis jaarlijks weer een positief bedrijfsresultaat van ongeveer € 20.000 zal kunnen worden behaald. De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat een bedrijfsverlies gedurende vijf jaren van ongeveer € 8.300 per jaar, meebrengt dat het eigen vermogen van belanghebbende - dat uitsluitend is gerealiseerd vanwege de winstdelingsregeling met B - ultimo 2011 nog immer € 50.000 zal bedragen, zodat van structurele verliesgevendheid geen sprake is. Dit geldt te meer nu belanghebbende de verwachting heeft dat na 2011 jaarlijks weer een positief bedrijfsresultaat zal worden behaald, aldus de Inspecteur. Het Hof verenigt zich met deze conclusie van de Inspecteur nu belanghebbende niet heeft gesteld dat daaraan feitelijke onjuistheden ten grondslag liggen. Dit betekent dat zelfs indien belanghebbende in de jaren van 2007 tot en met 2011 de gestelde verliezen lijdt, belanghebbende geacht wordt een winstoogmerk te hebben. Daaraan doet niet af dat het bedrijfsresultaat kleiner zal zijn als belanghebbende besluit meer uitgaven te doen in het kader van de beveiliging van het bedrijventerrein, nu niet gesteld of gebleken is dat zij daarvoor concrete plannen heeft en omtrent de mogelijke omvang van die uitgaven al helemaal niets duidelijk is.

4.7. Belanghebbende drijft dan ook een onderneming in de zin van artikel 2, lid 1, aanhef en letter d, Wet Vpb (tekst 2003). De vraag of artikel 4, aanhef en letter a, Wet Vpb (tekst 2003) toepassing vindt, behoeft dan geen beantwoording meer.

Gelijkheidsbeginsel

4.8. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat zij op grond van het gelijkheidsbeginsel niet belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, nu zij in afwijking van niet-gepubliceerd begunstigend beleid ongunstiger wordt behandeld dan met haar vergelijkbare belastingplichtigen.

4.9. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat indien een belastingplichtige in het kader van een beroep op niet gepubliceerd begunstigend beleid, waarvan ten aanzien van hem zou zijn afgeweken, wijst op gevallen waarin met hem vergelijkbare belastingplichtigen een gunstiger behandeling ten deel is gevallen dan hij zelf ondervindt, het op de weg ligt van de inspecteur die ongelijke behandeling te verklaren en daarbij aannemelijk te maken dat die niet voortvloeit uit een door hem gevoerd of op een hoger niveau gecoördineerd begunstigend beleid. Indien hetgeen de belastingplichtige in eerste instantie naar voren brengt het vermoeden rechtvaardigt dat begunstigend beleid is gevoerd, is het vervolgens aan de inspecteur om dat vermoeden te ontzenuwen. Bij de uiteindelijke afweging van de bewijskracht van enerzijds dat wat het vermoeden rechtvaardigde, anderzijds hetgeen de inspecteur ter ontzenuwing daarvan aannemelijk heeft gemaakt, blijft echter het bewijsrisico berusten bij de belastingplichtige (vgl. HR 23 april 2004, nr. 38.262, LJN AL 8260, BNB 2004/392).

4.10. Gelijk de Rechtbank heeft vastgesteld, heeft belanghebbende geen vergelijkbare belastingplichtigen - samenwerkingsverbanden waarbij de collectieve beveiliging centraal staat die een gelijksoortige winstdelingsregeling zijn overeengekomen - genoemd die de belastingdienst bewust buiten de heffing van vennootschapsbelasting heeft gehouden. De Inspecteur heeft dienaangaande verklaard dat indien vergelijkbare stichtingen eenmaal bij de belastingdienst bekend zijn, het beleid is dat in deze gevallen (subjectieve) belastingplicht voor de vennootschapsbelasting wordt aangenomen. Van enig begunstigend (niet-gepubliceerd) beleid is derhalve niet gebleken. Toepassing van het gelijkheidsbeginsel is dan niet aan de orde.

4.11. Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur belanghebbende terecht aangemerkt als belastingplichtige voor de heffing van vennootschapsbelasting.

5. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. J. Lamens en mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2009.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts ) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.