Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ1304

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-06-2009
Datum publicatie
02-07-2009
Zaaknummer
TBS 2008/334
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de beschouwing van het tijdsverloop in het perspectief van de ernst van de delicten, tezamen met de aard van de stoornis en het actuele recidivegevaar, zou een verlenging van de maatregel van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging in casu disproportioneel zijn. Hoewel zowel de kliniek als betrokkene hebben gesteld dat betrokkene bereid is zich te voegen naar de richtlijnen van de verslavingsreclassering bij een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging van betrokkene, is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging -gelet op de houding van de reclassering- niet haalbaar is. Het hof betreurt ten zeerste de door de reclassering ingenomen houding zowel ten aanzien van het niet volledig willen meewerken aan de opdracht zoals gegeven in de tussenbeslissing alsmede ten aanzien van het weigeren tot het verlenen van enige nazorg aan betrokkene bij beëindiging van de maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2008\334

Beslissing d.d. 30 juni 2009

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[Terbeschikkinggestelde],

Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 12 augustus 2008, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar. Het hof beschouwt als hier herhaald en ingelast de inhoud van de tussenbeslissing van het hof van 17 maart 2009.

Overwegingen:

• Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken, hetgeen de getuige-deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard en daar het tot een andere beslissing komt.

• Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is op het beroep uiteindelijk ruim tien maanden na het instellen van het hoger beroep beslist. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de eerste behandeling van de zaak bijna zeven maanden na het instellen van het hoger beroep plaatsvond, waarna de behandeling van de zaak is aangehouden teneinde een nadere rapportage te doen opstellen door de verslavingsreclassering in samenspraak met de kliniek omtrent de op te leggen vooraarden in het kader van een eventueel te bevelen voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging, waarin tevens wordt gerapporteerd met betrekking tot resocialisatie en terugkeer in de maatschappij van betrokkene bij een eventuele afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

• De terbeschikkingstelling van betrokkene is ingegaan op 5 juni 1995 en loopt dus thans meer dan veertien jaren. Dit tijdsverloop in relatie tot de ernst van de delicten waarvoor de terbeschikkingstelling is opgelegd [afpersing en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht] moet mede in aanmerking worden genomen bij de verlengingsbeslissing.

Het hof is van oordeel dat bij een afweging tussen de belangen van de terbeschikkinggestelde en van de maatschappij naar mate de maatregel van terbeschikkingstelling langer duurt het belang van de terbeschikkinggestelde steeds zwaarder dient te wegen. Gelet op de beschouwing van het tijdsverloop in het perspectief van de ernst van de delicten, tezamen met de aard van de stoornis en het actuele recidivegevaar, zou een verlenging van de maatregel van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging in casu disproportioneel zijn.

• In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen niet langer verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Uit de advisering volgt dat bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, waarbij in het verleden antisociale, narcistische, borderline en paranoïde trekken zijn beschreven. In de contacten binnen de huidige omgeving gedraagt betrokkene zich de laatste jaren rustig en voorkomend. Het functioneren van betrokkene is ook het afgelopen jaar stabiel gebleven. Er is op basis van zijn gedrag geen duidelijke aanleiding om persoonlijkheidspathologie te veronderstellen, althans deze lijkt verbleekt. Binnen de huidige situatie zijn geen aanwijzingen voor antisociaal gedrag door betrokkene. Het komt bij betrokkene nooit tot incidenten. De kans op toekomstig gewelddadig gedrag wordt op de korte termijn als gering beoordeeld, mits betrokkene abstinent blijft van alcohol en drugs. Op de lange termijn wordt het risico van gewelddadig gedrag als matig tot groot beoordeeld.

Betrokkene is gevoelig voor negativisme en achterdocht als hij tegenslagen ervaart en/of het contact met de directe omgeving verslechtert. Het probleembesef met betrekking tot deze kwetsbaarheid is bij betrokkene toegenomen; betrokkene kan beter dan voorheen onderkennen dat hij -ook buiten de structuur van de kliniek- hulp en ondersteuning nodig heeft. Ook lijkt betrokkene in staat hulp te accepteren.

Er zijn voorlopige afspraken gemaakt over begeleiding bij het wonen, ambulante therapeutische begeleiding en het betrekken van leden uit het sociale netwerk bij de resocialisatie. Betrokkene heeft zich bereid verklaard om indien hij geen regulier werk heeft gevonden, vrijwilligerswerk te verrichten.

Hoewel zowel de kliniek als betrokkene hebben gesteld dat betrokkene bereid is zich te voegen naar de richtlijnen van de verslavingsreclassering bij een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging van betrokkene, is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging in de situatie van betrokkene niet wenselijk is. De getuige-deskundige, P. Gubbels, heeft immers ter zitting ten overstaan van het hof verklaard en tevens in het maatregelrapport van Novadic-Kentron, Verslavingsreclassering, d.d. 11 juni 2009 vermeld dat zij -indien plaatsing van betrokkene in een FPA niet mogelijk is- geen mogelijkheden zien om ten aanzien van betrokkene voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging te formuleren. Het hof betreurt het dat de verslavingsreclassering -ondanks de gegeven opdracht bij tussenbeslissing van 17 maart 2009- niet heeft gerapporteerd over alternatieven bij voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging en over resocialisatie en terugkeer van betrokkene in de maatschappij bij een eventuele afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel. De getuige-deskundige P. Gubbels heeft ter zitting in hoger beroep verklaard niet te kunnen en willen voorzien in enige vorm van nazorg van betrokkene bij een afwijzing van de vordering van de officier van justitie. Het hof betreurt ten zeerste de door de reclassering ingenomen houding zowel ten aanzien van het niet volledig willen meewerken aan de opdracht zoals gegeven in de tussenbeslissing alsmede ten aanzien van het weigeren tot het verlenen van enige nazorg aan betrokkene bij beëindiging van de maatregel.

De getuige-deskundige E. Doddema heeft ter zitting ten overstaan van het hof verklaard dat FPC Veldzicht wel kan en wil voorzien in enige vorm van nazorg op vrijwillige basis. Betrokkene heeft ter zitting in hoger beroep verklaard hier ook gebruik van te zullen maken. Het hof vertrouwt er dan ook op dat betrokkene ook bij beëindiging van zijn maatregel contact met de kliniek blijft onderhouden.

Gelet op het bovenstaande acht het hof het delictgevaar thans gereduceerd tot een zodanig aanvaardbaar niveau dat de algemene veiligheid van personen niet langer verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Het hof is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen en dat de terbeschikkingstelling dient te worden beëindigd.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 12 augustus 2008 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Aldus gedaan door

mr Mintjes als voorzitter,

mrs Stolwerk en Rutgers van der Loeff als raadsheren,

en drs Poll en dr Raes als raden,

in tegenwoordigheid van Bakkenes als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2009.

Mr Rutgers van der Loeff en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.